CRvB en de geweigerde handdruk 3 (22/5)

De Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het burgerlijke en militaire ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht., heeft uitspraak gedaan in de zaak van de ontslagen docente economie van het Vader Rijn College te Utrecht, die geen handen meer wilde schudden van mannelijke collega's:
De betreffende docente had een tijdelijke aanstelling tot 1 augustus 2007. Op de eerste schooldag na de zomervakantie van 2006 heeft betrokkene ’s ochtends per e-mailbericht al haar collega’s laten weten dat zij vanwege haar geloofsovertuiging geen handen meer zal geven aan mannelijke collega’s. Als gevolg van de daardoor ontstane commotie is betrokkene geschorst en uiteindelijk vóór de afloop van haar tijdelijk dienstverband ontslagen. Die besluiten bleven bij de rechtbank in stand.
In hoger beroep heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling in deze zaak, te weten dat de school verboden indirect onderscheid maakt op grond van godsdienst bij de arbeidsomstandigheden door de eis te stellen dat docenten bij het begroeten een hand geven.
De school waarbij betrokkene in dienst was streeft een respectvolle omgang met elkaar na door het voorschrijven van een uniforme begroetingsregel eruit bestaande dat men elkaar bij gelegenheid een hand schudt. De openbare school wil openstaan voor een ieder en het propageren van de eigen levenovertuiging, godsdienstbeschouwing of politieke voorkeur acht de school niet gewenst. Voor de keuze van de begroetingsregel heeft de school aangesloten bij de in Nederland algemeen geaccepteerde fatsoens- en omgangsvormen.
De Centrale Raad overweegt nu in zijn uitspraak van 7 mei 2009, LJN: BI2440 dat het bij de vraag of de begroetingsregel zich verdraagt met het verbod van onderscheid naar godsdienst gaat om een afweging van belangen van de stichting en de school enerzijds en die van betrokkene, die zou moeten worden beschermd tegen ongelijke behandeling vanwege haar godsdienst anderzijds. Van belang acht de Centrale Raad daarbij dat de geloofsuiting waarvoor bescherming wordt verlangd zich in de openbaarheid manifesteert en dat daarbij anderen zijn betrokken, waaronder ook leerlingen, ouders en andere derden. De begroetingsregel ziet dus direct op de wijze van functievervulling. Het belang van de openbare school, gelegen in het voorkomen van segregatie en het bevorderen van de duidelijkheid in een multiculturele schoolgemeenschap weegt in de gegeven omstandigheden zo veel zwaarder dan het door betrokkene nagestreefde belang bij verscheidenheid, dat de Raad van oordeel is dat de voorgeschreven begroetingswijze, te weten het schudden van handen, passend en noodzakelijk is te achten. De school werd dus in het gelijk gesteld.
De uitspraak betekent dat de docente terecht is ontslagen.

Tot zover het persbericht van de Centrale Raad van Beroep. De relevante passages staan in rechtsoverweging 7.7 tot en met 7.10:

7.7. De Raad gaat met partijen ervan uit dat het niet geven van een hand in het openbaar aan een persoon van het andere geslacht een gedraging is waarmee iemand, mede gelet op het karakter en op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, rechtstreeks uiting kan geven aan zijn of haar islamitische geloofsovertuiging, hetgeen valt onder het begrip godsdienst, zoals bedoeld in de Awgb.

7.8. De stichting streeft op school een respectvolle omgang met elkaar na door het voorschrijven van een uniforme begroetingsregel, eruit bestaande dat men elkaar bij gelegenheid een hand schudt. Dat is volgens de stichting van belang omdat de school te maken heeft met een grote verscheidenheid aan medewerkers en leerlingen voor wat betreft culturele achtergrond, etniciteit en geloofsovertuiging. De (openbare) school wil openstaan voor een ieder, waarbij een ieder zich gerespecteerd moet voelen. Het actief propageren van de eigen levensovertuiging, godsdienstbeschouwing en politieke voorkeur acht de school niet gewenst, omdat dit segregatie in de hand werkt. Er moet, ook uit pedagogisch oogpunt, duidelijkheid bestaan over de omgangvormen. Voor de keuze van het uniforme begroetingsvoorschrift is aangesloten bij de in Nederland gebruikelijke algemeen geaccepteerde fatsoens- en omgangsvormen. De leerlingen worden immers voorbereid op deelname aan de Nederlandse arbeidsmarkt. Op deze wijze tracht de stichting niet alleen betekenis te geven aan het openbaar karakter van de school, maar ook aan de opdracht die artikel 17 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs aan haar stelt, waarbij onder meer actief burgerschap en sociale integratie door het onderwijs dienen te worden bevorderd.

