Zeeman en het tautologische argument (20/1)

“Het Nederlands Historisch Museum”, stelt Michael Zeeman, “moet een van de instrumenten worden die kennis van het Nederlandse verleden bevordert, en daarmee inzicht daarin en op grond daarvan een vorm van betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor de samenleving en haar cultuur” (VK, 8.1.09). Daar valt volgens hem weinig op af te dingen. Doorn in zijn oog is dat de beide nieuwe directeuren van het museum niets voor een chronologische opstelling voelen. “Daar staan zij niet alleen in: het idee van een canon alleen al is talrijke cultuurfilosofen een gruwel en er zijn nogal wat pedagogen die betogen dat het leren van jaartallen of het leggen van verbanden tussen verschillende historische gebeurtenissen nefast is voor de ontwikkeling van de kinderziel.”
Het NHM dient thematisch te worden ingericht. De thema’s zijn: ‘ik en wij’, ‘land en water’, ‘rijk en arm’, ‘oorlog en vrede’ en ‘lichaam en geest’. “Blijkbaar gaat het de heren directeuren om de tegenstellingen – en waar sprake is van tegenstellingen, duikt vroeger of later (trouwens, ook een thematiek die ontbreekt, ‘vroeger en later’) het esthetisch naargeestige begrip ‘spannend’ op. Wie enigszins thuis is in de filosofie van de geschiedenis, stelt vast dat wij hier als uitgangspunt een vulgarisering van het gedachtengoed van de Duitse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel ontmoeten, de grootvader van het marxisme, de overgrootvader van het socialisme. De dynamiek van de geschiedenis bestaat in diens visie uit een these die op een antithese botst, waarop die beide worden opgeheven naar een synthese.
“Nu ja, moet men gedacht hebben, dat NHM komt bij ministeriële beschikking toch al zowat in Duitsland te staan, dus waarom dan geen Duitse geschiedsfilosofie gekozen? Omdat die in deze vorm tegelijkertijd te kinderachtig en te algemeen is. De bedoeling van het NHM was niet om de wanprestaties van het onderwijs nog eens dunnetjes over te doen, maar om die te corrigeren.”
Tegenstellingen zijn echter in de geschiedenis van alle landen, elk instituut en ieder individueel mensenleven aan te wijzen. “Reduceer je die tot nietszeggendheden, waar de joligheid en de meligheid vanaf walmen, dan geef je aan wat je ambitie is met de opdracht van het NHM: geen enkele.”
Weliswaar heeft iedereen de mond vol van burgerschap, “maar zodra er instrumenten ontwikkeld moeten worden om daar een bijdrage aan te leveren, duiken de praatjesmakers uit dat debat weg.”
Volgens Zeeman hebben ze er gewoon geen zin in.
Analyse. Ik heb zelden zo’n warrig betoog gezien en het valt dan ook niet mee om de argumentatiestructuur te verhelderen.
De eerste premisse is: “er zijn nogal wat pedagogen die betogen dat het leren van jaartallen of het leggen van verbanden tussen verschillende historische gebeurtenissen nefast is voor de ontwikkeling van de kinderziel.”
De tweede premisse is: het NHM gaat uit van tegenstellingen.
De derde premisse is dat de idee van tegenstellingen ontleend is aan de Duitse geschiedsfilosofie. De thema’s bestaan uit tegenstellingen, en tegenstellingen komen we ook in het werk van Hegel tegen. Dus daarom koos men voor Arnhem, want die stad ligt – in de ogen van een Amsterdammer - in Duitsland.
De vierde premisse is dat de idee van tegenstellingen – in deze vorm - te kinderachtig en te algemeen is.
De conclusie is dan dat de tegenstellingen gereduceerd worden tot nietszeggendheden en daarmee geeft men te kennen dat men geen ambitie met het NHM heeft.
Wat een brij van premissen. In de eerste premisse gaat het al fout. Zeeman verzint hier een standpunt: er is nog nooit een pedagoog geweest die zoiets heeft beweerd. De uitwijding in de derde premisse is volstrekt nutteloos in het hele betoog. De vierde premisse bevatten de concepten ‘kinderachtig’ en ‘algemeen’. Omdat in de conclusie het concept ‘nietszeggendheid’ gehanteerd wordt, is er sprake van een tautologisch argument: wie beweert dat de tegenstelling te kinderachtig en algemeen is, zegt met zoveel woorden dat de tegenstelling nietszeggend is. Beargumenteerd is hiermee echter niets.