Recensie 'Tussen hebzucht en verlangen' van Heleen Mees

Boekbespreking van: Heleen Mees, Tussen hebzucht en verlangen. De wereld en het grote geld. Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2009. E 16,95
‘Ik vind het niet erg mensen op de kast te jagen’, liet Heleen Mees zich in een interview ontvallen. En inderdaad, ook in haar meest recente boek schuwt ze de provocatie niet. Bos is volgens Mees bang. Hoogleraar Kleinknecht moet van haar maar eens ophouden met het schrijven van intellectueel luie stukjes. En eerder wist ze veel vrouwen tegen zich in het harnas te jagen met uitspraken als in deeltijd werkende vrouwen “zijn lui, bang om hun nek uit te steken en gemakzuchtig. Ze zijn een totale verkwisting”.
Mees, de rijzende ster in de PvdA, heeft in korte tijd een behoorlijke reputatie opgebouwd. Het lukte de veertigjarige juriste en econome om zich zonder kruiwagen als zelfstandig adviseur voor bedrijven te vestigen in New York. Maar ook verscheen ze in de maand dat ik dit stuk schreef maar liefst vijf keer op televisie. Wie de tv meed, kwam haar in dezelfde maand tegen in de Volkskrant en Vrij Nederland en kon haar columns lezen in het NRC en Opzij. Ook publiceert zij volgens de achterflap van haar boek in de International Herald Tribune, Le Monde en de Financial Times.
Sinds kort is ze nu ook regelmatig te zien in het tv-programma ‘Vrouw en Paard’, dat overigens ook haar initiatief is. Mensen als Willem Vermeend, Rick van der Ploeg en Neelie Kroes zijn lovend over haar. Als er op iemand de kwalificatie ‘sterke vrouw’ van toepassing is, dan is dat ongetwijfeld op de goedgebekte Mees.
Haar visie is helder. Kort gezegd komt die neer op het volgende. Arbeidsparticipatie is de sleutel tot maatschappelijk succes en dankzij de kosten van de verzorgingsstaat krijgen immigranten in Nederland geen kans op de arbeidsmarkt. In New York is er ook wel armoede, maar de groep armen verandert voortdurend. Mensen kunnen zich opwerken en doen dat ook. Anders dan in Nederland. Mensen moeten ook een baan kunnen krijgen met een loon van 5 of 6 euro en uitkeringen moeten verlaagd worden, maar de arbeidsmarkt zit op slot.
Het graaigedrag aan de top moet met wettelijke maatregelen bestreden worden. De olieverslaving moet ingeperkt worden en Europa moet het antwoord worden op de oosterse uitdaging. Fukuyama’s lofrede op het liberalisme is en was niet het antwoord op de crisis.
Echt origineel of spectaculair zijn haar opvattingen niet en dat roept meteen de vraag op waar haar populariteit eigenlijk op is gebaseerd? De columns die zij in ‘Tussen hebzucht en verlangen’ heeft gebundeld, zijn vaak warrig. Ze schieten vaak alle kanten op. Zelfs in één alinea wisselt soms het thema. Ook de disproportioneel veel aandacht die zij aan de politicoloog Fukuyama besteedt, komt wat merkwaardig over gezien de matige belangstelling die deze auteur nog maar trekt. Maar veel storender is haar argumentatie. Die is – op z’n zachts gezegd – gebrekkig.
Zo houdt ze een vlammend pleidooi om de verzorgingsstaat in te ruilen voor een kansenmaatschappij. Haar devies is meer arbeidsparticipatie. Het langdurig afhankelijk zijn van een uitkering werkt vervreemding en apathie in de hand, weet Mees te melden. Een uitzichtloze uitkeringssituatie leidt niet tot stilstand. Die leidt tot terugval. De Nederlandse verzorgingsstaat maakt mensen passief en leidt tot een overschot aan laagopgeleiden. In vergelijking met New York legt Amsterdam het dan ook op alle punten af.
Ook wat betreft de misdaad: de nieuwe, op arbeidsparticipatie gerichte aanpak van criminaliteit leidde ertoe dat New York – ooit berucht vanwege de onveiligheid op straat – de veiligste stad werd van alle grote steden in de Verenigde Staten, aldus Mees.