7.9. De Raad is van oordeel dat de bedoelde begroetingsregel, nu deze hoofdzakelijk mensen met een bepaalde godsdienstige overtuiging raakt, een indirect onderscheid naar godsdienst oplevert en voorts dat het bijbrengen van respectvolle omgangsvormen zoals hiervoor beschreven een legitiem doel dient. Het middel - het hanteren van een uniforme begroetingsregel - is naar het oordeel van de Raad ook geschikt om dat legitieme doel te bereiken.

7.10. Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of het middel passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. Volgens de Raad gaat het daarbij om een afweging van de belangen van de stichting en de school en het belang van personen zoals betrokkene, die moeten worden beschermd tegen ongelijke behandeling vanwege hun godsdienst. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de geloofsuiting waarvoor bescherming wordt verlangd zich in de openbaarheid manifesteert en dat daarbij anderen zijn betrokken. De weigering om in voorkomende gevallen een hand te geven en de redengeving die betrokkene daarvoor geeft - zij ervaart het schudden van handen met volwassen mannen vanuit haar geloofsovertuiging als seksuele intimidatie - kan door de ander als confronterend en onaangenaam worden ervaren en de onderlinge relaties onder druk zetten. In het geval van betrokkene doet zich dit niet alleen voor bij mannelijke collega’s en bij leerlingen, voor wie betrokkene een voorbeeldfunctie heeft, maar ook extern, bij ouders en derden die bij de school zijn betrokken. Ten opzichte van deze laatste groepen is de leerkracht in de eerste plaats de vertegenwoordiging van de school en aldus bezien ziet de begroetingsregel direct op de wijze van functievervulling van de ambtenaar. In de gegeven omstandigheden is de Raad van oordeel dat een zo veel groter gewicht toekomt aan het belang van de school om ter voorkoming van segregatie en ter bevordering van de duidelijkheid in een multiculturele schoolgemeenschap uniformiteit op de wijze, zoals dat is gebeurd, te stellen boven diversiteit, dat de uniformiteit in begroetingswijze passend en noodzakelijk is te achten.

Analyse. Mijn stelling is dat de Raad niet adequaat argumenteert. In rechtsoverweging 7.9 stelt de raad enerzijds dat de bedoelde begroetingsregel inderdaad een indirect onderscheid naar godsdienst oplevert en anderzijds dat het bijbrengen van respectvolle omgangsvormen een legitiem doel dient. In r.o. 7.10 stelt de raad dat in de gegeven omstandigheden een groter gewicht toekomt aan het belang van de school dan aan het belang van de docente. Maar een reden waarom de balans in de richting van de school doorslaat, geeft de raad niet: beide opvattingen, zo erkent de raad, hebben hun ratio, maar één opvatting weegt zwaarder. De redenen die de raad geeft, hebben uitsluitend betrekking op de ratio van de opvattingen. De afweging, dus welke opvatting zwaarder weegt, vereist een andere soort argumentatie.
Het enige argument dat de opvatting van de school prevaleert, is dat de raad dit nu eenmaal zo vindt. Kortom, een autoriteitsargument.
Vanuit een juridische optiek is daar wat voor te zeggen. We hebben in Nederland de traditie dat bij een geschil een onafhankelijk derde (de rechter) de knoop doorhakt en een bindende beslissing neemt. Maar vanuit een argumentatieve optiek is deze handelswijze te mager.