Publicatie- en diploma-inflatie (9/1)

Universiteit van Praag

“Wat geven Ad Verbrugge en de zijnen ons toch een verzuurd en vertekend beeld van de staat van ons universitaire onderwijs en Je krijgt bijna het gevoel op bezoek te zijn in de recreatiezaal van een bejaardentehuis.”, meent Herman Lelieveldt, hoogleraar politicologie (Vk, 11.12.08) .
Hun hele betoog, zo gaat hij verder, ademt de gezapige en verstikkende sfeer van een jaar of vijftien geleden. “De ‘goede oude tijd’ waarin universiteiten zelf via schimmige procedures bepaalden wie wel en wie geen onderzoeksgeld kreeg, waarin vakgroepen en universiteitsraden oeverloos overlegden over de hoeveelheid pagina’s die studenten moesten bestuderen en waarin niemand, maar dan ook niemand, zich bekommerde om de kwaliteit van onderwijs en onderzoek.”
De meeste vraagtekens zet Lelieveldt bij hun kritiek op de peer review en andere vormen van kwaliteitsbeoordeling. Met dat systeem is niets mis, want alleen zo kunnen we het kaf van het koren scheiden. “Zo’n systeem zorgt er ook voor dat ze nog meer hun best doen om goed onderzoek te doen en dat op een fatsoenlijke manier op te schrijven.”
Dat peer review het theoretische en methodologische pluralisme bedriegt en eenheidsworst creëert, is dan ook een faliekante onzin. Iedere wetenschappelijke subcultuur kan immers via peer review zijn eigen tijdschrift kan opzetten. “En het duizelingwekkend aantal wetenschappelijke tijdschriften dat er is, bewijst dat dat ook gebeurt.”
Er is overigens helemaal geen sprake van een werkelijk een ontoelaatbare inbreuk op de professionele autonomie als die vermaledijde managers wel graag willen dat je in een fatsoenlijk blad publiceert en niet in een clubblaadje dat alles klakkeloos plaatst.
“Verbrugge en de zijnen stralen een gezapigheid en luiheid uit, die we gelukkig steeds minder op de universiteit tegenkomen.”
Wat schreven Verbrugge en de zijnen eigenlijk in de Volkskrant? Ze wezen op de diploma- en publicatie-inflatie. Het wetenschappelijke onderwijs en onderzoek is al jaren onderhevig aan een even ernstige als sluipende erosie, stellen ze. Het is bijvoorbeeld een probleem is geworden om Nederlandse masterdiploma’s in het buitenland erkend te krijgen. Maar de belangrijkste indicator voor het kwaliteitsverlies is de diploma-inflatie als gevolg van de outputfinanciering. Dit is een systeem waarbij universiteiten geld krijgen op basis van het aantal geproduceerde studiepunten. “De bestuursvoorzitter van de UvA zei bijvoorbeeld dat ‘goed onderwijs onderwijs is dat tot studiepunten leidt’. Dit kwam hem op felle kritiek van zijn eigen studenten te staan. Zij stelden: ‘Voor elk uitgereikt studiepunt ontvangen de faculteiten een bepaald bedrag van de UvA. Dit maakt het financieel aantrekkelijk om bijvoorbeeld het niveau van toetsen te verlagen en zo meer studenten te laten slagen’.”De publicatie-inflatie leidt tot kwaliteitsverlies van onderzoek als gevolg van het financieren van onderzoekers op grond van het aantal artikelen dat zij publiceren. Het gaat dan met name om Angelsaksische toptijdschriften. Gevolg is van deze financiering is dat wetenschappers steeds vaker hetzelfde artikel als nieuw product te recyclen. Publiceren in de eigen taal publiceren en bijdragen leveren aan publieke debatten, heeft nauwelijks nog betekenis. De voor 2011 aangekondigde afschaffing van de directe onderzoeksfinanciering van de universiteiten (de zogenaamde ‘eerste geldstroom’) versterkt deze tendens alleen nog maar meer.De bron van alle kwaad is de neoliberale politiek die ernaar streeft universiteiten in bedrijven te veranderen en het onderwijs te vermarkten en door een politiek die de relatieve autonomie van de wetenschap fundamenteel ontkent. “Universitaire managers streven steeds meer naar de vermarkting van onderzoek en onderwijs. Dit noemen zij ‘verhoging van efficiency’ (= bezuiniging), ‘valorisatie’ ( = ‘geen financiering via de markt, geen onderzoek’) en ‘evaluatie’ (= controle). Wetenschappers daarentegen hebben professionele autonomie nodig om hun werk te kunnen doen: het verzamelen en doorgeven van ware kennis.”
Analyse. Iedere wetenschappelijke subcultuur kan immers via peer review zijn eigen tijdschrift kan opzetten, stelt Lelieveldt. Maar daar zetten de critici nu juist vraagtekens bij. Die tijdschriften worden in de kwaliteitssysteem niet mee genomen. Alleen publiceren in een bepaald type tijdschrift telt mee. Lelieveldt had dus een argument moeten geven dat die kwaliteitssystemen op dit punt niet selectief zijn.
Dat Verbrugge en de zijnen gezapigheid en luiheid uitstralen is feitelijk niet meer dan persoonlijke aanval.
Maar ook Verbrugge en de zijnen gaan niet helemaal vrijuit. Neem bijvoorbeeld de volgende passage “Maar de belangrijkste indicator voor het kwaliteitsverlies is de diploma-inflatie als gevolg van de outputfinanciering. Dit is een systeem waarbij universiteiten geld krijgen op basis van het aantal geproduceerde studiepunten. “De bestuursvoorzitter van de UvA zei bijvoorbeeld dat ‘goed onderwijs onderwijs is dat tot studiepunten leidt’. Dit kwam hem op felle kritiek van zijn eigen studenten te staan. Zij stelden: ‘Voor elk uitgereikt studiepunt ontvangen de faculteiten een bepaald bedrag van de UvA. Dit maakt het financieel aantrekkelijk om bijvoorbeeld het niveau van toetsen te verlagen en zo meer studenten te laten slagen’.” Er wordt een uitspraak van een bestuurder aangehaald en die wordt dan weersproken door studenten. Wat wordt hiermee nu eigenlijk bewezen? Diploma-inflatie? Kwaliteitsverlies? Nee, alleen dat een aantal (?) studenten het niet eens is met een bestuurssvoorzitter.