Wilders over Wilders (28/1)

“Ik sta hier omdat ik uw hof en de rechtsstaat respecteer.” Met deze woorden richtte Wilders (PVV) zich tot de rechters van het Hof, die zich moesten gaan buigen over de vraag of de PVV-voorman wel of juist niet vervolgd moest gaan worden. Kennelijk was Wilders’ pleidooi niet erg overtuigend, want inmiddels heeft het Hof besloten dat vervolging plaats dient te vinden.
“Vooropstaat dat niemand boven de wet staat. Ik vind echter wel dat een politieke discussie in de politieke arena gevoerd moet worden, in de Tweede Kamer en dus niet in de rechtszaal”, ging Wilders verder. “Er hebben bij de afgelopen verkiezingen een half miljoen mensen op mij en mijn partij gestemd en ik kom op voor de belangen van die burgers. Datgene wat ik doe vloeit rechtstreeks voort uit mijn partijprogramma, op grond waarvan die mensen mij en mijn partij hun stem hebben gegeven. In het politieke debat ben ik helder, stevig, fel en soms hard. Ik stel me daarbij altijd één doel en dat is: blijf binnen de kaders van rechtsstaat en wet. Dat is voor mij essentieel. Daar staat tegenover dat ik nu al vier jaar mijn vrijheid kwijt ben, vanwege lieden die zich niet aan de wet willen houden.”
Wilders vond dat hij ruimte moest krijgen om te zeggen wat hij wilt. “Als volksvertegenwoordiger vind ik echter dat je alles moet kunnen voorstellen. Een voorbeeld is het voorstel dat ik heb gedaan om artikel 1 uit de Grondwet te schrappen. Wanneer zelfs een volksvertegenwoordiger dat niet kan, dan kan niemand het. Natuurlijk hoort daarbij een fel debat, maar wanneer een volksvertegenwoordiger de mogelijkheid ontnomen wordt alles voor te stellen wat hij wil, dan is een parlementaire democratie een wassen neus.”
Hij benadrukte dat hij “niets tegen mensen heb. Ik heb niets tegen groepen mensen en ik heb ook niets tegen moslims. In het verleden heb ik alle Islamitische en Arabische landen bezocht en ben daarbij altijd prachtige en vriendelijke mensen tegen gekomen. Wat ze gemeenschappelijk hadden is dat ze allemaal moesten lijden onder dictatoriale regimes en ik heb in die landen dan ook gevochten tegen de vervolging van journalisten, intellectuelen en vrouwen. Ook in Nederland heb ik moties ingediend met de strekking om homoseksuele moslims te beschermen en het tuig aan te pakken die daags na de moord op Theo van Gogh moskeeën in brand staken. Dit soort dingen komen echter niet in de media.”
Wilders besloot zijn pleidooi met de statement dat hij altijd binnen de kaders van de wet was gebleven.
Analyse. Echt sterk zijn de argumenten van Wilders niet. Het argument “er hebben bij de afgelopen verkiezingen een half miljoen mensen op mij en mijn partij gestemd” is niet relevant voor de vraag of Wilders vervolgd dient te worden. Het gaat dan om de vraag of Wilders uitspraken in principe een strafbaar feit kunnen opleveren. In principe, want de rechtbank zal zich over die inhoudelijke vraag moeten gaan buigen.
Ik stel me daarbij altijd één doel en dat is: blijf binnen de kaders van rechtsstaat en wet.” Die intentie kan dan wel aanwezig zijn, maar dat neemt niet weg dat een gedraging zonder die intentie toch een strafbaar feit oplevert.
Daar staat tegenover dat ik nu al vier jaar mijn vrijheid kwijt ben, vanwege lieden die zich niet aan de wet willen houden.” Dit is een argumentum ad misericordiam. Wilders doet een beroep op de emotie (ik word al jaren bedreigd), maar ook dat argument is niet relevant voor de beantwoording van de vraag of vervolging aan de orde is.
“…dat ik niets tegen mensen heb.” Dit argument levert een contradictie op, want elders schreef Wilders, dat er – als het aan hem lag – “geen islamieten meer in Nederland komen”. Ook schreef hij dat “geen moslimimmigrant er meer bij” mag. Hij spreekt dus wel degelijk over personen.
Kortom, sterk is Wilders weerwoord niet.