Hall en een mix van drogredenen (23/3)

Het lijkt wel of in de afgelopen jaren de farmaceutische industrie constant in het nieuws is, en meestal met een negatief verhaal, meent dr. Athony Hall (NRC, 10.3.09). Hij is arts en werkt namens Contract Research Organization (CRO) voor de farmaceutische industrie. Dat is een commercieel farmaceutisch onderzoeksbureau.
Hall stoort zich aan de kritiek op de farmaceutische industrie. “Er zijn maar weinig mensen buiten de farmaceutische en biotechnologische industrie die enig idee hebben van wat de ontwikkeling van medicijnen werkelijk inhoudt en deze onwetendheid is er de oorzaak van dat een zelden gemaakte fout in de farmaceutische industrie al snel een gemakkelijk doelwit is voor sensationele journalistieke paniekzaaierij. Ik vind deze vorm van kritiek hoogst beledigend voor de duizenden mensen die werken in de klinische afdelingen van farmaceutische bedrijven, die ijverig en oprecht te werk gaan en die geen direct belang hebben in de commerciële aspecten van hun bedrijven.” De journalistieke paniekzaaierij komt voort uit onwetendheid.
Zo stoort hij zich aan een artikel in de wetenschapsbijlage van de NRC met de titel ‘Even slikken’. “Een professor in de wetenschapsfilosofie en -geschiedenis ventileerde haar slecht geïnformeerde gezichtspunten over een zaak die volgens mij al vijf jaar geleden grotendeels geregeld is: de zaak over het klinisch onderzoek van GSK met paroxetine in adolescenten. Sinds 2004 heeft GSK, mede als gevolg van de paroxetine zaak, de resultaten van al haar klinisch onderzoek publiekelijk toegankelijk gemaakt. Daarnaast staan de bijwerkingen van paroxetine (evenals de mogelijke effecten op suïcidaal gedrag in adolescenten) duidelijk vermeld in de bijsluiter, die ook te vinden is op internet. Een paar dagen na de verschijning van het artikel was er een debat op de tv in het programma ‘Rondom tien’ dat overigens niets bijdroeg aan de argumenten van de critici, noch aan het imago van de industrie.”
Hall erkent dat alle medicijnen bijwerkingen hebben. “Dat is de prijs die wij betalen voor de hedendaagse medische behandelingen die onze gezondheid verbeteren en die onze voorouders moesten ontberen. Het probleem is dat journalisten en andere critici dit niet willen zien. Daarnaast wordt er door de critici een ander belangrijk aspect over het hoofd gezien. Menselijke wezens zijn niet allemaal hetzelfde en een gegeven medicijn kan verschillende uitwerkingen hebben op verschillende mensen.”
Soms is het erg moeilijk vast te stellen of een specifiek symptoom (bijvoorbeeld zelfmoordgedachten bij depressieve jongeren) het gevolg is van het medicijn (als bijwerking) of hoort bij de onderliggende ziekte. Hall vindt het erg unfair van de pers om de farmaceutische industrie te bekritiseren voor het niet snel genoeg opmerken van deze neveneffecten. “Over het algemeen neemt de farmaceutische industrie zijn verantwoordelijkheden zeer serieus en handelt adequaat wanneer een onvoorziene bijwerking gesignaleerd wordt.”
Een ander kritiekpunt dat in de richting van de farmaceutische industrie wordt gelanceerd, soms zelfs door gerenommeerde medische tijdschriften, is dat klinisch onderzoek van minder waarde is als het wordt gesponsord door het bedrijfsleven. “Ik vraag me steeds weer af of de auteur van zo’n bewering wel werkelijk weet wat hij zegt, of dat hij misschien gewoon anderen napraat. Waarschijnlijk bedoelt zo iemand dat het betreffende klinisch onderzoek zo is opgezet met een vraagstelling waarbij het nieuwe geneesmiddel er per definitie goed uitkomt en dus niet zo betrouwbaar is. Maar je kunt dit aspect ook vanuit een andere ooghoek bekijken: het bedrijf dat het geneesmiddel ontwikkelt heeft de hoop dat dit nieuwe voordelen biedt voor de patiënt. Anders is het niet alleen zinloos om het geneesmiddel te ontwikkelen, maar ook onethisch. Daarom moet het onderzoek zo opgezet zijn dat als er daadwerkelijk een voordeel is, dit ook inderdaad te voorschijn komt in het klinisch onderzoek.”
