Dendermonde, een boze Zinzen en de drogredenen van Goens (3/2)

“Het is ongetwijfeld uw goed recht om te vinden dat berichtgeving over een drama zoals in Dendermonde niet in een nieuwsuitzending of krant thuishoort.” Eric Goens, directeur informatie van VTM, reageerde boos op een klacht van Walter Zinzen. Deze gepensioneerd VRT-journalist vond dat de berichtgeving over de kwestie Dendermonde werd gekenmerkt door ‘professioneel geklungel’. “Honderdduizenden andere lezers en kijkers geven u ongelijk, maar dat zal u ongetwijfeld af- en wegwimpelen als een simplistisch argument”, ging Goens verder. “Wellicht heeft u niets dan intellectualistisch misprijzen voor al die mensen die wél willen geïnformeerd worden over feiten die hen raken tot in het diepste van hun hart, die vragen doen rijzen over de maatschappij waarin zij leven, en die antwoorden willen op al die vragen. U wil dat duidelijk niet. U gaat zó ver dat u stelt dat de maatschappelijke relevantie van dergelijke gebeurtenissen 'nul' is, omdat - ik citeer - 'gerecht en politie immers niets te verwijten viel'.”
Wat was de klacht van Zinzen eigenlijk? Hij stoorde zich onder meer aan het ‘brutale voyeurisme’ in de media. “Niet één foto, maar verscheidene. Niet klein, maar groot. Met lang haar, hoewel in de begeleidende teksten te lezen stond dat hij zijn haar nu geknipt heeft. Een kniesoor die daarop let. Vergelijk deze praktijk met de in Nederland gangbare. Daar heet de verdachte nog altijd Kim De G. In de meeste kranten zonder foto. Zijn de lezers, kijkers, luisteraars in Nederland daarom minder goed geïnformeerd dan wij?”
Zinzen verweet de Belgische redacties dat ze de schandpaal van stal gehaald hadden. Die hoort “niet meer thuis in ons justitieel systeem”. Alleen de rechter straffen mag uitspreken, aldus Zinzen. “Denkt niemand aan de gevolgen voor de omgeving van de verdachte? Waarom moeten ook de ouders en andere familieleden van de jonge man gestraft worden?”
Ook het verhaal over de psychische toestand van Kim de G. stoorde Zinzen. Buiten zijn advocaat had niemand de dader gesproken. “Maar we 'weten' nu wel dat hij lijdt aan een depressie. Of nee, toch niet, hij is schizofreen. Een paar citaten uit de vele stukken die daarover gisteren werden gepubliceerd : 'blijkbaar, er zijn aanwijzingen, voor zover we weten'. Genoeg voor gerechtspsychiater Chris Dillen om met grote stelligheid te beweren dat de 'stukjes van de puzzel langzaam in elkaar beginnen te vallen'. Klein detail: ook de heer Dillen heeft de patiënt noch gezien, noch gesproken.”
Het ging Zinzen niet alleen om het speculatieve karakter, maar ook pure verzinsels. “Zo werd dagenlang verkondigd dat de dader geschminkt was. En ook nu weer lieten de deskundigen zich eens goed gaan. Jef Vermassen slaagde erin om op basis van de schmink alleen een profiel te borstelen van deze uitzonderlijke seriemoordenaar. Toch heeft dokter Ignace Demeyer op de dag van de feiten al verklaard dat hij geen schmink gezien had. Op de Nederlandse televisie, kenschetsend genoeg, bij Pauw&Witteman. Demeyer had de dader onderzocht, hij sprak dus met kennis van zaken. Maar nee, in de Belgische media spookte het schminkverhaal nog dagen rond. Ongecontroleerd, niet geverifieerd. Uiteindelijk werd het rechtgezet, in een onopvallend bijzinnetje.”
Hetzelfde gold ook voor de moord op een bejaarde vrouw die de crèchemoordenaar een week eerder zou gepleegd hebben, aldus Zinzen. Volgens de meeste journalisten was dat een vaststaand feit. “Wat lezen we daarentegen in de Nederlandse Volkskrant? 'De jongeman heeft mogelijk eerder een bejaarde vrouw vermoord.' Dat voorbehoud hoefde voor de Belgische journalisten niet. In het huis van de vrouw was immers DNA-materiaal van de dader gevonden. Tot het gerecht formeel ontkende dat zulks het geval was. Er waren alleen aanwijzingen beschikbaar. Aanwijzingen, juist ja. Zo van die dingen die zelfs regeringen doen vallen. Maar geen feiten, laat staan bewijzen.”
Bovendien stoorde Zinzen zich aan het “onwaarschijnlijke en onbegrijpelijke gebrek aan schroom, discretie en elementair fatsoen als het gaat om de behandeling van de nabestaanden van de slachtoffers . Als gieren storten cameraploegen en fotografen zich op de ouders van de vermoorde en gewonde kinderen. Waar zijn onze journalistieke mores gebleven als het gerecht een oproep moet doen om die mensen met al hun verdriet met rust te laten?” Dit “brutale voyeurisme” heeft volgens hem niets te maken met datgene waarvoor de journalistiek is uitgevonden, namelijk het recht op informatie.
Maar volgens Goens zit Zinzen op een verkeerd spoor. De journalistiek is de voorbije jaren eindelijk meegeëvolueerd met de maatschappij waarin wij leven. “Een krant of een nieuwsuitzending wordt niet meer gemaakt vanuit de gezichtsvernauwende interessesfeer van de-journalist-met-het-vingertje, vanuit de heilige overtuiging dat die als een intellectueel opperwezen 'de mensen' moet opvoeden en terechtwijzen. (...) Voor elke zichzelf respecterende journalist, die géén misprijzen voor zijn lezer, luisteraar, of kijker heeft, is het zijn verdomde plicht over dit soort vreselijke gebeurtenissen te berichten, én uitgebreid te berichten. Door feitelijke berichtgeving, door duiding én debat, om zo in de mate van het mogelijke een antwoord te vinden op al die vragen.”
Goens vond de hele discussie niet de moeite waard. Sterker nog, de discussie was zelfs ongepast, want de lezers en luisteraars hadden en hebben wel iets anders aan hun hoofd dan de discussie die Zinzen heeft opgestart.
Analyse. Goens maakt zich schuldig aan een fiks aantal drogredenen. Hij wijst op honderdduizenden lezers en kijkers die Zinzen ongelijk geven. Een argumentum ad populum. Vervolgens verzint Goens het standpunt van Zinzen: het gaat de laatste niet om het feit dat mensen geïnformeerd willen worden, maar om het speculatieve karakter van (een deel van) de berichtgeving en de verzinsels (over het schminken en het DNA-materiaal dat gevonden zou zijn bij de overleden bejaarde vrouw). Zinzen verwacht meer waarheid en minder speculatie. De kop boven Goens' stuk (“wij hebben weinig of geen fouten gemaakt”) correspondeert niet echt met de inhoud van zijn betoog, aangezien hij niet ingaat op het concrete verwijt van Zinzen.
Ook wil Goens de discussie blokkeren: die zou niet alleen onbelangrijk zijn, maar zelfs ongepast. Met dit emotie-argument wil Goens Zinzen de mond snoeren, maar de laatste heeft het recht om een standpunt naar voren te brengen.