Engelen over Verbrugge, Boomkens en andere filosofen (18/2)

Oxford University
Te grof, te snel en te gemakkelijk. Geen onthullende tekstanalyse, nauwelijks lachwekkende kleinoden van bestuurlijke domheid en machtswellust, geen hemelschreiende voorbeelden van bestuurlijke wanprestatie. Gemakkelijke uithalen. Dat is in een notendop de beoordeling van Boomkens’ boek ‘Topkitsch en slow science’ door Ewald Engelen (De Groene Amsterdammer, 6.2.09, p. 12/13).
Het boek ‘If you’re so smart’ dat door de geschiedfilosoof Lorenz is geredigeerd, komt er bij Engelen al evenmin positief af. Met name de bijdrage van Ad Verbrugge moet het ontgelden, want hij hanteert (kennelijk) onduidelijke concepten. “Alsof iemand weet wat we onder ‘geestelijke ruimte’ en ‘onze cultuur’ zouden moeten verstaan”, aldus Engelen. Bovendien heeft de socioloog Bourdieu overtuigend aangetoond dat het bij universiteiten niet zozeer om Bildung gaat (zoals een aantal auteurs meent), als wel om de reproductie van sociale posities via kennissen, tafelmanieren en kunstzinnige praat. “Het is veelzeggend dat Bourdieu in beide boeken niet één keer figureert”. Alleen Icke en Fresco zijn in staat tot de cynische ontmaskering, maar dat zijn dan ook de enige beta’s in het boek.
“Wat beide boeken kenmerkt – en zo teleurstellend maakt – is dat ze primair geschreven zijn door mensen afkomstig uit de geesteswetenschappen”. De geesteswetenschapper, zo weet Engelen, lijkt het van nature aan relativeringsvermogen te ontbreken, weet Engelen. “Wellicht omdat deze professie, bij ontstentenis van een externe legitimatie, per definitie wankel is.”
Het “belangrijkste bezwaar tegen de twee boeken betreft echter hun, wat ik noem discursief fetsjisme”. Twee alinea’s later komt de aap uit de mouw. De Nederlandse academici van voor 1955 behoren zo ongeveer tot de meest verwende werknemers ter wereld. Ze verdienen meer, hebben meer budget, beschikken over meer ondersteuning, geven minder les en hebben meer vrijheid dan hun buitenlandse collega’s.
Maar ook Engelen heeft kritiek op de universitaire bestuurders. Die laten ondanks alle retoriek alles bij het oude. Het advies van Engelen is daarom: “schop de uitvreters eindelijk eens de tempel uit!”
De academische werkelijk ontbreekt in beide boeken en dat roept volgens Engelen de vraag op hoe we ervan op aan kunnen dat de auteurs geen behartigers van eigen belangen zijn, die via de omweg van grote woorden, diepzinnige frasen en imponerende maatschappijkritiek uiteindelijk niets anders dan de bescherming van eigen privileges dienen.
Analyse. De recensie van Engelen bestaat uit een fiks aantal drogredenen. Hij hanteert bijvoorbeeld de persoonlijke aanval: de critici hebben geen relativeringsvermogen, zijn verwend en het is niet te bepalen of de auteurs enkel hun eigen belang willen veilig stellen.
Bovendien maakt Engelen gebruik van vaag taalgebruik. “De geesteswetenschapper lijkt van nature geen relativeringsvermogen te hebben.” Lijkt? Van nature? Dus eigenlijk toch wel. Of niet? Ook de zinsnede met “wellicht omdat….” zegt buitengewoon weinig. Misschien wel, maar misschien ook niet. Engelen zegt niets.
Het is een vreemde gewoonte van een aantal critici om boeken te beoordelen op punten die er niet in staan. In dit geval bijvoorbeeld het ontbreken van een verwijzing naar de Franse socioloog Bourdieu. Die kritiek is irrelevant. De waarde of geldigheid van een betoog hangt niet af van het feit of wel of juist niet wordt verwezen naar een bepaalde denker. Stel je voor wat er gebeurt als dat wel legitiem was. Dan zou een marxist het boek kunnen bekritiseren op grond van het ontbreken van een verwijzing naar Marx; een freudiaan zou Freud kunnen missen; een conservatief zou Burke kunnen missen. En zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan.
Dat een betoog helder moet zijn en dat overbodige diepzinnige frasen vermeden moeten worden, is een terechte eis. Maar of Verbrugges ‘onze cultuur’ nu echt zo onduidelijk is, waag ik te betwijfelen. Vreemd is echter Engelens gebruik van een term als ‘discursief fetsjisme’. Wat hij daar mee bedoelt, moet de lezer zelf invullen. Feit is dat Engelen meet met twee maten door de – terechte – criteria niet op zijn eigen werk toe te passen.
Inhoudelijk komen we overigens bijna niets te weten over deze twee boeken.