Sommer en het dubieuze motief

Martin Sommer besprak in een recensie (VK, 31.10.08) enkele boeken, waaronder het recent verschenen boek ‘Het bange Nederland’ van Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen en Ido de Haan. De auteurs, die alledrie verbonden zijn aan de Universiteit van Amsterdam, betogen dat een onzekere elite andere mensen bang maakt. Die elite staat onder druk en “is wanhopig op zoek naar een nieuwe missie en nieuwe rechtvaardiging voor haar bestaan” (p. 11).
Sommer is niet erg te spreken over dat boek blijkens de toekenning van één magere ster. “Waar het om gaat is de beoordeling van de onvrede die onder het populisme schuil gaat”, stelt Sommer. “En vruchtbaarder dan impliciete of uitgesproken afwijzing lijkt mij de benadering van de betreurde Hendrik Jan Schoo. Die omschreef in het onlangs postuum verschenen Republiek van vrije burgers het populisme ‘niet per se als abjecte oprisping van een misleid, tot het kwade geneigd en van bovenaf te beheersen electoraat, maar passender (als) een nuttige correctie op democratisch falen’. Dat lijkt mij nog altijd een actuele observatie.”
Sommer stoort zich aan het feit dat Duyvendak, Engelen & De Haan in hun “pamflet” de oren wassen van de Scheffers, de Spruyten, de Maxime Verhagens, de Marijnissens, de Bolkesteins en zelfs Frits van Oostrom. “Ja wiens oren houden het eigenlijk droog?”
Analyse. Wiens oren het niet droog houden? Die van Sommer in elk geval ook niet, want op p. 96 duikt zijn naam op. De auteurs verwijten hem mee te dobberen met de populistische stroom. En daar wringt meteen de schoen. Past het een journalist om een negatieve recensie te schrijven zonder te vermelden dat hijzelf ook onderwerp van kritiek is? Daarmee wordt toch op z’n minst de schijn van partijdigheid gewekt. En die schijn wordt versterkt door het feit dat Sommer 160 pagina’s omschrijft als pamflet. Van de 1656 woorden besteedt Sommer amper 114 woorden aan het boek en dan nog in negatieve zin.
Het andere boek dat Sommer bespreekt, De Grote Kloof, heeft eveneens een hoog Groen Linksgehalte. Hij maakt er in elk geval 667 woorden vuil aan, maar ook hier zijn slechts 116 woorden gereserveerd voor het boek. De rest heeft Sommer nodig om zijn eigen visie etaleren.
In dit geval denk ik dat het gerechtvaardigd is de motieven van Sommer in twijfel te trekken zonder dat er sprake is van een persoonlijke aanval. Dat Sommer uitermate bevooroordeeld is, heb ik hier, hier en hier aangetoond. Deze recensie past in dat patroon.

© 2008 R.G.M. Ritzen