Zwagerman 4 (16/2)

Joost Zwagerman (tekening)

Eerst mocht Anet Bleich in de Volkskrant uitleggen dat Joost Zwagerman er niet veel van begrepen had en een week later mocht Willem Schinkel dat in het NRC nog eens dik overdoen (13.2.09). Zwagerman beweerde dat het publieke debat in Nederland in de ban is van een 'witte culturele elite' die met twee maten meet: kritiek op het christendom mag wel, maar kritiek op moslims is not done. En daar gaat het dus al meteen fout, want Zwagermans stelling berust voornamelijk op de nooit onderzochte aanname dat er zo'n ‘elite’ bestaat. Om die kritiek kracht bij te zetten, ging Schinkel minutieus aan de slag. Gewapend met een heus potlood en papier turfde hij in Zwagermans pamflet de elite: Hugo Brandt Corstius (35 keer genoemd); Jan Blokker (30 keer); Frits Abrahams (13 keer); Bas Heijne (12 keer); Geert Mak (11 keer); Jacques van Doorn (6 keer); Huub Oosterhuis (4 keer); Harry de Winter (2 keer) en Marcel van Dam (1 keer).
Dat turven leidt tot heftige wetenschappelijke conclusies: “Al met al wordt duidelijk dat Zwagermans ‘culturele elite’ alleen in de krant leeft en op Bas Heijne en Harry de Winter na de 60 gepasseerd is. Het is moeilijk je aan de indruk te onttrekken dat een publicist hier zijn belangrijkste concurrent (Heijne) en de generatie boven hem van de troon probeert te stoten om zelf voorganger van een nieuwe, multiculturealistische elite te worden. Wat tragisch is, is dat veel van de genoemden toch alleen vanuit een microkosmos gezien kunnen worden als ‘de culturele elite’ in Nederland. Er zitten zeker invloedrijke columnisten bij, maar evenveel die al lang door Zwagermans leeftijdgenoten, met wie hij niet in discussie gaat (Marjolijn Februari, Sylvain Ephimenco, Mohammed Benzakour), ingehaald zijn. Misschien is het te veel eer je generatiegenoten te omschrijven als 'elite'.”
Zwagerman wijst meer met de vinger dan dat hij analyseert. “Iemand moet hem eens vertellen er gewoon niet meer over te schrijven. Of er anders een keer echt werk in te steken.”
Analyse. Een curieuze recensie. Schinkels turfwerk leidt uiteindelijk tot de conclusie dat “het moeilijk is je aan de indruk te onttrekken dat een publicist hier zijn belangrijkste concurrent (Heijne) en de generatie boven hem van de troon probeert te stoten om zelf voorganger van een nieuwe, multiculturealistische elite te worden.”
Ten eerste leidt tot turfwerk op geen enkele wijze tot die conclusie. Ten tweede is ‘…aan de indruk te onttrekken…’ vaag taalgebruik. Is er nu wel of geen sprake van een coup? Of is het slechts een indruk? Zonder waarheidswaarde? Ten derde is er sprake van een persoonlijke aanval. Het gaat bij Zwagerman om het streven naar macht, waarbij vooral Bas Heine een hinderlijk obstakel is.