Zwalve en 'post hoc ergo propter hoc' (28/4)

Louis Ritzen, mijn opa, een hoofd van de school in een tijd dat er nog echt goed gespeld werd. Zou het? Werd er toen echt beter gespeld?

Behoorlijk wat Nederlandse studenten schijnen geen Nederlands te kunnen schrijven. Enkele universiteiten organiseren daarom speciale taaltoetsen en taalcursussen.. Zo blijkt dat maar liefst 83% van eerstejaars Rotterdamse rechtenstudenten in 2008 zakte voor de verplichte taaltest. Het niveau van die toets was gelijk aan hetgeen van leerlingen aan het einde van het vwo wordt gevraagd. “Zij vallen daarom in de valkuil de enorme gebreken van het Nederlandse 'voorbereidend wetenschappelijk onderwijs' te willen opvangen door het werk over te doen waar het vwo - ooit - zelf in voorzag”, aldus prof. Zwalve, hoogleraar aan de juridische faculteiten van Leiden, Groningen en Nijmegen en schrijver van een aantal prachtige boeken (NRC, 23.4.09). “Dat is een ijdel streven, want de professionele onderwijsdeskundigen die betaald worden om dergelijke ideeën te ontwikkelen zijn vergeten dat het - nu zo'n twintig jaar geleden - al eens eerder is geprobeerd. Het vak '(juridische) vaardigheden' (goed lezen en goed schrijven), dat nu al zo'n twintig jaar op de verschillende juridische faculteiten in dit land wordt verzorgd, had dezelfde achtergrond”. Zwalve stelt dat er ook toen al werd geklaagd over de schriftelijke en mondelinge uitdrukkingsvaardigheid van aankomende studenten.
“De totale mislukking ervan blijkt zonneklaar uit het feit dat men nu, in aanvulling op de reeds bestaande cursus uitdrukkingsvaardigheid, een nieuwe cursus 'elementair lezen en schrijven' meent te moeten toevoegen in een tot mislukken gedoemde poging te kleine voeten voor te grote schoenen passend te maken.”
Aangezien Nederland altijd voor een dubbeltje op de eerste rang wil zitten, wordt er geld onttrokken aan de middelen die ter beschikking staan van het reguliere onderwijs. “Het gaat ook ten koste van het gewone, daadwerkelijk academische onderwijs, want men mag, uiteraard, de student niet met een extra onderwijsbelasting opzadelen. Er moet dus, teneinde ruimte te scheppen voor onderwijs in het lezen en schrijven, worden gestreept in het overige facultaire onderwijsaanbod.”
Concreet betekende dat keuzevakken, die ten behoeve van de ooit zo broodnodig geachte academische diversiteit waren ingevoerd, moesten worden afgeschaft. “Dat kan, meen ik, niet anders dan als debilisering in de meest letterlijke zin van het woord worden omschreven. Het effect ervan is desastreus, want onder de goede studenten, degenen die goed kunnen lezen en goed kunnen schrijven (die zijn er óók), wordt het respect voor het academische onderwijs er dientengevolge niet groter op: zij ervaren - volstrekt terecht - dat wat zich, bij monde van haar bestuurders, afficheert als centre of excellence zich in werkelijkheid the cultivation of incompetence ten doel heeft gesteld.”
Analyse. Zwalve constateert dat het taalniveau van studenten te laag is en wijst vervolgens op de “enorme gebreken van het Nederlandse voorbereidend wetenschappelijk onderwijs”: het lijkt erop dat hij zich schuldig maakt aan de drogreden ‘na elkaar dus door elkaar’. Door de enorme gebreken van het vwo zijn eerstejaars studenten onvoldoende taalvaardig.
De bewering van taalkundige Neijt (2008) is dat sinds de laatste twee spellingwijzigingen (1995 en 2005) de Nederlandse spelling er niet logischer op is geworden. Voor spelling gelden twee logische principes: fonologie, in de zin van schrijven wat je hoort, en morfologie, in de zin van zorgen voor een constant woordbeeld. Vanwege de morfologie houden we vast aan de ‘d’ in hond omdat de meervoudsvorm ‘honden’ is.
Maar in de nieuwste regeling is de etymologie, het kiezen van een spelling op grond van de herkomst van woorden, belangrijker geworden. Neijts punt is dat soms voor de ene, dan weer voor de andere oplossing gekozen werd. Maar die gulden middenweg valt niet meer uit te leggen. Bovendien zijn er ook veel details vastgelegd. Het gevolg is dat door die regeldrift de Nederlandse spelling het karakter heeft van een opzoekspelletje. De belangrijkste eis is volgens haar dat je spellingregels moet kunnen uitleggen. Bij de laatste twee wijzigingen is daar te weinig rekening mee gehouden. Het leren van spelling is daardoor ook moeilijker.
Ook toen de spelling nog niet werd veranderd, gingen leerlingen steeds slechter spellen. Dat was althans de conclusie van een Nederlandse onderzoeker die in 1956 op dit onderwerp promoveerde. Hij constateerde dat schoolkinderen buitengewoon veel spellingsfouten maakten. Die fouten kon men niet bijschrijven op het conto van de spellingshervorming in 1955.
