Truijens en de vertekening van een standpunt (13/1)

“Een historisch onderwijsjaar.” Zo kwalificeert Aleid Truijens het onderwijsdebat in 2008 (VK, 30.12). “Dit jaar drong het tot de allerhardste eikenhouten hoofden door dat er iets grondig mis is met de kwaliteit van het onderwijs.” De commissie-Dijsselbloem stelde onomwonden vast dat de overheid haar kerntaak, het garanderen van deugdelijk onderwijs, ernstig heeft verwaarloosd, merkt Truijens op. Ook “de commissie-Meijerink constateert een versnelde achteruitgang in lees- en rekenvaardigheid. 27 procent van de basisscholen presteert slecht met rekenen.”
Analyse. Wat zei de commissie-Meijerink eigenlijk precies over de vraag of de prestaties van leerlingen en studenten op taal, rekenen en wiskunde nu ook verslechterd zijn? Op de deelgebieden van taal en rekenen is “vaak zowel een voor- als achteruitgang te constateren.” Het beeld dat de commissie schetst “komt overeen met het oordeel van de inspectie zoals geformuleerd in het Onderwijsverslag van 2007: het gaat goed met het Nederlands onderwijs, maar er zijn hardnekkige problemen.” Kortom, een vertekening van het standpunt.
Ook is er helemaal géén consensus over de daling van de kwaliteit van het onderwijs. Nog onlangs stelden achttien hoogleraren (didactiek, wiskunde, natuurwetenschappen, onderwijskunde, psychologie en taalbeheersing), dat er niets mis is met de vernieuwingen in het rekenonderwijs. Dus prof. Boersma, prof. Eijkelhof, prof. Ellermeijer, prof. De Glopper, prof. Goedhart, prof. Van den Heuvel-Panhuizen, prof. De Lange, prof. Van Maanen, prof. Pilot, prof. Scheerens, prof. Simons, prof. Stapel, prof. Van Streun, prof. Treffers, prof. Vermunt, prof. Wubbels, prof. Zwaneveld en prof. Van den Akker waren wat het rekenonderwijs betreft, toch echt een andere mening toe gedaan.
Ook Rob Martens, hoogleraar onderwijskunde aan de OU, vraagt zich af waarom het onderwijsbashen, zoals door Aleid Truijens met verve beoefend, nog zo lang stand kunnen houden nu steeds duidelijker wordt dat er drie jaar lang indianenverhalen over het onderwijs zijn opgehangen en dat Dijsselbloem feitelijk nauwelijks empirische grond onder de voeten had.
En zelfs de meest fervente tegenstander van de recente onderwijsvernieuwingen kon op basis van haar eigen onderzoek niet overtuigend aantonen dat de prestaties gedaald zijn. Met een “hoe graag velen het onderwijsdrama ook wilden zien, het bestaat gewoon niet” typeert Rob Martens, hoogleraar onderwijsinnovatuie de huidige onderwijsdiscussie zeer treffend.
“Stemmingmakerij”, zo typeerde Kees de Glopper, hoogleraar taalbeheersing aan de Rijksuniversiteit Groningen, de discussie over de kwaliteit van het onderwijs. “Het niveau is al twintig jaar hetzelfde”.
De conclusie dat kinderen op basisscholen steeds slechter zijn in taal en rekenen, zou gebaseerd zijn op twintigjarig Cito-onderzoek, maar die conclusie klopt volgens De Glopper niet. “Het gekke is dit: uit die cijfers blijkt dat het onderwijsniveau de afgelopen twintig jaar nauwelijks verandert. Op wat kleine verschuivingen na scoren de basisscholieren grotendeels hetzelfde. Dus hoezo, het onderwijsniveau daalt?”
Op Truijens “dit jaar drong het tot de allerhardste eikenhouten hoofden door dat er iets grondig mis is met de kwaliteit van het onderwijs” is behoorlijk veel af te dingen. Wellicht is De Gloppers constatering “en lijk en dus geen zaak” een meer adequate one-liner.