Ellian (alweer) over Wilders (27/1)

In de Volkskrant (26.1.08) mocht prof. Ellian zijn column uit Elsevier nog eens uitgebreid overdoen. Het ging uiteraard over de uitspraak van het Hof over de vervolging van Wilders (PVV).

“Het Amsterdamse Hof heeft Geert Wilders ongevraagd veroordeeld zonder dat een eerlijk proces is gevoerd.” Deze kop is misleidend, want Wilders is niet veroordeeld. Het ging om de vraag of Wilders zich voor rechtbank zal moeten verantwoorden of niet. Het OM zich er geen brood in; het Hof wel. Wellicht bedoelde Ellian ‘veroordeeld’ niet in de letterlijke zin, maar in de zin dat het Hof Wilders de facto veroordeelde met deze vervolging.
De toevoeging ‘ongevraagd’ is dubieus. Feit is dat Wilders wel zijn zegje mocht doen (en dat ook heeft gedaan).

“En dat zonder verdachte, zonder zitting, zonder strafrechtelijke aanklacht, zonder requisitoir, zonder pleidooi en zonder verklaring van getuige-deskundigen. Expliciet doet het Hof meermaals uitspraken over Wilders’ uitspraken – en veroordeelt hem.” Het Hof heeft gemotiveerd aangegeven waarom vervolging (dus niet: veroordeling) aan de orde is. Dat dit zonder zitting gebeurt (Wilders is overigens wel gehoord) en zonder requisitoir etc. is niet vreemd. Het ging immers alleen om de vraag of Wilders zich in de toekomst moet verantwoorden voor de rechtbank.
Volgens het Hof vielen enkele uitspraken onder een strafbare wetsbepaling, verbiedt het EVRM de vervolging van politici niet per definitie en is het algemeen belang gediend met een duidelijke uitspraak over waar grenzen liggen. Dat waren de redenen voor vervolging. De rechters zullen vervolgens moeten uitmaken of Wilders een wettelijke grens heeft overschreden.

“Unverfroren schrijft het Hof: ‘De ontoelaatbaar geoordeelde meningsuitingen van Wilders werpen een zodanige blokkade in het maatschappelijk debat op dat moslimgelovigen feitelijk van deelname aan dat debat worden uitgesloten alleen vanwege hun geloof. Daarin ligt het strafrechtelijk verwijt aan Wilders, die met zijn harde en algemene diskwalificaties handelt in strijd met de grondvoorwaarde van een stabiele democratie.’ Moet Wilders worden bestraft wanneer hij hard oordeelt? Of wanneer moslims niet op tv komen en geen opiniestukken schrijven?”
Hier vertekent Ellian het standpunt van het Hof. Het ging niet om de vraag of Wilders moet worden ‘bestraft wanneer hij hard oordeelt’. Met deze bewoordingen vertekent Ellian het standpunt van het Hof.

Als het Hof zich had verdiept in de Kamerstukken rond de betreffende wetsartikelen, dan had het geweten met welke voorzichtigheid het had moeten handelen. Volgens de Memorie van Antwoord (1969/1970) moet de toepassing van deze strafbepalingen minimaal zijn, om drie redenen:
1. het strafrecht kan slechts een geringe bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke spanningen;
2. het strafrechtelijk optreden kan tot verscherping van maatschappelijke spanningen leiden en
3. de onnodige strafrechtelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting is verwerpelijk.
Dit zijn drie wethistorische redenen om Wilders niet te vervolgen.”

Ellian poneert hier enkel. Het ‘dus’ in de laatste regel suggereert een logica die er niet is. Bovendien had deze MvA niet betrekking op vervolging, maar op de veroordeling.

“Waar ligt volgens het Hof de grens? Moet de politie morgen alle boeken van schrijvers als Oriana Fallaci (die veel scherper tegen de islam tekeer ging dan Wilders) uit de bibliotheken halen? Er zijn wetenschappers die ervan overtuigd zijn dat Mohammed geen historische figuur is, dat de islam geen oorspronkelijke religie is, dat de islam de waarden van andere religies niet respecteert, dat de Koran niet meer is dan een mengelmoes van christelijke en joodse teksten vermengd met pre-islamitische Arabische legenden. Moeten we die wetenschappers allemaal vervolgen omdat zij daarmee de ziel van de moslims beledigen en hun godsdienst bespotten?” Dit is het hellend vlak: als Wilders' uitspraken verboden worden, dan volgen er meer.
Bovendien, het ging niet om een wetenschappelijke verhandeling over de Koran, maar om een speech van een politicus met specifiek woordgebruik en een bepaalde toon.