Fennema en de persoonlijke aanval

Stephan Sanders deed enige tijd geleden een boekje open over de studie politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, eind jaren tachtig (NRC, 30.8.08) . “Wij behandelden in werkgroepen de femsoc-teksten van Anja Meulenbelt, en haar prachtboekje over China Kleine voeten, grote voeten waarin de warme, ontspannen seksuele relaties in Mao's dictatuur werden bezongen. Dit college werd gegeven door Anneke van Baalen, een geïnspireerd docent, maar ook een radicaal feministe, die Meulenbelt maar een halve zachte vond, en die, sorry hoor, voor ons jongens maar één elegante oplossing zag: af via de zijdeur, weg van het podium. Er was een werkcollege 'nieuwe sociale bewegingen' waar je punten kon verdienen als je zelf kraakte. Dat hoefde niet per se, maar het gaf je wel een voorsprong.”
Ook Meindert Fennema, nu hoogleraar politieke theorie, maakte deel uit van die club. Tegenwoordig neemt hij “de verdwazingen van links onder de loep”, aldus Sanders. “Helaas deed hij dat toen niet, en maakte hij veeleer prominent deel uit van die gekte. Nog steeds kan ik mij er boos om maken, dat we in het vrije, democratische Nederland waren aangewezen op een Noord-Koreaans lesprogramma.”
Achteraf, zo stelt Sanders verder, gedroeg zijn intellectuele generatie zich als kinderen die verwaarloosd waren. “We voelden ons miskend, overbodig, en besloten toen dat we de vorige generatie niet gingen bevechten, zoals het hoorde, maar net zo links lieten liggen als ze met ons had gedaan. Ik denk dat de omineuze kreet 'Jullie rechtsstaat is de onze niet' die rancuneuze verongelijktheid het beste uitdrukte. Het scheelde allicht dat we geen idee hadden wat een 'rechtsstaat' precies was, maar het idee dat we de maatschappij niets verplicht waren, omdat die ons ook niet zag staan - dat was gesneden koek.”
Zijn generatie overdreef de kwade bedoelingen van ouders en voorouders, en dichtten hen een almacht toe die niet kapot kon. Voor enige consideratie was absoluut géén plaats. “Nog steeds denk ik dat mijn politiek ongeschoolde en onwetende generatie geen fraai voorbeeld is geweest voor de nieuwkomers, die zich in Nederland moesten zien te oriënteren. Wij hadden ze niets te leren, want we wisten het zelf eigenlijk niet. De magere moraal die overbleef was: ‘Zie maar, doe maar, en doe het vooral zelf.’ ”
Fennema reageerde enige tijd later en hij was duidelijk geïrriteerd (NRC, 13.9.08). “Mij verwondert bij Stephan Sanders en vele anderen uit zijn generatie het robuuste, ja onverslijtbare gevoel van slachtofferschap. Waarom wilde Sanders met alle geweld afstuderen bij Connie van der Maessen? Waarom wilde hij werkgroepen volgen bij de meest radicale vleugel van de vrouwenbeweging? Dat was toch niet verplicht? In de tijd waarin Sanders studeerde gaven Willem Saris en Cees van der Eijk bij de politicologen les in causale modellen, waarmee je heel mooi kwantitatief en vergelijkend onderzoek kon doen. Daar heb ik Sanders nooit gezien. Herman de Liagre Boehl deed met Jan Nekkers en Laurens Slot en een groot aantal studenten onderzoek naar de wederopbouw van Nederland na 1945. Daar heb ik Sanders nooit gezien.”
Ook zag hij Sanders niet bij de colleges van de beslist niet linkse Henri Baudet van de Universiteit van Groningen. Evenmin bij de werkgroep, waarmee hij onderzoek deed naar de bestuurlijke belemmeringen bij de invoering van duurzame energie. Eigenlijk zag hij Sanders alleen maar “op de wekelijkse borrel. Sanders wentelt zich, ook nu hij vijftig is, nog steeds in zelfbeklag. Uit zijn bijdrage blijkt geen enkel besef van eigen verantwoordelijkheid.”
En die reactie was weer goed voor een stukje van Sanders in VN (1.11.08). Hij kwam Fennema toevallig tegen en vertelde hem dat eerstejaars studenten niets te kiezen hadden. Ze volgden het programma van het Friedrich Collectief, want dat was verplichte kost. 'O ja?' zei Fennema verbaasd.
En Sanders verbaasde zich vervolgens weer over Fennema’s verbazing. “Geestig, dat een oud-communist vergeet hoeveel dwang daarbij kwam kijken, minder geestig dat hij de schuld gewoontegetrouw nog steeds bij anderen legt. Alsof een oud-DDR-functionaris roept: 'Maar waarom stemden die mensen dan niet op de Anti Communistische Partij, als het ze niet beviel?' Omdat die er niet was.”
Analyse. Fennema's persoonlijke aanval op Sanders is op meerdere punten onterecht. Sanders stoorde zich aan het feit dat een aantal vakken met een indoctrinerend karakter verplichte kost was. Dat Sanders bij andere vakken kennelijk niet aanwezig, is niet echt relevant. Maar toegegeven, ook Fennema had gelijk. Sanders had andere niet-Oostblokvakken kunnen volgen. Niemand verbood het hem.
Ook het verwijt dat Sanders geen greintje besef van eigen verantwoordelijkheid had, is niet (helemaal?) terecht. Sanders schreef immers dat zijn generatie overdreef, dat zijn generatie politiek ongeschoold en onwetend was en er een magere moraal op nahield. Nergens staat dat Sanders dat allemaal in de schoenen van Fennema wilde schuiven.