Maar het enkele feit dat de criminaliteit in New York terugliep na de aanpak, betekent nog niet dat de criminaliteit terugliep door die aanpak. Dat verband is alles behalve vanzelfsprekend. Levitt, hoogleraar economie aan de universiteit van Chicago, heeft een heel andere verklaring dan Mees. Uit zijn onderzoek blijkt dat door de verruiming van de abortuswetgeving de criminaliteit daalde als gevolg van het feit dat het aantal geborenen in kansarme éénoudergezinnen afnam. Er was dan wel sprake van een interval van dertien jaar. Dat heeft te maken met het gegeven dat de criminele carrière van kansarme jongeren min of meer op dertienjarige leeftijd start. Een abortus bij een zestienjarig meisje (dat als jonge moeder zelf de kost moet gaan verdienen) betekent dertien jaar later één potentiële crimineel minder. Steden die bleven vasthouden aan een verbod op abortus, maar net als New York een zero-tolerancebeleid voerden, lieten slechts een marginale daling van de criminaliteit zien.
Kritiek op haar opvatting over de relatie tussen criminaliteit en arbeidsparticipatie wimpelt Mees af met de mededeling dat enkele brievenschrijfsters schande spraken van haar pleidooi om de verzorgingsstaat om te vormen naar een kansenmaatschappij naar New Yorks model.
Maar de kern van de kritiek had wel degelijk meer om het lijf dan Mees in haar boek doet voorkomen. Junger-Tas, emeritus hoogleraar criminologie, vond het betoog oppervlakkig en wees op een aantal onjuistheden op basis van wetenschappelijk onderzoek naar criminaliteit. Kerstholt (UvT) wees erop dat er geen algemeen verband tussen enerzijds de omvang van de verzorgingsstaat en anderzijds economische groei en andere welzijnsindicatoren. Het is dus niet een kwestie van ‘schande’, zoals Mees beweerde, maar een kwestie van strijd met wetenschappelijke inzichten.
Dat Mees niet schroomt om op de man te spelen, blijkt uit haar bespreking van een lezing die Wouter Bos begin 2008 hield. “Het is jammer dat zijn teksten lijken te zijn overgenomen uit een verouderde jaargang van het weekblad The Economist.” Lijkt? Dus niet echt? Maar waarom dan die opmerking, als hij die teksten niet echt heeft overgenomen? De nare bijsmaak van dubieuze schatplichtigheid van de kant van Bos blijft bestaan zonder dat Mees daar een eenduidige uitspraak over doet.
Vervolgens blijkt dat Bos zijn vak niet bijhoudt. Als hij het recente nummer van The Economist had gelezen, had hij volgens Mees kunnen betogen dat de topbestuurders verantwoordelijk zijn voor de economische crisis. Ongetwijfeld, maar Bos had het in zijn lezing niet over de crisis, maar over de globalisering.
Mees refereert in haar kritiek op Bos naar een artikel dat op de website Economist.com verscheen. Daarin werd gesteld dat het huidige systeem topmanagers beloont als ze grote risico’s nemen, terwijl er geen enkele financiële straf op staat als blijkt dat ze verkeerd hebben gegokt. Deze informatie past precies in het straatje van Mees, maar er stond nog veel meer in datzelfde artikel, namelijk dat de realiteit veel genuanceerder is. En die nuancering levert een heel ander beeld op dan Mees schetst. “Begin eens met de vette bonussenpot van vijf Wall Street-ondernemingen. De banken eindigden het jaar met rode cijfers, maar de eerste helft van 2007 was geweldig goed. Het gevolg was dat het aantal medewerkers schommelde. Als de bonussen die het laatste jaar zijn uitgekeerd, gedeeld worden door het aantal medewerkers, dan duikelt de gemiddelde bonus.” Zelfs de term ‘gemiddelde’ is misleidend. “De succesvollen halen grotere bonussen binnen; anderen zien hun gedeelte van de taart slinken”, aldus het artikel in de Economist. Dat laatste past dus niet in het straatje van Mees en dat laat ze dan ook maar weg.