De taalhistoricus Van der Horst (2008) doet in dit verband een interessante observatie, namelijk dat ook in Duitsland, Frankrijk en Engeland leerlingen steeds slechter gaan spellen. Zo liet men Franse leerlingen in 1970 en 1971 een dictee maken dat men eerder had gebruikt in 1950 en 1951. De uitslag was verassend. Leerlingen die in 1950 en 1951 het dictee hadden gemaakt, hadden een voldoende: in 1950 had 44 van 59 leerlingen het dictee goed gemaakt. In 1970 en 1971 lagen de cijfers heel anders. In 1970 haalden slechts 28 van de 84 leerlingen een voldoende voor het dictee en in 1971 was het resultaat nog slechter: 25 van de 98 leerlingen. De onderzoekers Désirat en Hordé spraken dan ook van een spellingscrisis.
Maar volgens Van der Horst heeft het slechte spellen te maken met het feit de taalnorm, die in de renaissance dominant werd, maar die nu tanende is. Hij stelt dat onze ideeën over taal, spelling, grammatica en taalonderwijs in de Renaissance zijn ontstaan. Die taalcultuur loopt op een einde en dat proces is in de vorige eeuw, zo rond 1970, al begonnen.
Hoewel men rond 1300 de eerste manifestaties van de taalcultuur van de Renaissance in Italië bij Dante kan waarnemen, komt die taalcultuur pas in de zestiende eeuw volledig tot ontplooiing. In die cultuur gaat men veel belang hechten aan de volkstaal. Deze wordt gezien als de eigen taal en men gaat die gebruiken in situaties waar eerder alleen Latijn werd gebruikt. Bovendien wordt die eigen taal voorzien van regels en normen voor het correcte taalgebruik. Het streven is variatie en onduidelijkheden in de taal uit te sluiten.
In de periode 1600-1860 komt de renaissance tot volle bloei. De geschreven taal wordt het uitgangspunt en de standaardtaal, de taal die wordt gebruikt door het schrijvende deel van de bevolking, is strikt gebonden aan de normen en regels. Men wil daarmee de eigen taal zuiver houden en voorkomen dat ze zou verloederen. Bovendien wordt taal zo een nationale aangelegenheid. Ook de norm wordt steeds strakker.
Maar na 1860 zien we steeds meer tekenen dat de gesproken taal weer belangrijker wordt. Die tendens wordt in de twintigste eeuw alleen maar sterker.
Van der Horst verduidelijkt zijn stelling onder meer aan de hand van de ontwikkeling van het Algemeen Beschaafd Nederlands. Dat bestaat nog maar net honderd jaar. Het werd zo rond 1900 gesproken door twee à drie procent van de bevolking, de maatschappelijke elite. Het ABN van de elite functioneerde als een onderscheidingsmiddel. Na 1920 voltrekken zich volgens Van der Horst een grote politieke, sociale en demografische veranderingen (leerplicht, het algemeen kiesrecht, radio, telefoon, toename mobiliteit). Dit alles heeft vérstrekkende gevolgen voor de taal. ABN wordt de toegangspoort tot sociale vooruitgang. Iedereen (middenstanders, arbeiders, dialectsprekers) gaat in toenemende mate beschaafd – lees ABN - praten. De taalnorm wordt steeds strenger en eenduidig. Zo rond 1970 wordt het ABN door veertig à vijftig procent gesproken. Het ABN wordt een middel voor sociale vooruitgang. “Eerst netjes praten, en dan krijg je ook wel een groot huis, een auto, een dienstbode”. Dat is geen illusie; het heeft volgens VAN der Horst voor velen ook echt zo gewerkt. Generatie na generatie klimt op, op de maatschappelijke ladder.
Maar vanaf ongeveer 1970 verandert er iets: er is sprake van voortgaande democratisering van de samenleving, en van het onderwijs, van toegenomen welvaart en mobiliteit. En – in dit verband wellicht nog belangrijker – ook de mondigheid neemt toe. Maar de verdere opmars van het ABN, zo stelt Van der Horst, hapert. “Zo succesvol als het ABN tot 1970 was geweest - steeds meer sprekers, een steeds eenduidiger norm - zo miserabel gaat het ermee na 1970. De eenduidige norm is weg, of eigenlijk: er zijn nu verschillende normen naast elkaar. Misschien is het aantal sprekers van het ABN vergeleken met 1950 niet eens erg afgenomen. Alleen, die andere zestig procent, die vroeger zweeg in het openbare leven, zwijgt niet langer. Die kun je nu ook dagelijks op tv horen, in de politiek, in de scholen en in de universiteiten.” Democratisering, zo stelt hij, is hoorbaar.
Als Van der Horst gelijk heeft, dan is niet meer zinvol om te spreken over de bewering ‘het spellingsniveau is te laag’. Omdat er nu meerdere taalnormen zijn, kunnen we hooguit zeggen dat volgens de norm die in 1950 dominant was, er nu (waarschijnlijk) slechter wordt gespeld.*
Net als Zwalve is Van der Horst uiterst sceptisch over spellingscursussen, zij het om andere redenen.
*) Dit fragment is een klein gedeelte uit een artikel dat juni 2009 in het tijdschrift 'Filosofie' zal verschijnen.