Sarkozy en het boerkaverbod (24/6)

“De boerka is een aantasting van de vrijheid en de waardigheid van de vrouw. Daarvoor kan in een democratie als de Franse geen plaats zijn”, aldus president Sarkozy. Tegelijkertijd verdedigt Sarkozy ook het beginsel van de laïcité. Dat houdt in dat de staat alle overtuigingen respecteert en dat de staat zich neutraal opstelt in godsdienstkwesties.
Spreken die twee standpunten elkaar dan niet tegen? Een verbod betekent dat de overheid wel ingrijpt in een religieuze kwestie. Maar Sarkozy meent van niet: ‘de boerka is geen religieus symbool, maar een vernedering die sociaal contact onmogelijk maakt.’
Analyse. Sarkozy lost het probleem op door een herdefiniëring. Een boerka is geen religieus symbool, dus kan er ook geen sprake zijn van een botsing tussen een voorstel om boerka’s te verbieden en het beginsel van laïcité.
Het eerste punt is de conjunctie ‘maar’: die duidt op een tegenstelling, die er niet per definitie is. Een boerka kan ook een religieus symbool zijn, dat vernederend is en sociaal contact onmogelijk maakt.
Het tweede punt is dat er sprake is van een categoriefout. De essentie (het zelfstandig naamwoord ‘symbool’) wordt gelijkgesteld met een eigenschap van die essentie (het predicaat ‘vernederend’).
Het Centrale Raad van Beroep ging onlangs niet akkoord met een soortgelijke constructie. De rechtbank oordeelde dat het ontslag van een docente die om religieuze redenen collega’s en ouders een hand weigerde te geven geen kwestie van vrijheid van religie is, maar een kwestie van arbeidsrechtelijke aard. Het CRvB oordeelde anders: het ging in deze casus wel degelijk om de vrijheid van religie (7 mei 2009, LJN: BI2440).