Monasch over Wilders (23/6)

“Het ergste is dat de kiezer achter Wilders niet serieus wordt genomen”, beweert Jacques Monasch, die in december 2008 van Thijs Berman de strijd verloor om het lijsttrekkerschap van de PvdA voor de Europese Parlementsverkiezingen in 2009 (VK, 22.6.09). Er is volgens hem een grote overeenkomst tussen de manier waarop de gevestigde partijen nu met Wilders omgaan en destijds met Fortuyn. “De argumenten waarmee ontredderde politici over Wilders en de PVV spreken, zijn een exacte kopie van de strijd van de gevestigde orde tegen Fortuyn. Weer waarschuwt de benauwde elite dat bevolkingsgroepen tegen elkaar worden opgezet, dat Wilders net als Fortuyn gevaarlijk is en dat de PVV angst zaait. Maar is Wilders wel hét gevaar? Biedt Wilders wellicht hoop waar de bestuurlijke middenpartijen falen?”
Wilders krijgt het verwijt dat hij geen oplossingen heeft voor de problemen die hij aansnijdt. Het gaat dan om handdrukken en topsalarissen voor bestuurders van woningbouwcorporaties; de verstikkende grootschaligheid in het onderwijs waarbij leraren hun positie zijn kwijtgeraakt; de tweedeling in het onderwijs door de invoering van het vmbo; de problemen met de privatisering in de thuiszorg; de grote problemen in de achterstandswijken; de toegenomen inkomensongelijkheid in Nederland sinds de jaren negentig.
Al deze problemen, zo stelt Monasch, hebben twee zaken gemeen. “Ze zijn ontstaan onder verantwoordelijkheid van de middenpartijen VVD, CDA, D66 en PvdA. En geen van de kabinetten van deze partijen heeft er in de afgelopen twintig jaar voor gezorgd dat deze problemen opgelost werden. Voor de potentiële Wilders-stemmer is het argument dat de PVV geen oplossingen biedt ronduit lachwekkend.”
Dat Wilders zich beroept op onjuiste feiten, is volgens Monasch voor de PVV-kiezers geen punt. Hij wijst erop dat Fortuyn ooit betoogde dat we een tijdje de grenzen dicht moesten houden, anders is ‘het dweilen met de kraan open’. “Die opmerking joeg de gevestigde politiek de gordijnen in. Zeven jaar later moeten de grenzen voor importbruiden dicht, ‘anders is het dweilen met de kraan open’, zegt integratieminister Van der Laan. De aanval op de juistheid van de cijfers hielp niet tegen Fortuyn. Wie had er gelijk?”
Ook het feit dat Wilders zou zich vergaloppeerd hebben op de Deense tv door te stellen dat miljoenen moslims Europa uit moeten als zij de sharia bepleiten, zal op de PVV-stemmer geen indruk maken. Die meent dat Wilders ons verdedigt tenminste tegen de sluipende islamisering. “De communicatie van Wilders gaat over wie er opkomt voor de vrijheid van meningsuiting en optreedt tegen islamisering. Dat is de politieke emotie achter de getallen. De aanval op de juistheid van de cijfers hielp niet tegen Fortuyn (‘Voetnoten professor’), ze helpen niet tegen Wilders.”
De critici van Wilders, die hem blijven attaqueren op zijn eigen agenda, sluiten zich op in zijn speelveld. “Die wedstrijd zal niet snel gewonnen worden omdat de kiezer Wilders vertrouwt danwel als eigenaar van dat debat ziet. Zelfs als de gevestigde politiek er iets aan doet, denkt de potentiële Wilders-stemmer: goed dat de PVV het heeft aangekaart, nu gebeurt er eindelijk iets. En dus is Wilders de onvermijdelijke winnaar.”
Het meest ongewenste effect is volgens Monsch dat de kiezer achter Wilders niet serieus genomen wordt. Die heeft oprechte zorgen over het onderwijs, de veiligheid op straat, de kwaliteit van de verpleeghuizen en de identiteit van Nederland. Die zorgen worden door het demoniseren en uitsluiten van Wilders gebagatelliseerd. “De bestuurlijke elite verwijdert zich steeds verder van de zorgen en het contact met vele goedwillende en bezorgde Nederlanders. De gretigheid en verbetenheid van de potentiële Wilders-kiezer wordt zo alsmaar groter. Dat blijkt ook uit het groeiende potentieel van de PVV. De partij won de schaduwverkiezingen onder scholieren, wint onder hoger opgeleiden terrein en zegeviert bij verkiezingen met een lage opkomst.”
