Mees en de tv-drogredenen (27/4)

In de leugen regeert (10 april 2009) mocht Mees haar ongenoegen over de berichtgeving over meisjesbesnijdenis in de media nog eens uitleggen. Over een artikel uit de Volkskrant (24/1) dat Meurders toonde, zei Mees dat de aanname in dat artikel was dat meisjesbesnijdenis veel voorkomt. Bovendien trok de auteur van dat artikel volgens Mees ten onrechte de conclusie dat de bestrijding van meisjesbesnijdenis faalt, omdat er geen vervolgingen plaatsvinden.
Op dat moment had de redactie (of Meurders) het volgende citaat uit het aangehaalde artikel aan Mees moeten voorleggen: “Dat er nauwelijks meldingen zijn 'kan een goed teken zijn', schrijven de opstellers, maar kan zeker ook te maken hebben met 'witte vlekken in de preventieve aanpak'.” Met ‘kan een goed teken zijn’ laten de opstellers (van het rapport Drie jaar pilots Vrouwelijke Genitale Verminking, gemaakt in opdracht van staatssecretaris Bussemaker, RR.) weten dat de gegevens voor meer dan één uitleg vatbaar zijn. Dat is dus echt iets anders dan Mees doet voorkomen.
Waarom opteren de opstellers voor de conclusie dat er toch iets aan de hand is? Op grond van twee plausibiliteitsargumenten: 1. Omdat “er niemand is die potentiële slachtoffers pro-actief opspoort". En 2). "En wie wel in aanraking komt met genitale verminking, heeft 'schroom' aangifte te doen 'omdat ze zo hun relatie met het gezin onder druk zetten' ”. Het lijkt me een redelijk uitgangspunt om niet zonder meer uit te gaan van ‘geen melding, dus niets aan de hand’. Overigens wordt in dat aangehaalde artikel nergens over ‘vervolging’ gesproken.
Verder zat het betoog van Mees vol onjuistheden en onnauwkeurigheden. Bussemaker wilde zwaardere straffen, maar het is volgens Mees de rechter die de strafmaat bepaalt. Het is nog maar de vraag of Bussemaker het had over de strafmaat (die de rechter in een individuele zaak oplegt) of over de formele wet (waarin o.m. de maximale hoogte van de straf wordt vastgelegd). Dat laatste is wel degelijk de taak van de wetgever en niet van de rechter.
Volgens Mees is in de discussie er sprake van een omgekeerd cultuurrelativisme. Cultuurrelativisten zeggen volgens haar “wat bij migranten gebeurt (meisjesbesnijdenissen), vinden wij niet zo erg, want dat is nu eenmaal hun cultuur”. Weer onjuist. Er is - binnen de wijsbegeerte - géén enkele cultuurrelativist die dit beweert. Zij zeggen dat er geen objectieve normatieve criteria zijn op grond waarvan verschillende culturen moreel kan beoordelen. Wie beweert dat hij iets niet erg vindt, is per definitie geen relativist, want hij spreekt een normatieve waardering uit.
Kortom, Mees kon rustig haar gang gaan met het opstapelen van de ene op de andere argumentatiefout. En dat deed ze dan ook.