CRvB over de geweigerde handdruk 1 (20/5)

Justitia in Praag

Mag een openbare middelbare school een jonge islamitische docente schorsen en ontslaan, die na de zomervakantie haar collega’s e-mailt dat ze mannen geen handen meer wil geven vanwege haar geloof. Nee, zei de Commissie Gelijke Behandeling. Ja, zegt de Centrale Raad van Beroep.
De docente vindt dat de schoolregel haar godsdienstvrijheid beperkt. Ze meent dat er ook op andere manieren respectvol kan worden gegroet zonder lichaamscontact. Maar de school is van mening dat ‘in Nederland geldende en gangbare respectvolle omgangsvormen’ moeten worden uitgedragen. Deze leerlingen moeten op de (Nederlandse) arbeidsmarkt worden voorbereid en dan is ‘uniformiteit’ belangrijker dan ‘diversiteit’.
Het indirect onderscheid maken is wettelijk wel toegestaan mits het doel legitiem is. De maatregel moet beantwoorden aan een werkelijke behoefte; er mag geen sprake zijn van een ‘discriminerend oogmerk’; en het middel (’schudplicht’) moet ook passend (geschikt) en noodzakelijk (evenredig) zijn.
“Wat vond de CGB? De Commissie Gelijke behandeling (CGB) wees de schoolregel af. Weliswaar is het doel in orde en is er geen sprake van opzettelijke discriminatie. Alleen is het middel niet geschikt. Handen geven vinden sommige moslims immers niet respectvol, terwijl de school dat respect juist wil bevorderen. De school schond dus de wet door verboden indirect onderscheid te maken op grond van godsdienst”, aldus NRC-redacteur Jensma.
De Raad vindt het doel van de schudplicht legitiem: de arbeidsmarkt, pedagogische duidelijkheid, aansluiten bij gebruikelijke omgangsvormen, integratie etc. De docente moet tegen discriminatie worden beschermd, meent hoogleraar staatsrecht Van der Vlies, maar de opstelling van de docente is te ‘confronterend en onaangenaam’ en zet de onderlinge relaties onder druk. “Zij heeft een voorbeeldfunctie, zowel binnen de school als erbuiten. Bovendien vertegenwoordigt ze de school als ambtenaar. Er komt dus een ‘veel groter gewicht’ toe aan het belang van de school (uniformiteit) dan aan de docente (diversiteit). Dan is een begroetingsregel ‘passend en noodzakelijk’. Conclusie: het ontslag was gepast en op de juiste gronden.”
Van der Vlies meent dat de commissie uitdrukkelijk haar eigen opvatting volgt die ertoe dient discriminatie naar godsdienst (als naar elk grondrecht) zoveel mogelijk te voorkomen (NRC, 11.5.09). Maar is met dit ontslag dan sprake van godsdienstdiscriminatie? “In beginsel wel, de uniforme begroetingsregel levert een indirect onderscheid naar godsdienst op omdat zij een bepaalde godsdienst in het bijzonder raakt. Maar als de uniforme regel een passend en noodzakelijk middel om het doel (goede voorbereiding op de arbeidsmarkt) te bereiken, dan is zij toch toegestaan. De vrijheid van godsdienst wordt geplaatst tegenover het belang van de school om ter voorkoming van segregatie en ter bevordering van de duidelijkheid in een multiculturele schoolgemeenschap uniformiteit te stellen boven diversiteit, waarbij het gaat om het groetgedrag op een openbare school. Welke uniformiteit is gekozen? Die in Nederland gebruikelijk is.”
Als een docent een hand weigert, dan wordt dit volgens rechter op school als confronterend ervaren en ook door de externen, als de ouders, die de lerares de hand zou moeten drukken. Het gaat er volgens Van der Vlies om dat “de wijze waarop een ambtenaar haar functie vervult en die moet niet onnodig tot ophef leiden. De rechter laat het belang van de school om segregatie te voorkomen op de door haar gekozen wijze voorgaan, onder respectering van de keuze van de vrouw. Beide gaan echter niet samen.” Zij meent dat de rechter door de overwegingen zo principieel te formuleren voor de verhoudingen op scholen voor openbaar onderwijs een duidelijke en goed gemotiveerde uitspraak heeft gedaan.
Analyse. Duidelijk is de uitspraak wel, maar is er ook sprake van een goed gemotiveerde uitspraak?” Er is een conflict en de CRvB heeft een knoop doorgehakt. De vrijheid van godsdienst wordt geplaatst tegenover het belang van de school om - ter voorkoming van segregatie en ter bevordering van de duidelijkheid in een multiculturele schoolgemeenschap -uniformiteit te stellen boven diversiteit. Concreet: als een docent een hand weigert, dan kan dit als confronterend worden ervaren door collega’s, ouders (die de lerares die deze hand zou moeten drukken) en anderen.
Voor beide opvattingen is wat te zeggen en de CRvB heeft voor één van de opvattingen gekozen. De Raad geeft argumenten waarom ze opteert voor die opvatting, maar dat impliceert nog niet dat vrijheid van godsdienst dus in deze casus niet prevaleert. Strikt argumentatief kan men hooguit zeggen dat de keuze van de CRvB anders is dan die van de CGB.
De opmerking van Van der Vlies dat de commissie uitdrukkelijk haar eigen opvatting volgt die ertoe dient om discriminatie naar godsdienst (als naar elk grondrecht) zoveel mogelijk te voorkomen, is dan ook wat te gemakkelijk. Eigenlijk is het een - lichte - beschuldiging van vooringenomenheid, die Van der Vlies niet hard maakt.