Het onderzoek, zo stelt Hall, wordt speciaal ontworpen om die specifieke vraag te beantwoorden. Hij heeft inmiddels veel protocollen voor klinisch onderzoek voorbij zien komen die waren ontworpen door onafhankelijke onderzoekers, maar in afgelopen 15 jaar heeft Hall maar heel weinig goede protocollen gezien. “Heel vaak is de opzet van het onderzoek niet of onvoldoende gericht op de vraag die moet worden beantwoord, en in vele gevallen is het zelfs onuitvoerbaar. Het ontwerpen van een goed klinisch onderzoek is een complex en moeilijk proces dat veel ervaring vereist.”
Analyse. Hall bezondigt zich aan een fiks aantal drogredenen.
De persoonlijke aanval (1). Prof. Dehue is onderwerp van Halls kritiek (maar kennelijk gaat zij in Halls wereld door als de vrouw wier naam niet mag worden genoemd). Zij is slecht geïnformeerd “over een zaak die volgens mij (Hall, RR) al vijf jaar geleden grotendeels geregeld is”. Een merkwaardige passage. Waarover Dehue niet goed is geïnformeerd, vermeldt hij niet. Alleen weet hij te melden dat de zaak is geregeld, althans ‘volgens hem’.
De persoonlijke aanval (2). Journalisten willen eenvoudigweg niet zien dat medicijnen bijwerkingen hebben. Wie die journalisten zijn, vermeldt hij niet. Evenmin gaat hij in op specifieke beweringen. Het enige dat we te weten komen, is dat het journaille bevooroordeeld is.
Vaag taalgebruik. “Over het algemeen neemt de farmaceutische industrie zijn verantwoordelijkheden zeer serieus.” Over het algemeen… Kennelijk is er dus wel degelijk voer voor kritische journalisten.
De persoonlijke aanval (3). Als iemand (Dehue?) beweert dat klinisch onderzoek van minder waarde is als het gesponsord wordt, vraagt Hall zich af of de auteur van zo’n bewering wel werkelijk weet wat hij zegt, of dat hij misschien gewoon anderen napraat. (Zie verder het volgende punt.)
Het vertekenen van een standpunt. “Waarschijnlijk bedoelt zo iemand dat het betreffende klinisch onderzoek zo is opgezet met een vraagstelling waarbij het nieuwe geneesmiddel er per definitie goed uitkomt en dus niet zo betrouwbaar is.” ‘Minder waarde’ is echter wat anders dan ‘per definitie’. Het punt is dat je niet weet of het onderzoek betrouwbaar is. Het is niet per definitie onbetrouwbaar, maar je weet niet of het onbetrouwbaar is. Hall verdraait het standpunt en geeft vervolgens (goedkoop) commentaar.
Ignoratio elenchi. Vervolgens betoogt Hall iets heel anders. Namelijk dat het niet logisch en niet ethisch is om een ondeugdelijk geneesmiddel op de markt te brengen. Dat is echter niet een punt dat ter discussie staat. Het gaat om het gegeven dat het de facto gebeurt.
Onjuiste vergelijking. Aan deze discussie zit een ‘sein’- en een ‘sollen’-kant. De critici beschrijven een deel van de feitelijke kant (‘sein’); Hall stelt dat dat beeld niet klopt omdat het niet in overeenstemming is met de ideale kant (‘sollen’). Maar of een bepaalde handelswijze onlogisch en onethisch is, doet er niet toe. Het gaat er – wat de critici betreft – enkel om het gegeven dat het voorkomt.
Pathetische drogreden. De kritiek op een zelden gemaakte fout in de farmaceutische industrie acht Hall hoogst beledigend voor de duizenden mensen die werken in de klinische afdelingen van farmaceutische bedrijven, die ijverig en oprecht te werk gaan en die geen direct belang hebben in de commerciële aspecten van hun bedrijven. Het idee is duidelijk: noeste en hardwerkende idealisten worden beledigd door domme, onwetende en sensatiebeluste journalisten, die maar niet inzien dat een foutje kan voorkomen.
Wat had Hall – strikt argumentatief gezien - eigenlijk moeten doen? Hij had concreet moeten aangeven waar en hoe het journaille en DeHue in de fout gingen. In plaats daarvan komt met een aantal apriori-argumenten waarom de farmaceutische industrie niet onethisch kan handelen. Geen sterk betoog.

Naschrift: vandaag in De Standaard (23.3.09) een zelfde ontluisterend verhaal van de Frans de Smet over de ontmaskering van Scott.