Hilkens en een mix van drogredenen

Myrthe Hilkens mocht in het NRC (22.11.08) nog een keer uitleggen hoe het zit met sex. Dat leverde – in argumentatieve zin – een opmerkelijk interview op.
“Voor mij is wetenschap overigens ook niet heilig. Als de journalistiek altijd zou wachten tot de wetenschap iets zeker wist, zouden de kranten erg dun worden.” De vooronderstelling is dan kennelijk dat kennis, waarvan we de betrouwbaarheid (nog) niet kunnen vaststellen, nog altijd beter is dan géén kennis.
Hilkens heeft overigens een wat vreemde opvatting over wetenschappelijk onderzoek. Onderzoek zou betekenen dat je jongeren aan porno met blootstellen en dat stuit op ethische bezwaren. Ongetwijfeld, maar dat is maar één variant van onderzoek. Er zijn talloze scenario’s denkbaar zonder dat je jongeren naar pornografie laat kijken.
“Vooral bij sociale wetenschap is het ook de vraag of je ooit sluitend bewijs krijgt. Wetenschap is ook niet statisch: wat nu geldt, klopt volgend jaar niet meer.” Kennelijk geldt dat wel voor wetenschappelijk onderzoek, maar niet voor haar eigen onderzoek. Sterker nog, wie het niet met haar eens is, heeft kennisgebrek: “De kritiek is ook het gevolg van een gebrek aan kennis.” Veel oude feministen, één van haar critici, weten niet wat er op internet te zien is.
Hilkens baseert die wijsheid op brieven die oude feministen naar Opzij stuurden. Ze gingen na een artikel over seksualisering in dat blad zelf eens polshoogte nemen op internet en schrokken zich kennelijk rot. Erg sterk is dat argument niet. Nog los van de vraag om hoeveel mensen het eigenlijk ging, ligt het niet voor de hand dat feministen, die niet geschokt waren, meteen in de pen zouden klimmen. Kortom, de brievenschrijvers zijn niet op voorhand representatief voor de ‘oude’ feministen.
“Als je met politiemensen, onderzoekers, psychologen en jeugdwerkers praat, zeggen ze allemaal: er is iets veranderd in de jeugdcultuur.” Argumentum ad populum: als iedereen het zegt, dan moet het wel waar zijn. Hilkens noemt dit “meer intuïtieve dan wetenschappelijke kennis”.
“Met mijn boek wil ik duidelijk maken dat ik aan niemands vrijheden wil komen. Maar we moeten het wel hebben over de grenzen van de vrijheid: hoever willen wij in onze overgeliberaliseerde wereld gaan in het verdedigen van de vrijheid om je suf te kunnen rukken?” Maar in één adem voegt ze er aan toe dat een aantal pornogenres feller bestreden zou moeten worden. Daarmee komt ze dan toch aan iemands vrijheden, hoewel ze eerder nadrukkelijk stelt dat ze aan niemands vrijheden wil komen. Beide opvattingen kan men alleen op straffe van een contradictie tegelijkertijd aanhangen.

© 2008 R.G.M. Ritzen