Het gelijk van André Köbben (11/7)

André Köbben, emeritus hoogleraar antropologie*, wees onlangs op het volgende feit: “Eenieder die het ongeluk heeft in een min of meer belangrijke functie binnen ons staatsbestel terecht te komen, wordt daarmee vogelvrij en loopt de kans het mikpunt te worden van loze verdachtmakingen en smaad. Ik heb geruime tijd krantenknipsels verzameld die daarvan getuigen. Daarmee ben ik gestopt, want het werd dagwerk.” (NRC, 9.7.09)
Hij geeft daarom één recent, maar illustratief voorbeeld. “In haar column van 26 juni komt mevrouw Mees te spreken over de minister van Financiën. Die beweert, zegt ze, de absurd hoge beloningen van bankiers te verafschuwen, maar hij doet daar niks tegen. Dat zal wel komen omdat hij het eigenlijk helemaal niet erg vindt. Ter staving plaatst ze daarbij de volgende giftige uitspraken: ‘Zou zijn eigen hebzucht hem hierbij in de weg zitten? Hoopt hij dat hem aan het einde van zijn politieke loopbaan (dat inmiddels wel in zicht is) zelf een goudgerande toekomst in de financiële wereld wacht?’ Die zinnen staan halverwege haar stukje, en daar, kun je zeggen, zijn het nog maar veronderstellingen. Maar enkele regels verder, aan het einde van haar betoog, zijn die al werkelijkheid geworden. Want, zo is haar slotsom: ‘Geen wonder dat het graaien niet ophoudt.’ ”
Analyse. Hier valt niets tegen in te brengen. André Köbben slaat de spijker op de kop. Hij illustreert zijn stelling met een kritiek op Mees, die ik deel (zie hier, m.n. punt 10 en 11). Op deze site en elders zijn inderdaad veel voorbeelden te vinden van de persoonlijke aanval. Laat ik me beperken tot de categorie 'de persoonlijke aanvallen van hoogleraren op politici'. Op Rtl.z diskwalificeert Arnold Heertje regelmatig menig politicus zonder nadere inhoudelijke argumentatie. Afshin Ellian doet hetzelfde in Elsevier (“dit kabinet bestaat uit fanatici en egoïsten”). En wat te denken van Etty: CU-politici zijn “geen rationele politici, het zijn fanaten, fundamentalisten en tirannen”)?
Zelfs qua toon gematigde columnisten deinzen er (gelukkig slechts) incidenteel niet voor terug om het kabinet te diskwalificeren als ‘borderliners’ (Tonkens) of politici weg te zetten als lieden met een totaal gebrek aan betrokkenheid en verantwoordelijkheidsgevoel (Fresco). Die kwalificaties vervangen in beide gevallen het inhoudelijke argument.
Köbben was én is in zijn maatschappelijk engagement ook altijd buitengewoon kritisch, zoals onder meer blijkt uit het boek 'De onwelkome boodschap' (1999), maar dan ging en gaat het altijd om de inhoud en nooit om de man.
Ik vrees echter dat Köbben met zijn terechte kritiek een roepende in de woestijn is.

*) Dat staat overigens niet onder zijn ingezonden stuk, maar ik heb dit punt geverifieerd.