Wilders en Kjaersgaard (3/4)

“Ik heb genoeg van de Koran in Nederland: verbied dat fascistische boek”, schreef Geert Wilders (VK, 8.8.07). Lawson, hoogleraar ‘Bescherming van de integriteit van het individu’, meent dat recente CERD-jurisprudentie erop wijst dat het OM zelfs verplicht is strafvervolging in te stellen als er op gerede gronden aangifte is gedaan (NJCM-Bulletin 2008, n. 4, p. 481). Het had daarbij met name de zaak Gelle op het oog. Gelle, een Somaliër van Deense afkomst, had een klacht ingediend tegen Pia Kjaersgaard, de Deense Geert Wilders. Kjaersgaard had in een ingezonden brief in het Kristeligt Dagblad bezwaar gemaakt tegen het feit dat de Deense Minister van Justitie een wetsvoorstel voor het verbod van meisjesbesnijdenis had voorgelegd aan de Deens-Somalische Vereniging. “Waarom moet de Deens-Somalische Vereniging invloed hebben op een wet die betrekking heeft op een misdaad die voornamelijk door Somaliërs gepleegd wordt. (…) Wat mij betreft is dit hetzelfde als de vereniging van pedofielen vragen welke bezwaren ze heeft tegen het verbod van sex met kinderen of als je aan verkrachters vraagt of ze bezwaren hebben tegen zwaardere straffen voor verkrachting.”
Het Deense OM zag niets in vervolging. Uit de uitspraken van Kjaersgaard kun je niet afleiden dat alle Somaliërs criminelen zijn of hetzelfde zijn als pedofielen of verkrachters. Dat de meeste vrouwenbesnijders Somaliërs zijn betekent niet dat de meeste Somaliërs vrouwenbesnijder zijn.
Lawson leidt uit de uitspraak van de CERD af dat er een verplichting tot vervolging bestaat. In de uitspraak van deze instantie staat: “The fact that Ms. Kjaersgaard’s statements were made in the context of a political debate does not absolve the State party from its obligation to investigate whether or not het statements amounted to racial discrimination.” (CERD/C/68/D/34/2004).
Volgens Nieuwenhuis, hoogleraar rechtsgeleerdheid in Leiden, is die interpretatie onjuist. Lawson maakt volgens hem van de ‘obligation to investigate’ een ‘verplichting tot vervolging’. “Op geen enkele wijze blijkt uit de uitspraak dat het comité heeft geoordeeld dat op Denemarken de plicht rustte Kjaersgaard strafrechtelijk te vervolgen”, aldus Nieuwenhuis.
Bovendien meent hij dat de kwalificatie van de uitspraak van het CERD als ‘jurisprudentie’ onterecht is. Rechtspraak is het niet, want het CERD is een single issue-organisatie. “Veelzeggend in dit opzicht is dat het comité in Gelle daar geen woord aan wijdt. In Gelle bekritiseert het comité enkel de negatieve generalisatie op grond van een nationaliteit."
Analyse. Volgens Nieuwenhuis volgt uit ‘obligation to investigate’ niet de verplichting tot vervolging. Maar ‘investigate’ betekent ‘een onderzoek instellen naar…’; ‘vervolgen’ betekent dat justitie een onderzoek zal instellen. Onderzoeken kan ook de betekenis hebben van tot voorwerp maken van een gerechtelijk onderzoek. Kortom, de interpretatie van Lawson is dus niet op voorhand verkeerd (als we uitgaan van de definities uit de Van Dale én de maximaal redelijke interpretatie).
De bewering van Nieuwenhuis dat het CERD niets zegt over andere kwesties zoals de vrijheid van meningsuiting is aantoonbaar onjuist, zoals blijkt uit het onsteundende citaat: “It reiterates that the exercise of the right to freedom of expression carries special duties and responsibilities, in particular the obligation not to disseminate racist ideas, that General Recommendation 30 recommends that States parties take "resolute action to counter any tendency to target, stigmatize, stereotype or profile, on the basis of race, colour, descent, and national or ethnic origin, members of 'non-citizen' population groups, especially by politicians” (ro. 7.5). In deze en andere uitspraken, wordt wel degelijk verwezen naar de vrijheid van meninguiting.