Fennema en de pathetische drogreden

De provincie Noord-Holland wil haar spaarcenten, 78 miljoen, terug van Icesave. Minister Bos is tegen die actie, want dat schaadt de belangen van de kleine spaarder. Bos en Nederlandse Bank hebben onlangs bekendgemaakt dat de spaarrekeningen en dergelijke tot een maximum van 100.000 euro gedekt zijn. De provincie walst daar onder leiding van Harry Borghouts, commissaris van de koningin van Noord-Holland, in fors tempo overheen.
Fennema (hoogleraar politicologie) snapt, naar eigen zeggen, niets van deze discussie en uit zijn stuk blijkt dat ook (VK, 7.11.08). Hij vraagt zich namelijk af waarom de nationale overheid voor moet gaan op één provincie. Want feitelijk komt het dilemma neer op de vraag waarom de kleine autobezitter (een belangrijke geldbron van de arme provincie) de rekeningouder van Icesave moet laten voorgaan. Die rekeninghouder heeft zijn zwart geld op die bank gestald.
Analyse.
Pathetische drogreden (1): Fennema maakt zich schuldig aan een pathetische drogreden door een beroep te doen op medelijden met een arme provincie. Even de cijfers. De provincies bulken van het geld. Sinds 2000 is de totale opbrengst van de opcenten, de provinciale heffing boven op de motorrijtuigenbelasting, bijna verdubbeld, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Dat levert de provincies jaarlijks 1,3 miljard euro op. Tot 2007 bedroeg de jaarlijkse stijging gemiddeld 7 procent, maar in 2008 namen de tarieven zelfs toe met 10 procent ten opzichte van vorig jaar. Met deze opbrengsten financieren de provincies niet alleen het onderhoud van het wegennet, maar ze geven het ook uit aan bijvoorbeeld natuur en recreatie. En een vette spaarpot, onder andere bij Icesave. Weliswaar blijven de provincies met hun stijging binnen de wettelijke marge, maar niet ontkend kan worden dat provincies nogal kwistig met geld omgaan. Zo stegen de provinciale uitgaven voor sociaal beleid van 700 miljoen in 1998 tot 1,25 miljard in 2006. En dat is ongeveer eenderde van de totale provinciale uitgaven van dat jaar. Om zichzelf beter op de kaart te zetten, besteedde elke provincie in 2006 gemiddeld zo'n één à twee miljoen euro per jaar aan externe communicatie en voorlichting. Eén provincie gaf er zelfs 3,7 miljoen euro aan uit. Fennema’s arme provincie bestaat alleen in zijn hoofd. Over maakte Marc Chavannes en - eerder - Klaartje Peters al korte metten met de mythe van de arme provincie.
Onjuiste vergelijking: maar zelfs al zijn de provincies niet armlastig, dan nog klopt de vergelijking voor geen meter: de provincie heeft met de verplichte (op)centen van de autobezitter, met andermans geld dus, zijn spaarpot willen spekken; de burger heeft zijn eigen geld een spaarrekening geopend.
Pathetische drogreden (2): door te verwijzen naar het zwarte geld – een vooronderstelling van Fennema – wordt gezinspeeld om een sentiment dat de vermogenden hun belastingen hebben ontdoken.
Verschuiving van de argumentie. Eerst stelt Fennema een aantal suggestieve vragen over de bron van herkomst van het spaargeld van de Icesave-klanten. Maar wat verderop in zijn betoog verandert deze vraag ineens in een feit. Dezelfde truc haalt Fennema uit bij het vermogen: eerst stelt hij (suggestieve) vragen over vermogen en vervolgens veranderen deze vragen in feiten: de spaarder blijkt vermogend te zijn. Maar voor al die ‘feiten’ heeft Fennema geen greintje bewijs geleverd.

© 2008 R.G.M. Ritzen