Ellian over de Monitor

Na Elseviercolumnist Wynia bracht prof. Ellian (RU) verontwaardigd verslag uit over het rapport van de onderzoekers die werkzaam zijn bij de ‘Anne Frank Stichting, Onderzoek en Documentatie; Universiteit Leiden, Departement Bestuurskunde’. Die ideologische vooringenomenheid van deze onderzoekers spat er van alle kanten af als we Ellian mogen geloven (Elsevier, 12.12.08).
“Wat is de sociale genealogie van de PVV? Om extreemrechts te zijn, moeten ze voortvloeien uit een extreemrechtse formatie. De onderzoekers komen tot een schrikbarende conclusie: Wilders en de PVV bestaan uit wortelloos volk”, meent Ellian.
Analyse. Wat schreven de auteurs? “Noch onder de oprichters van de PVV, noch onder de huidige Tweede Kamerfractie bevinden zich personen met een extreemrechtse ‘carrière’. (…) De tweede vraag – het gaande weg bij de organisatie aansluiten van ‘bekende’ rechtsextremisten – kan niet beantwoord worden, omdat de PVV tot dusverre geen leden heeft toegelaten. Omdat de PVV als formele organisatie vrijwel geen bemensing heeft, is van bovengenoemde sociale genealogie dus ook geen sprake.” (p. 171).
Hier is sprake van een vertekening van een standpunt door Ellian. De politici van de PVV, inclusief Wilders dus, hebben volgens de onderzoekers geen wortels in het rechtsextremisme. Ellian vertaalt dat als ‘Wilders en de PVV bestaan uit wortelloos volk’. Dat Wilders uit een volk kan bestaan, lijkt me sterk. Maar het punt waar het mij om gaat, is dat het gegeven dat de PVV-politici geen extreemrechts verleden hebben, niet impliceert dat ze wortelloos zijn.
“Wat is de ideologie van de PVV? (…) Natuurlijk vormen Adolf Hitler en zijn enge vriendjes bij deze definitie het vertrekpunt”, aldus Ellian. Andermaal een vertekening. De onderzoekers benadrukken letterlijk dat er bij de PVV geen spoor van antisemitisme te bekennen valt. Integendeel zelfs, “er is sprake van een sterke affiniteit met Israël en het jodendom.” De PVV, zo stellen de onderzoekers verder, hebben zelf een pleidooi gehouden om de joods-christelijke en humanistische cultuur te verankeren in de Grondwet. (p. 178).
“Het wordt buitengewoon gênant als de schrijvers Wilders citeren over het feit dat autochtonen zich minder snel voortplanten dan allochtonen. Dat heeft Wilders niet zelf bedacht hoor. Het komt voor in de statistieken van het Integratierapport 2006. Daar spreken ze over vruchtbaarheid, een chique variant van ‘zich voortplanten’”, aldus Ellian. Ten eerste zit er wel degelijk een verschil tussen de pejoratieve betekenis van ‘voortplanten’ en ‘vruchtbaarheid’, maar belangrijker is dat de onderzoekers hiermee willen aantonen dat het vreemde waar de PVV zich tegen afzet de islamisering van Nederland is (verg. p. 176/177). Dat in een of ander Integratierapport 2006 gesproken wordt over ‘vruchtbaarheid’ is volstrekt irrelevant.
De conclusie die Ellian hieruit trekt - Wilders leest de overheidsrapporten, maar onze antiracistische activisten niet; de leven niet in onze, maar in hun eigen werkelijkheid – is dan ook irrelevant.
“Wilders deugt niet, en het bewijs daarvan zien ze in de beledigingen aan het adres van premier Balkenende (beroepslafaard) en zijn ministers.” In de betreffende passage, waarin verwezen werd naar de beledigingen, ging het niet over de vraag of de PVV een rechtsextremistische organisatie is. Er werd in die passage (p. 169) gesteld dat de PVV zich profileert als een partij die tegen de politieke elite is. Pas in de paragraaf daarna wordt de PVV geanalyseerd in relatie tot het rechtsextremisme. Kortom, alweer een vertekening van het standpunt van de wetenschappers.
Vervolgens eindigt Ellian zijn column uiterst cryptisch: “Dit verhaal wordt als een ‘onderzoek’ gepresenteerd. Sommige mensen hebben een hekel aan Wilders. Dat begrijp ik. Ze schrijven dat hij moet worden vervolgd en veroordeeld. Daarmee bewijzen ze hun sympathie voor de tirannieke machtsuitoefening.”
Door deze zinnen in één alinea te plaatsen, lijkt alsof de onderzoekers van mening zijn dat Wilders veroordeeld moet worden. Er staat dat niet het OM, maar rechters over Wilders dienen te oordelen. Het OM seponeert, terwijl er voldoende aanknopingspunten in de jurisprudentie te vinden zijn om wel tot vervolging over te gaan.

© 2008 R.G.M. Ritzen