Etty versus Rutte 2 (8/3)

Rutte meent dat de vrijheid van meningsuiting in ons land te veel aan banden wordt gelegd. Hij wil dan ook dat art. 137c Wetboek van Strafrecht, het verbod van haat zaaien en discriminatie, en de daarop volgende artikelen, op de schop moeten.
Etty zag een vreemde gedachtenkronkel bij Rutte. Hij “verwijst hiervoor maar weer eens naar de Verenigde Staten, alsof daar geen beperkingen zouden gelden. Dat klopt niet: in de VS geldt het criterium dat uitingen zijn verboden als deze een ‘clear and present danger’ vormen. Of van een dergelijk gevaar sprake is, staat óók in de VS ter beoordeling aan de rechterlijke macht.
De ironie wil dat in de zaak-Wilders het gerechtshof in Amsterdam nu juist het Amerikaanse gevaarscriterium hanteert. Volgens het hof zijn de klagers in deze zaak ontvankelijk, omdat individuele burgers er een concreet belang bij hebben „dat een gevaarlijke verstoring van het maatschappelijk leven en het publieke debat dient te worden afgewend”.”
Analyse. Etty verwijst ten onrechte naar een Amerikaans criterium om de vrijheid van meningsuiting te beperken, namelijk dat uitingen zijn verboden als deze een ‘clear and present danger’ vormen. Dit criterium, dat we voor het eerst nadrukkelijk tegenkomen in Schenck v. United States (250 US 616, 1919) werd echter in Brandenburg v. Ohio (395 US 444, 1969) vervangen door een criterium dat een ruimere bescherming biedt. Alleen wanneer sprake is van ‘incitement to imminent lawless action’ kan de overheid ingrijpen. Het Brandenburg-criterium is strenger dan het ‘clear and present danger’-criterium
Hoe streng dat criterium is, bewijst CP of Indiana v. Whitcomb (414 US 449, 1974): het grondrecht beschermt uitdrukkelijk zelfs de verkondiging van de leer dat de overheid omvergeworpen moet worden.
Waar schuilt de door Etty gesignaleerde ironie in? Ruttes verwijzing naar de rechtspraak in de VS is niet vreemd. Als Rutte zou zeggen dat er in de VS principieel geen enkele beperking geldt, dan is dat inderdaad onjuist. Rutte zei echter iets anders: “In Amerika weegt de vrijheid van meningsuiting zwaarder dan de inhoudelijke waardering voor de uitgesproken boodschap.” (Elsevier, 25.1.09) Als er geen beperking zou zijn, valt er ook niets af te wegen.