De Krom en de ontspoorde argumentatie (21/4)

De Krom is van mening dat legerimam Eddaoui niet mag worden benoemd (Trouw, 17.4.09). Zijn betoog heeft de onderstaande argumentatiestructuur. In het cursief gedeelte staan mijn opmerkingen.

1. Eddaoui heeft een aantal uitspraken gedaan.

(1a). Naar aanleiding van de reacties uit de Arabische wereld over de Deense cartoons is hij “voor het eerst trots was op de Arabische wereld”.
(1b). “Eindelijk een statement, eindelijk tonen ze zich als verdedigers van de religieuze (!) beschaving”.
(1c). “Als moslim begrijp ik niet dat het Westen niet inziet dat de radicalisering onder de islamitische wereld nog nooit zo is toegenomen als de afgelopen jaren.”
(1d). “Mijn opvatting dat christenen nog altijd met de islam in oorlog zijn, wordt nagenoeg met de dag bevestigd. Ik geloof dan ook steeds minder in hechte broederschap tussen christenen en moslims. We kunnen elkaar hooguit tolereren”.
(1e). De premier en zijn mensen jagen als “dolle kruisvaarders op moslims”.
(1f). De missie is Afghanistan is “niet meer is dan een ordinaire poging om de mensen in eigen land te terroriseren en de eigen normen en waarden op te leggen”.


2. Deze uitspraken staan ter discussie.

2a. De uitspraken (1a). en (1b). zijn verwerpelijk, omdat
(2a1). met uitspraken (1a). en (1b). wordt (in naam van Arabische religieuze dictaturen waar de vrijheid van meningsuiting eenvoudig niet bestaat) het recht op het vrije woord in het westen totaal vertrapt;
(2a2). met uitspraken (1a). en (1b). worden de felle reacties uit de Arabische wereld verheerlijkt
(2a2a). De uitspraken (1a). en (1b). zijn nog meer verwerpelijk omdat de uitspraken worden gedaan op een moment dat Nederlandse militairen in Afghanistan al operationeel waren en dus extra gevaar liepen.

2b. De uitspraken (1c). en (1d). zijn onjuist
(2b1). Uitspraak (1c). is onjuist want het lijkt “alsof het christenen of 'ongelovigen' zijn die de Twin Towers in vlogen, de bommen in Madrid en London plaatsten en terroristische trainingskampen hadden in Afghanistan.”
Het probleem met uitspraken als ‘het lijkt…’ is dat daarmee niet helder is wat de auteur bedoelt. Lijkt het alleen maar zo of is het ook zo? Als het alleen maar ‘lijkt’ heeft de premisse in deze argumentatie geen zin. Uit premisse (2b2) blijkt dat we ‘lijkt’ moeten opvatten als ‘is’.
(2b2). Uitspraak (1d). is onjuist vanwege het feit dat in Eddaoui’s wereldbeeld alles omgekeerd is.”
(2b2a). Het omgekeerde wereldbeeld blijkt:
(2b2a1) uit Eddaoui’s uitspraak ‘als moslim begrijp ik niet dat het Westen niet inziet dat de radicalisering onder de islamitische wereld nog nooit zo is toegenomen als de afgelopen jaren’.
(2b2a1a) omdat de uitspraak ‘als moslim begrijp ik niet…..’ impliceert dat de radicalisering van sommige moslims de schuld van het Westen zélf is.
Het is onjuist dat premisse (2b2a1) impliceert dat de radicalisering van sommige moslims de schuld van het Westen is. Een feitelijke constatering (toegenomen radicalisering) is iets anders een normatieve bewering (het is de schuld van…).


3. Eddaoui mag deze verwerpelijke uitspraken doen.

3a. “Van mij mag hij dat allemaal vinden.”
3b. “Hoe verwerpelijk ook.”
3c. Want: “dát is vrijheid van meningsuiting.”
Dat Eddaoui wel mag worden afgerekend op zijn uitspraken, wordt door De Krom in premisse 5a-b uiteengezet.


4. Wie uitspraken doet als Eddaoui, kan niet functioneren als geestelijk verzorger in het leger

4a. De uitspraken van Eddaoui moeten worden gezien in het licht van de relatie werkgever – werknemer.
4b. Eddaoui heeft in de meest geprofileerde termen de confrontatie met Defensie heeft gezocht.
4c. Het gaat om de geloofwaardigheid van iemand die binnen Defensie op een invloedrijke positie als vertrouwenspersoon wordt benoemd.
Het probleem met de relatie tussen de premissen (4a) en (4b) enerzijds en de premisse (4c) anderzijds is, dat is dat Eddaoui de confrontatie zocht met Defensie, maar optreedt als vertrouwenspersoon van individuele soldaten. Als een geestelijke verzorger optreedt als werknemer, dus belangenbehartiger van de organisatie, functioneert hij niet als geestelijk verzorger, maar als personeelsfunctionaris.
4d. Iemand die uitspraken doet als Eddaoui, kan niet functioneren in binnen defensie.
4d1. Iemand die zúlke oorlogszuchtige taal uitslaat, kan geen vertrouwenspositie binnen Defensie gaan bekleden.
4d1a. Wat heeft hij daar eigenlijk te zoeken?
4d1b. Wie zegt ons dat hij deze opvattingen niet ook 'in vertrouwen' deelt met de mensen die straks zijn spirituele begeleiding en advies zoeken?
4e. Dat Eddaoui inmiddels afstand heeft genomen van de uitspraken (verwoord in (1).) is totaal ongeloofwaardig.
4e1. Niemand kan in een sollicitatiegesprek zijn wereldbeeld totaal herzien.
Er zal dan wel ergens een indicatie moeten zijn, waaruit de onbetrouwbaarheid van Eddaoui blijkt. Premisse (4e1) is retoriek. De Krom is niet betrokken geweest bij de procedure. Zijn kamervragen baseerde hij op een bericht in Elsevier.


5. Eddaoui kan niet verdedigd worden met een beroep op de vrijheid van meningsuiting.

5a. Het inroepen van de vrijheid van meningsuiting ter verdediging van iemand die na de Deense cartoons ‘voor het eerst trots was op de Arabische wereld’ is grotesk.*
5b. Hier wordt in naam van Arabische religieuze dictaturen waar de vrijheid van meningsuiting eenvoudig niet bestaat, het recht op het vrije woord in het westen totaal vertrapt.
(*Grotesk betekent volgens de Van Dale door vreemde combinaties een wonderlijke, soms belachelijke indruk makend.)
Dit standpunt is in tegenspraak met premissen 3a-3c. Iedereen, zo poneerde De Krom, mag alle, zelfs verwerpelijke, uitspraken doen. Dus ook degene die ‘het recht op het vrije woord in het westen totaal vertrapt’. (Overigens wijkt dit standpunt af van onze wetgeving, maar dit terzijde).


Ergo: Eddaoui mag niet als legerimam benoemd worden.

De conclusie is dat de argumentatie van De Krom incorrect is.