Van Boxtel & Greve over Zeeman (21/1)

Oxford
“Geschiedenisonderwijs biedt wel degelijk een chronologisch overzicht en is minder naïef over het aanleren daarvan dan Michaël Zeeman is”, aldus Carla van Boxtel en Maria Grever. Beide zijn hoogleraar aan het Centrum voor Historische Cultuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam.Wat was er aan de hand? Volgens Michaël Zeeman worden nieuwe generaties leerlingen tijdens hun schoolopleiding ‘weliswaar geconfronteerd met afwisselend ludieke en moralistische wetenswaardigheden omtrent het verleden, maar van de volgorde en samenhang der formatieve gebeurtenissen hebben zij geen kaas gegeten’.
Maar volgens de beide hoogleraren heeft Zeeman “kennelijk zelf geen kaas gegeten van het huidige geschiedenisonderwijs. Zijn opmerkingen getuigen ook van grote naïviteit over de wijze waarop je een chronologisch overzicht van historische feiten kunt leren.“Want al geruime tijd presenteren de geschiedenisschoolboeken voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs namelijk keurig het chronologisch overzicht dat Zeeman zo wenselijk acht. “Op het eindexamen geschiedenis voor vmbo, havo en vwo staan toetsing en het kunnen gebruiken van die overzichtskennis zelfs centraal. Alleen op scholen waar geschiedenis met aardrijkskunde wordt geïntegreerd in het leergebied mens en maatschappij wordt vooral thematisch gewerkt. “Er zijn natuurlijk wel problemen in het huidige geschiedenisonderwijs, maar die worden vooral veroorzaakt door het beperkte aantal lesuren geschiedenis, de toenemende integratie van mens- en maatschappijvakken, het feit dat 80 procent van de leerlingen na hun 15de jaar geen geschiedenisles meer krijgt en de overheidsingrepen: van tijdvakken en canons tot musea.“Denkt Zeeman nu echt dat als een leerling in het NHM één keer chronologisch ‘de’ geschiedenis van Nederland doorloopt, hij huiswaarts keert met de gewenste samenhangende overzichtskennis? Kennis van chronologie en historische feiten die beklijft, betekenisvol is en gebruikt kan worden, vraagt om meer dan alleen een chronologische presentatie van de leerstof en overhoren van jaartallen. Het vraagt om concretisering, het leren van allerlei abstracte begrippen, het actief leggen van verbanden en voortdurende herhaling en toepassing van het geleerde. Aan die overzichtskennis kun je beter werken met een docent die de leerlingen goed kent en zijn vak beheerst, en die tijd en ruimte krijgt om zich op vakdidactisch gebied verder te bekwamen. “
Analyse. Hebben de hoogleraren hier terecht een punt gemaakt? Strikt argumentatief in elk geval niet. Alleen op scholen waar geschiedenis met aardrijkskunde wordt geïntegreerd, is sprake van thematisch onderwijs, zo stellen zij. Of Zeeman ongelijk heeft, hangt echter niet af van het feit dat er scholen zijn waarin niet thematisch gewerkt wordt, maar van de hoeveelheid scholen waarin niet thematisch gewerkt wordt. Hetzelfde geldt voor hun argument dat schoolboeken een chronologisch overzicht geven. Dat is echter niet van belang. Het gaat om de vraag op hoeveel scholen met boeken werken, waarin een chronologisch overzicht gegeven wordt.“Denkt Zeeman nu echt dat als een leerling in het NHM één keer chronologisch ‘de’ geschiedenis van Nederland doorloopt, hij huiswaarts keert met de gewenste samenhangende overzichtskennis?” Van Boxtel en Greve vragen zich dat af, maar het antwoord stond al in het stuk van Zeeman waarop zij reageren. “Het NHM moet een van de instrumenten worden die kennis van het Nederlandse verleden bevordert.” Eén van de instrumenten… Kortom, de beide hoogleraren vertekenen het standpunt van Zeeman.