Rozendaal als Glaxo-knuffel (3/3)

Een dikke onvoldoende voor Trouw: namelijk een 3,1. En Elsevier was het slimste jongetje in de klas met een 8,6. In het programma ‘De leugen regeert’ (27.2.09) mochten Luc Debruyne (directeur van GlaxoSmithKline), Simon Rozendaal (uit de Elsevierstal) en Joop Bouma (Trouw) tekst en uitleg geven over dezew rapportcijfers.... van de farma-industrie. Rozendaal deed de aftrap: hij haalde zijn schouders op over het compliment. “Het gaat om de waarheid!”
Linksigheid is de oorzaak van de slechte berichtgeving over de farmacie, meende Debruyne. Rozendaal was een positieve uitzondering. Maar, zo verklaarde de GSK-topman, “dié heeft heel veel tijd geïnvesteerd”.
Debruyne kreeg bijval van Rozendaal. “Een hoop journalisten, en Joop (Bouma, RR.) heeft daar soms ook een handje van, die gaan op pad met het plan om een buitengewoon negatief verhaal te schrijven. Dat staat van te voren vast. En op het laatst wordt nog even iemand van het bedrijf gebeld. En die komt dan met een of twee zinnetjes erin.”
Joop Bouma reageerde kalm: “Ik vraag me af hoe jij weet dat ik daar een handje van heb?”
Rozendaal: “Ik vermoed dat.”
Vervolgens kwam de vraag aan de orde of een journalist niet alle schijn van partijdigheid moet vermijden. De gezichten keken in de richting van Rozendaal, die ooit de Glaxo-award in ontvangst nam. Die prijs werd destijds gesponsord door een farmaceutisch bedrijf. “Inmiddels bestaat die niet meer”, verdedigde Rozendaal zich. “Het is een algemene journalistieke prijs uitgereikt door een bedrijf, zoals een hoop prijzen door een bedrijf wordt betaald.” Bovendien meldde Rozendaal dat hij trots op die prijs was.
En toen was Rozendaal (“Hou toch op!”) boos.
Debruyne was overigens tevreden over de schrijvende pers. De afgelopen drie weken had hij elke week een interview. “Maar dan ging het om de toekomst van de farmaceutische industrie en de impact van de kredietcrisis.” Alleen die vervelende Bouma. Die was volgens hem te weinig geïnteresseerd in de farmaceutische industrie. Hij stelde de verkeerde vragen, vond Debruyne.
Analyse. Rozendaal maakte zich schuldig aan een directe persoonlijke aanval met zijn bewering dat Bouma bevooroordeeld is. Die bewering presenteerde hij eerst als feit, maar moest later bekennen dat hij alleen maar een vermoeden had. Hij nam zich zelfs niet de moeite om aan te geven waar dat vermoeden dan opgebaseerd was. Kortom, het was niet meer dan een flauwe persoonlijke aanval.
Rozendaal was ook niet wars van een contradictie. Eerst beweerde hij dat hij geen enkele boodschap aan complimenten van de farmaceutische industrie had, maar even later bekende hij trots te zijn op de prijs die hij van Glaxo gekregen had. Dat die prijs niet meer bestaat – Rozendaals eerste verweer – is volstrekt irrelevant. Dat zoveel prijzen door een bedrijf worden uitgereikt, is in dit verband ook irrelevant. Het ging en gaat er om dat een journalist alle schijn van belangenverstrengeling moet vermijden.
Het boze ‘hou-toch-op’ van Rozendaal is een emotie-argument. Het verving in de discussie het inhoudelijke antwoord op een terecht gestelde vraag: moet een journalist niet elke schijn van belangenverstrengeling vermijden?
Ook Debruyne lanceerde een persoonlijke aanval: Bouma is niet geïnteresseerd. Het argument dat Bouma zijn werk niet goed doet, omdat hij andere vragen moet stellen, was – wat mij betreft – het absolute dieptepunt in deze discussie. Bouma heeft het recht de vragen te stellen die hij als onderzoeksjournalist wil - en m.i. ook moet - stellen.
Verder werd de kritische pers afgedaan als ‘linksigheid’. Daarmee kon in de ogen van Debruyne alle kritiek als irrelevant worden afgedaan.
En Bouma? Die deed gewoon wat hij moest doen: inhoudelijk antwoord geven.