OM versus advocatuur 1: Ties Prakken (27/8)

“Er flakkert een ruzie op tussen het Openbaar Ministerie en de advocatuur”, schreef Ties Prakken, emeritus hoogleraar strafprocesrecht en advocate (Trouw, 14.8.09). “Een aantal advocaten heeft zich onvriendelijk uitgelaten over officier van justitie Koos Plooij, die volgens hen zo ijverig de misdaad aan het bestrijden is dat hij desnoods de waarheidsvinding tekort doet, door bijvoorbeeld ontlastend bewijs uit het dossier te houden.”
Het OM ontwikkelt zich in de richting van de rechterlijke macht (inclusief de daarmee verbonden objectiviteit en onafhankelijkheid van de politiek) tot zelfstandige dienst onder de minister die belast is met de misdaadbestrijding. Dat blijkt uit het optreden van officieren van justitie, die zich meer en meer opstellen als gedreven en partijdige crimefighters, met name in de grote strafzaken zoals die tegen veronderstelde maffiose criminelen en terroristen.
“Dat hangt dan weer samen met enerzijds de politieke en publieke belangstelling voor deze zaken, waarin het OM op de huid gezeten wordt door parlementariërs en journalisten, en anderzijds de omstandigheid dat juist in die zaken druk gebruik gemaakt wordt van bijzondere opsporingsmethodes zoals afluisteren en observeren en vormen van infiltratie. Dat zijn bij uitstek de opsporingsmethodes waarop de verdediging geen enkel zicht en weinig greep heeft.”
Prakken somt een aantal problemen op: het OM heeft een belang bij het niet volledig informeren van de verdediging, omdat het zijn informatiepositie wil afschermen; het OM zal niet meer prijsgeven dan strikt noodzakelijk is om tot een veroordeling te komen; het bewijs voor deelname aan een criminele organisatie is vaak vaag en speculatief; het gebruik van kroongetuigen, die zelf deel hebben genomen aan de criminele activiteiten en daarover bij de politie willen verklaren met strafvermindering als tegenprestatie, maakt de cirkel van moeilijk controleerbaar en mogelijk onbetrouwbaar bewijs rond; het optreden van anonieme getuigen en kroongetuigen leidt tot een groter risico van onbetrouwbaarheid.
De advocaat tast dan in het duister en zijn controlerende taak brengt mee dat hij dan de officier van justitie zeer kritisch volgt. Prakken: “Hij bouwt hypotheses over de totstandkoming van het bewijs en probeert die te toetsen. Dat hij daarbij soms een slag in de lucht slaat is onvermijdelijk. Natuurlijk is ook de woordkeus van de ene advocaat wat subtieler dan die van de andere. De structurele verscherping van de tegenstellingen, juist in de grote zaken, brengt een scherper debat met zich mee en het OM, dat met de politiek verantwoordelijk is voor die structurele verandering, moet daarover niet zeuren.”
Analyse. Even voor de duidelijkheid: het gaat het om uitspraken als ‘Plooij (officier van justitite, RR.) zou zijn moeder nog verkopen voor zijn carrière’ en ‘bijna jihadistische aanpak’. Dit zijn ad hominemargumenten: Plooij wordt weggezet als oplichter, zoals Harm Brouwer, de hoogste OM-baas, het uitdrukte. Dat is iets anders dan hetgeen Prakken aan de orde stelt, namelijk de polarisatie in (en rond) de rechtzaal.
Tien jaar geleden wijdde het tijdschrift ‘Trema’ ook al een heel nummer aan deze problematiek. De klachten over de advocatuur waren van dezelfde categorie als die van Prakken, maar dan (ook) in de omgekeerde richting: advocaten die onnodig veel getuigen oproepen; getuigen op het laatste moment op de zitting aanmelden; rechters wraken om niets, enz.
Prakken legt de schuld eenzijdig bij het OM: de laatste stelt zich op als ‘crime fighter’ en ligt zo advocaten dwars. Waarom het causale verband zo ligt, beargumenteert Prakken niet. Dat is weliswaar geen drogreden, maar het maakt haar argumentatie niet erg sterk. Het is vooralsnog een slag in de lucht. Ibo Buruma, hoogleraar strafrecht, wees er n.a.v. deze ruzie op het feit dat Fred Teeven zich destijds als officier van justitie ook profileerde als crime fighter, maar dat dit niet leidde tot de beschuldiging van het kaliber-Plooij. Is 'crime-fighter' dan de verklarende factor?