Weber en de mannetjes (11/3)

Ceylan Weber mocht als een ware Freudiaanse Nietzschiaan (bestaan die eigenlijk?) tegenstanders van hoofddoekjes plat analyseren (VK, 9.3.09). Het zijn “mannen van middelbare leeftijd, veelal uit conservatieve hoek, die zich opwerpen als de beschermers van moslimvrouwen om van hen eerbare vrije vrouwen te maken.”
Met een “...Ga ik nu te ver als ik me afvraag of deze galante ridderlijkheid mede wordt ingegeven door het verlies van traditionele mannelijke posities en de daarbij behorende privileges tijdens de tweede feministische golf?...” freudianiseerde zij er vrolijk op los.
Analyse. Klinkt heel bescheiden, zo’n vraag aan de lezer. Maar zelf had zij het antwoord al lang gegeven: “Tegelijk vermoed ik dat de hevige oproep om te ontsluieren veel te maken heeft met vergelijkbare fantasieën en behoeften van veel autochtone mannen. Onder meer Stine Jensen en Sunny Bergman hebben gewezen op de dwingende wijze waarop vrouwen een ideaalbeeld van hun uiterlijk krijgen voorgeschoteld.” Niks vraag dus.
Het is een grote ad-hominem-argumentatie: oudere mannen, die meer bloot van vrouwen willen zien, eisen dat vrouwen hun hoofddoek afzetten en op deze wijze kunnen ze hun aangetaste mannelijkheid weer een beetje laten gelden. Met dit soort persoonlijke aanvallen hoeft Weber geen enkel argument inhoudelijk meer te bespreken. Het gaat immers om de frustaties van een paar oudjes en die hoef je niet serieus te nemen.
Handig ook om vooral zo vaag te blijven. “Ik vermoed…..”, “…heeft veel te maken…” en “…mede ingegeven...” bieden uitstekende papieren om elke kritiek te pareren met ‘dat zei ik niet…’. Daarmee houdt zij allerlei zaken open, maar tegelijkertijd is het een lege huls. Want, zoals ik al zei, argumenten komen niet aan bod.