Sommer en de categoriefout (9/4)

Moeten politici beter luisteren naar mijn vrouw, die ruim twintig jaar voor de klas staat? Sommer vindt van wel. Mijn vrouw ook.

"Iedere beginnende methodoloog weet dat naarmate wetenschappelijke uitspraken harder, betrouwbaarder, zekerder worden, het belang ervan met rasse schreden afneemt”, beweert Sommer (Vk, 7.4.09). Hij zet vraagtekens bij wat hij de nieuwe hype noemt: de verwetenschappelijking van het onderwijs. Politici moeten dan ook niet te rade gaan bij wetenschappers, want die kunnen niet vertellen wat goed onderwijs is. Ze moeten naar ouders en docenten luisteren. Instemmend haalt hij de onlangs overleden socioloog Van Doorn aan: “Intellectuelen hebben zich te veel opgeworpen als ideologen, vertegenwoordigers van de wetgevende rede die de ervaringswijsheid van de gemiddelde burger bij voorbaat afdoen als een manifestatie van vooroordelen, onbegrip en onwetendheid. Democratie is de politiek van het menselijk tekort en in die politiek dient common sense het uitgangspunt te vormen.”
Maar de tendens is onmiskenbaar: de wetenschap nestelt zich meer en meer in het hart van de politiek. Het punt is echter dat voorspellen “té moeilijk voor de (mens)wetenschap is. Precies daarom hebben we de politiek, die de eigen broek moet ophouden. Het is dan ook niet de politiek die steeds wetenschappelijker wordt, maar de wetenschap die zich steeds breder maakt omdat de politiek het laat lopen. Sommige wetenschap, denk ik op kwaaiere momenten, is politiek met voetnoten.”
Analyse. Sommer haalt drie categorieën vragen door elkaar. De eerste categorie is de descriptieve (beschrijvende) vraag: hoe effectief is – bijvoorbeeld – een bepaalde vorm van onderwijs. De tweede categorie is de prescriptieve of normatieve vraag: hoe wenselijk is een bepaalde vorm van onderwijs. De derde categorie is de filosofische vraag: hoe verhoudt zich de wetgevende rede zich ten opzichte van ervaringswijsheid bij een keuze voor een bepaalde vorm van onderwijs.
Sommer gooit deze vragen op een hoop en legt het primaat voor de antwoorden bij de ouders en docenten. Maar de eerste soort vragen vallen onder het domein van de wetenschap, hoe gebrekkig de antwoorden ook zijn. Gaat men uit van ervaringswijsheid als men wil weten of het Moermandieet effectief is?
De ‘ervaringswijsheid’ is hooguit input voor een wetenschappelijke statistische bewerking. Zo mochten mensen gegevens insturen voor een nieuwe horoscoop in verband met een test. Gebruikers waren razend enthousiast over die nieuwe duider van het menselijk karakter. Wat ze niet wisten dat de onderzoekers een bestaande ‘gerenommeerde’ horoscoop hadden gebruikt en dat ze niet de ingestuurde gegevens, maar de gegevens van een massamoordenaar hadden ingevoerd. Toch waren de meesten razend enthousiast.
Omgekeerd geldt hetzelfde. De opvatting van een wetenschapper als de neuroloog Jelle Jolles over wat er in het onderwijs moet gebeuren, kan men niet louter baseren op beschrijvende premissen. Heeft hij die pretentie wel, dan maakt hij zich schuldig aan een is-oughtdrogredenen. Hij leidt dan normatieve beweringen uit descriptieve (beschrijvende) beweringen af, maar feitelijk verzwijgt hij dan dat hij daarbij ook een prescriptieve premissen hanteert.