Analyse. Er zit een merkwaardige contradictie in het betoog van Monasch. Enerzijds houdt hij een pleidooi om kiezers serieus te nemen. Anderzijds geeft hij een fiks aantal voorbeelden waaruit de conclusie getrokken moet worden dat de kiezers irrationele keuzes maken. Ik zal dit punt toelichten.
De problemen waarover de PVV-kiezer zich zorgen maakt, zijn ontstaan onder verantwoordelijkheid van de middenpartijen VVD, CDA, D66 en PvdA. Punt is echter dat Wilders al die jaren onderdeel van één van de hoofdverantwoordelijke was, namelijk de VVD. Van augustus 1998 tot september 2004 zat Wilders zelfs als Kamerlid voor de VVD in de Tweede Kamer. Wilders is dus medeverantwoordelijk voor het ongenoegen.
Dat Wilders zich beroept op onjuiste feiten, is volgens Monasch voor de PVV-kiezers geen punt. Het is de emotie en ik denk dat Monasch gelijk heeft met die constatering. Maar ook die houding draagt niet erg bij aan het beeld van de rationele kiezer. Integendeel, het bevestigt dat de (PVV-)kiezer 'rationeel irrationeel' handelt, zoals Caplan* betoogt.
De potentiële Wilders-stemmer denkt dat het goed is dat de PVV de problemen heeft aangekaart. Maar wie heeft wat aangekaart? De problematiek van de multiculturele samenleving werd door Bolkestein (VVD) veel eerder gethematiseerd als Fortuyn en Wilders. Het aan de kaak stellen van de problemen in het onderwijs is al evenmin een verdienste van de PVV.
“De communicatie van Wilders gaat over wie er opkomt voor de vrijheid van meningsuiting en optreedt tegen islamisering.” Maar feit is dat Wilders De Koran wil verbieden. Die maatregel staat haaks op de verdediging van het vrije woord. En wat het ongenoegen over de toegenomen inkomensongelijkheid in Nederland betreft: tot voor kort was de PVV voorstander van het afschaffen van het minimumloon. Die ideeën dateren nog van de kleutertijd van Wilders, beweert Kamerlid Van Dijck (PVV).
Kortom, de kiezer moet serieus worden genomen, maar anderzijds geeft Monasch tal van voorbeelden waaruit blijkt dat de kiezer irrationeel handelt.
[ *) Caplan, de auteur van ‘The Myth of the Rational Voter’ (Princeton/Oxford 2007), wijst er in dit verband op dat het idee van de rationele kiezer slechts een mythe is. Politieke oordelen van burgers zijn systematisch in strijd met gegronde wetenschappelijke kennis. Het meer-naar-de-kiezer luisteren is dan ook doodlopende weg. Ook erg interessant: Shafir & Tversky, Thinking through Uncertainty: Nonconsequential Reasoning and Choice, in Cognitive Psychology 24 (1992), pp. 449-474.
Geheel in lijn hiermee is het constatering dat de burger altijd al morde over politici. In zijn onlangs verschenen ‘Het aanzien van de politiek’ (Bert Bakker, 2009) geeft hoogleraar politieke geschiedenis Remieg Aerts een overzicht van klachten van burgers over de politiek. 1994: burgers vinden de politiek autistisch, onmachtig, banaal, stuurloos, ondoorzichtig en onbetrouwbaar. 1989: parlement is schijnvertoning. 1984: burgers herkennen de Kamer steeds minder als vertegenwoordiger. 1976: een grote kloof tussen politici en burgers. 1975: slijtage van de grondslagen van de parlementaire democratie. 1969: het parlement ziet er voor Piet Snot en het politieke bestel heeft afgedaan. 1966/1967: maatschappelijk onbehagen en wantrouwen jegens de politiek. Enz. ]