Fennema en de onjuiste vergelijking (24/4)

Het gaat in de zaak-Eddaoui niet om vrijheid van meningsuiting, maar of Eddaoudi geschikt is voor Afghanistan, aldus Meindert Fennema, hoogleraar politieke theorie van etnische verhoudingen aan de UvA (VK, 16.4.09). Hij is het eens met VVD-Kamerlid De Krom, die een dag later min of meer dezelfde mening ventileerde in het dagblad Trouw.
“Persoonlijk denk ik dat je geen mensen in het leger moet hebben die het met het Nederlandse defensiebeleid ten diepste oneens zijn”, stelt Fennema. Hij wijst op de parallel met de zaak-Wijnbergen. “Net zoals je geen secretaris-generaal moet willen die het beleid van zijn minister in het openbaar afvalt. Toen een SG van Economische Zaken – Sweder van Wijnbergen – dat in 1998 wél deed, werd hij door minister Jorritsma (VVD) op staande voet ontslagen. En niemand die toen dacht dat de vrijheid van meningsuiting gevaar liep. Het steuncomité zegt nu misschien dat deze vergelijking niet opgaat omdat Sweder van Wijnbergen al in dienst was toen hij zijn kritiek spuide, terwijl Eddaoudi dat deed vóórdat hij ’s lands wapenrok aantrok.”
“Maar stel nu dat de Sweder van Wijnbergen kort na zijn aantreden ontslagen was omdat hij een jaar eerder in een column op internet Wim Kok ‘een lakei van het Amerikaanse imperialisme’ genoemd had; omdat hij in diezelfde column geschreven had ‘dat het kapitalisme de oorlog voortbrengt zoals de wolken de regen’; omdat hij in een andere column het opgenomen had voor de leiders van de Chinese Volksrepubliek die in 1989 een gevaarlijke provocatie van CIA-agenten en reactionaire elementen op het Tiananmen-plein zo moedig de kop in gedrukt hadden.”
Analyse. Gaat de vergelijking met het ontslag van Van Wijnbergen wel op? Waar Fennema aan voorbij gaat, is het feit dat Eddaoudi afstand heeft genomen van zijn columns. Van Wijnbergen niet, want hij deed zijn uitspraken toen hij SG van Economische Zaken was. Fennema zal dus moeten beargumenteren dat dit geen verschil maakt.
Bovendien gaat Fennema voorbij aan de status van een column. De rechtbank Amsterdam (LJN: BD2957, 02-06-2008) merkte daarover op dat alleen al het feit dat een iemand zijn mening ventileert in de vorm van een column de auteur in een uitzonderingspositie plaatst. “In columns, meer nog dan in andere soorten teksten, mag van een zekere mate van overdrijving, scherpte en ridiculisering sprake zijn”, aldus de rechtbank. De vraag is waarom de columns van Eddaoui wel letterlijk moeten worden gelezen.
Ook het argument dat niemand verontwaardigd zou reageren op een ontslag van Wijnbergen, is geen valide argument. Het is een populariteitsargument. (Nagenoeg) niemand reageert, dus er is niets aan de hand (52 billion flies can’t be wrong; eat more shit). Neem het voorbeeld van imam Budak. Op de website van de Nederlandse Islamitische Omroep vroeg een Turks meisje dat verkracht was door haar neef aan een imam een islamitisch advies. Als zij thuis zou vertellen wat er gebeurd was, zou ze worden verstoten. Hij adviseerde haar in zijn rubriek naar de rechter te gaan, met zijn familie of met iemand te praten voor wie die neef bang was. Of ze kon hem vergeven.
Dat leverde hem een ontslag op aan de Hogeschool INHolland, waaraan hij als docent verbonden was. Bestuursvoorzitter Dales legitimeerde dit ontslag eenvoudig met “dit gedachtegoed hoort bij Hogeschool INHolland niet thuis”. Deze imam had volgens hem moeten zeggen dat ze verplicht was aangifte te doen. Zijn advies zou in strijd zijn met de Nederlandse rechtsorde (wat juridisch gezien overigens volstrekt onjuist is). Praktisch niemand reageerde. Was het ontslag daarom terecht?
Zowel Eddaboudi en Budak mogen kennelijk niet op de schoot van Voltaire zitten.
(Ook juridisch is er een en ander af te dingen op de opvatting van Fennema. Volgens hem speelt de vrijheid van meningsuiting geen rol. Juridisch gezien lijkt me dat onjuist. Op basis van recente jurisprudentie (i.h.b. CRvB, LJN: BI2440) gaat het in dit soort dilemma's om de afweging tussen de vrijheid van meningsuiting enerzijds en de arbeidsrechtelijke verhouding anderzijds.)