Het verwijt dat Bos een stuk uit de economist herkauwde, komt wat vreemd over als we Mees stuk over de oliebubbel bekijken. Want Mees zelf herkauwde ook een stuk, namelijk dat van The New York Times-columnist Paul Krugman. Hij ageerde tegen de idee van een oliebubbel. Die bubbel, aldus Krugman, is er niet. Opvallend is dat de opbouw en de inhoud van Mees' stuk op de eerste en de laatste vijf alinea’s na nagenoeg dezelfde is als die van de column van Krugman.
Maar zelfs dat herkauwen deugt niet. Als Krugman in neutrale termen het gedrag van een aantal mensen beschrijft, maakt Mees daar ‘het verdachte motief van de deskundigen’ van. Waar Krugman ‘wishful thinking’ ontwaart, stelt Mees dat conservatieven niet (echt) van het besparen van energie houden. Waar Krugmans ‘…suggest…’ hanteert, komt Mees op de proppen met ‘…kan alleen maar concluderen…’. Allemaal subtiele vertekeningen, die leiden tot een andere strekking van het verhaal.
Ook met haar argumentatie slaat ze regelmatig de plank mis. De volgende redenering is evident onjuist: alle mensen zijn sterfelijk. Jan is geen mens (maar een cavia), dus Jan is onsterfelijk. Ik neem aan dat ook Mees niet gelooft in de onsterfelijkheid van de cavia, maar regelmatig zet ze een soortgelijke redenering op. Zo weet Mees te melden dat wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat naarmate de bonussen voor het topmanagement van een onderneming hoger zijn, de kans groter is dat er binnen die onderneming fraude wordt gepleegd. “Als voormalig Ahold-topman Cees van der Hoeven geen aandelenopties had gehad, was er waarschijnlijk geen boekhoudschandaal bij Ahold geweest.” Bonussen leiden tot fraude, dus als er geen bonussen zijn, is er ook geen fraude.
Dat is geen eenmalige uitschuiver. In het stuk waarin ze de econoom Kleinknecht sommeert op te houden met het schrijven van ‘intellectueel luie’ stukjes, maakt ze dezelfde fout. Als vrouwen te weinig in het arbeidsproces participeren (omdat ze in deeltijd werken), dan kunnen werkloze laagopgeleide allochtonen niet (voldoende) in het arbeidsproces participeren. Als die vrouwen fulltime gaan werken, dan zal er werk zijn voor werkloze laagopgeleide allochtonen. Ook hier zien we weer de caviafout terug: als vrouwen in deeltijd werken, leidt dat tot minder arbeidsparticipatie van allochtonen. Dus als vrouwen niet in deeltijd werken, leidt dat tot meer arbeidsparticipatie.
Soms loopt de argumentatie helemaal uit de rails. “De topmanagers van frauderende bedrijven laten zich financieel goed bedienen, concluderen Fennema en Heems­kerk”. Mees is het daar niet mee eens. “Volgens mij is de causa­liteit precies andersom: de varia­bele beloningen lokken de fraude uit.”, schreef ze oorspronkelijk in het NRC. De kromme formulering is in haar boek aangepast, maar de kromme argumentatie blijft overeind. Want Fennema en Heemskerk wijzen helemaal niet op een causaal verband, maar op een correlatie. Mees schuift de twee dus feitelijk de onzinnige bewering in de schoenen dat fraude variabele beloningen uitlokt.
Mees komt bijna altijd met haar ontsporingen en vertekeningen weg. Incidenteel klimt iemand in de pen, zoals de officier van justitie Ditz die betrokken was bij de rechtzaak tegen Van der Hoeven. In de oorspronkelijke versie was Ditz naïef en beperkt. In een boze brief adviseerde ze Mees om gewoon eens het requisitoir te lezen en nu komen we Ditz niet meer tegen in haar boek.
Toch blijft Mees' succes een raadsel en dat wordt door dit boek nog eens nadrukkelijk bevestigd. Zij weet een niet al te originele boodschap met argumentatieve uitglijders, vertekeningen van standpunten en persoonlijke aanvallen te mixen tot een eclatant succes.

Andere recente argumentatiefouten: hier, hier en daar.