Opstelten en Van Baalen over de ontkenning van de Holocaust (9/6)

Opstelten, voorzitter van de VVD: “Je moet ver blijven van een discussie over de Holocaust. Het is gewoon strafbaar.” "Ik zal er in mijn partij alles aan doen om het ontkennen van de Holocaust strafbaar te laten blijven," aldus de VVD-er Van Baalen.
Analyse. Het hof heeft zich in 1995 uitgesproken over een zaak waarin iemand (een zekere Verbeke) pamfletten had verspreid waarin de Holocaust werd ontkend (NJ 1995/663). De vraag die centraal stond was of in de ontkenning van de Holocaust het recht van vrije meningsuiting zwaarder weegt dan het recht om niet te worden gediscrimineerd of beledigd. Het hof achtte niet aannemelijk dat de inhoud van de pamfletten waarin de Holocaust ontkend werd, discriminerend was wegens strijd met art. 137c, 137d of 137e lid 1 sub 1° en 2° Sr. Wel oordeelde het hof dat de pamfletten kwetsend en nodeloos grievend voor allen die in de Nazitijd van Duitse zijde zijn vervolgd en dat de verspreider ernstig tekortgeschoten was in de vereiste zorgvuldigheid jegens de toen vervolgden en hun nabestaanden door de wijze waarop hij zijn visie wereldkundig heeft gemaakt.In rechtsoverweging 10 oordeelt het hof “dat CIDI c.s. niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de inhoud van de pamfletten valt binnen de omschrijving van de zojuist genoemde bepalingen. Hierom is dus ook niet, voor zover in het raam van een kort geding vereist, aannemelijk geworden dat verspreiding van de pamfletten in strijd is met letter of geest van artikel 137c, 137d of 137e van het Wetboek van Strafrecht. Weliswaar wordt in de pamfletten alleen van de uitroeiing van Joden gerept, met voorbijgaan aan de vele anderen die zijn vermoord, maar een belediging, in de strikte zin van het woord, van Joden vindt het hof dat niet. Om dit aan de hand van een voorbeeld te verduidelijken: in de stelling dat de Joden geen enkele weerstand hebben geboden wordt weliswaar zonder argument stilzwijgend de opstand in het ghetto van Warschau geloochend, maar beledigend is dat op zichzelf niet, ongeacht of de bewering voortkomt uit onwetendheid, uit kwade trouw of uit iets anders.
11. Wel oordeelt het hof de pamfletten kwetsend en nodeloos grievend voor allen die in de Nazitijd van Duitse zijde zijn vervolgd, in het bijzonder voor hen die de verschrikkingen in concentratie- en vernietigingskampen hebben meegemaakt, en voor allen die slachtoffers uit die kampen van nabij kennen of hebben gekend.
12. Verbeke bestrijdt de juistheid van de gangbare geschiedschrijving met enkele, overigens betwiste, stellingen over details. In de wijze waarop hij zijn visie wereldkundig maakt behoort hij echter op zijn minst zorgvuldigheid in acht te nemen jegens de toen vervolgden en jegens de nabestaanden van vervolgden. De door hem erkende verschrikkingen in de Duitse kampen in de Nazitijd hadden hem tot extra zorgvuldigheid moeten aanzetten, want hij moest begrijpen dat die verschrikkingen lang en diep nawerken op overlevende slachtoffers en op degenen die de slachtoffers na staan. Verbeke heeft gezegd te betreuren dat de pamfletten ongevraagd in brievenbussen zijn terecht gekomen. Hij verwacht dat de pamfletten zijn zienswijze verspreiden en hem geld opbrengen. Het hof ziet hierin geen goede reden om onzorgvuldig te zijn jegens anderen.
13. In de vereiste zorgvuldigheid is Verbeke ernstig tekort geschoten: in het pamflet over Leuchter geldt dit naar het oordeel van het hof vooral voor de kop, voor de woorden "eerste wetenschappelijk objectieve rapport" in de regel daaronder en voor de woorden in de voetregel "vernietigt de Holocaust-theorie". In beide pamfletten over de zes miljoen geldt dit naar 's hofs oordeel voor punt 7, voor het woord zwendel in punt 44 en voor het woord Holocaustsupporters in punt 46. Ook overigens beoordeelt het hof punt 46 als grievend, maar bij deze uitlating over tegenwoordige toestanden weegt de vrijheid van meningsuiting zo zwaar dat het hof hieraan voorbij gaat.
14. In de pamfletten kwetst en grieft Verbeke anderen. Ook zonder zich kwetsend of grievend uit te laten had hij zijn mening volledig naar buiten kunnen brengen. Zo misbruikt hij de vrijheid van meningsuiting. Dit alles brengt mee dat CIDI c.s. een spoedeisend belang hebben te eisen dat aan het kwetsen en grieven een eind wordt gemaakt. Het opgelegde verspreidingsverbod is duidelijk genoeg en voldoende beperkt.
15. Het tweede gevorderde verbod behoeft wel een beperking. Zoals het hof heeft overwogen is er grond voor een verbod van uitlatingen die kwetsend of onnodig grievend zijn jegens slachtoffers van de Duitse vervolging in de Nazitijd, de jaren 1933-1945, en jegens nabestaanden van allen die in die jaren van Duitse zijde zijn vervolgd. In hun eis hebben CIDI c.s. - wat hun vrijstond - van deze betrokkenen slechts de groep van Joden en aanhangers van het Joodse geloof genoemd. Anderzijds beperken zij de groep niet tot vervolgden en nabestaanden van vervolgden. Voor een verbod dat zo ruim en algemeen luidt dat daarmee aan de groep betrokkenen anderen worden toegevoegd is evenwel geen plaats, omdat in dit kort geding geen uitlatingen aannemelijk zijn geworden die kwetsend of nodeloos grievend zijn jegens andere Joden of andere aanhangers van het Joodse geloof dan deze vervolgingsslachtoffers en nabestaanden van vervolgingsslachtoffers."
Opstelten en Van Baalen hebben dus ongelijk dat Holocaustontkenning strafbaar is. Het ging om de - onzorgvuldige - wijze van verspreiding.