Decoster en de onjuiste vergelijking (17/3)

Waarom krijgen we zo veel verschillende economische adviezen, vraagt André Decoster zich af. Hij is hoogleraar Publieke Financiën aan KU Leuven, Volgens hem zijn daar drie redenen voor (DS, 16.3.09).

De eerste reden is dat economie een sociale wetenschap is, die het gedrag van mensen bestudeert en probeert te verklaren. Daarvoor hanteert men modellen, die noodgedwongen een vereenvoudiging van de werkelijkheid impliceren. “Zo hoort het ook: als we niets vereenvoudigen dupliceren we gewoon de wereld en zijn we geen stap verder. Een stafkaart is een model van de wereld. Een kaart van Europa is dat ook. Maar het zijn wel twee heel verschillende modellen, net omdat ze gebruikt worden voor verschillende doeleinden (een wandeling of een autorit). De vereenvoudigingen van de werkelijkheid op de kaart van Europa zijn hinderlijk als je een stafkaart nodig hebt, en omgekeerd. Net zo maken ook economische modellen verschillende veronderstellingen, bijvoorbeeld omdat ze verschillende vragen willen beantwoorden.” Dan is het niet onlogisch dat ze tot verschillende conclusies komen.
Analyse. Heeft Decoster een punt? De vergelijking met de kaarten van Europa gaat niet op. Je hebt de keuze tussen verschillende kaarten, afhankelijk van het doel. En al die kaarten hebben hun waarde in de praktijk inmiddels al bewezen om al die verschillende doelen te bereiken.
En dat is precies het verschil met de economische wetenschap, waar het de kredietcrisis betreft: met de economische wetenschap kun je alle kanten op. Er zijn bij wijze van spreken tientallen kaarten om dat éne doel, het oplossen van de kredietcrisis, te bereiken, waarbij het maar afwachten is of dat doel te bereikt wordt. De praktische waarde van deze wetenschap is op dit moment ver te zoeken, terwijl de praktische waarde van de kaarten van Europa evident is.

De tweede reden is dat theoretische modellen zijn uitstekende en broodnodige keurslijven om geen logische denkfouten te maken. Maar om waardevol te zijn bij toepassing in – bijvoorbeeld - het beleid, moeten ze ook empirisch ingevuld worden. “Het inschatten van die effecten gebeurt met data (gegevens) die bewerkt moeten worden, veranderen, upgedate worden. En dus worden onze inzichten voortdurend bijgesteld, verfijnd, en ja, zelfs opnieuw in vraag gesteld. Het blijft vreemd dat dit voor wetenschappers zelf evident is, maar dat we dit maar niet verkocht krijgen aan het grote publiek. Misschien moeten we dus ook daar een grotere inspanning leveren om de verwachtingen bij te stellen: verwacht toch asjeblief geen ‘waarheid’.”
Analyse. Tegelijkertijd staat het stuk van Decoster vol met empirische beweringen, waarbij ‘dé waarheid’ wel degelijk het uitgangspunt is. Hier zit toch een contradictie in het betoog van Decoster.

De derde reden voor meningsverschillen is volgens Decoster de meest essentiële. “Temeer omdat het eigenlijk geen echt meningsverschil meer is. Deze verschillen zijn onvermijdelijk én onproblematisch omdat het ‘waarden’ betreft. Als sociale wetenschap leent economie zich makkelijk tot beschrijven, evalueren of adviseren van ‘beleid’. Juist daarom moeten we blijven waarschuwen voor de (gevaarlijke) illusie dat een sociale ‘wetenschap’ in de plaats zou kunnen treden van ‘politiek’. Eén van de pijlers van het economische paradigma is het onderscheid dat gemaakt wordt tussen doeleinden en middelen. Economie analyseert met welke middelen (hoe ‘efficiënt’) bepaalde doelstellingen kunnen bereikt worden. Maar eens de kosten van doelstellingen bekend zijn heeft dezelfde econoom heeft zich niet te moeien met de afweging van de doeleinden zelf. Hij zal dat als econoom ook niet doen, wel als burger. De uiteindelijke afweging én keuze over doeleinden blijft altijd essentieel normatief.”
Analyse. Mee eens. Zie mijn stuk van gisteren.