Schout en de onjuiste vergelijking (21/9)

Het Europees Parlement (EP) stemde september 2009 in met de herbenoeming van Barroso als voorzitter van de Europese Commissie. Adriaan Schout, hoogleraar en medewerker van Instituut Clingendael, meent dat Barroso een uitstekende voorzitter is (VK, 14.9.09). Barroso’s herbenoeming verliep niet vlot. Schout beschrijft de kritiek: zijn hele voorzitterschap verloopt eigenlijk al stroef; hij geldt als ambitieloos; hij schijnt alleen te luisteren naar de grote landen; het beleidsplan (dat hij van het parlement moest schrijven) werd weggezet als vaag en tandeloos.
Schout zet vraagtekens bij die kritiek: “Voordat geconcludeerd wordt dat het geharrewar duidt op Barroso's gebreken, moet bedacht worden dat zijn voorganger, Prodi, ook een moeilijk voorzitterschap had. Diens voorganger, Santer, heeft zelfs moeten aftreden. Er is iets dat de functie kennelijk behoorlijk compliceert. Wat voor capaciteiten heeft een voorzitter nodig, en heeft Barroso die?”
Elke voorzitter van de Europese Commissie zal worden geconfronteerd met een complex Europees krachtenveld. Een commissievoorzitter moet dat veld kunnen bespelen, aangezien de nationale ministers met hun politieke achterban en de verschillende fracties in het EP moeten instemmen met de commissievoorstellen.
Bovendien moet ook steun worden verkregen van lidstaten die niet altijd blij zijn met Europese inmenging. “Het verkrijgen van steun van vooral de grote landen kan moeilijk zijn. Cruciaal is tevens dat de interne markt zo ongeveer klaar is en elke verdere stap bevochten moet worden. De consensus dat Europese integratie goed is, bestaat niet meer.”
Met al deze obstakels moet een commissievoorzitter het Europese politieke spel beheersen, een perfecte timing hebben, soms met aplomb opereren, successen veelal aan anderen laten en vooral argumenten vinden waarmee iedereen kan instemmen.
Barroso is volgens Schout de juiste persoon om met dit complexe krachtenveld om te gaan. “Zijn ‘gebrek aan ambitie’ past bij het afgenomen Europees enthousiasme. Iemand met concrete Europese ambities zou vooral tegenstanders vinden. Toch heeft Barroso veel gepresteerd de afgelopen vijf jaar. Tegen de zin van Duitsland heeft hij energieliberalisering doorgevoerd en de samenwerking op justitie en binnenlandse zaken versterkt. Hij schroomde niet Frankrijk, Polen, Italië en Spanje onder druk te zetten vanwege hun protectionisme. De Commissie is voorzichtig doorgegaan met Turkije, waar landen als Duitsland op bevriezing aandrongen. Onder zijn invloed zijn gevoelige besluiten genomen, zoals de heroriëntaties van het Europese budget en het gemeenschappelijk landbouwbeleid.”
Barroso is pragmatisch ingesteld. Het gaat er vooral om hoe je doelen bereikt. Schout: “Het imago van saai, richtingloos en neigend naar de grote landen koestert hij misschien heimelijk. Intussen is de Commissie hervormd, heeft het EU-beleid verre van stilgestaan op grote onderwerpen en heeft de crisis niet geleid tot egoïstisch beleid van lidstaten zoals in de jaren '70 en '80.”
De conclusie van Schout is dan ook helder: aan Barroso’s capaciteiten om het Europese krachtenveld te bespelen, hoeft niemand te twijfelen.
Analyse. Op basis van de ontwikkelingen bij de twee voorgangers van Barroso concludeert Schout dat er iets is dat de functie van voorzitter behoorlijk compliceert. Schouts argumentatie lijkt me onjuist.
Ten eerste gaat de vergelijking niet op. Prodi, die van 1999 tot 2004 voorzitter was, lag met name onder vuur omdat hij zich te veel (of beter: voornamelijk) met Italië en de Italiaanse politiek bezighield. “Een ramp”, zei een anonieme ambassadeur later in de Financial Times. “De meest onsuccesvolle voorzitter die de Commissie ooit heeft gekend”, aldus Charles Grant, directeur van het Centre for European Reform in dezelfde krant. Hij hield zich vanuit Brussel veel te veel met de Italiaanse binnenlandse politiek bezig, stelde Hans-Gert Poettering, fractieleider van de Europese christen-democraten en conservatieven. (NRC, 19.11.2004).
Santer moest niet aftreden, maar hij hield de eer aan zichzelf. Maar toegegeven, dat was waarschijnlijk een kwestie van tijd. De parallel lijkt duidelijk: de commissie-Santer werd verweten de zaken te veel op hun beloop te hebben gelaten. Het was ‘reageren’ in plaats van ‘regeren’. Maar men dient niet te vergeten de Commissie-Delors een veelheid van nieuwe taken op zich nam zonder het ambtelijk apparaat daarbij aan te passen. Ook al stonden Delors en zijn Commissie in hoog aanzien, toch was er ook onvrede over Delors’ eigenmachtig optreden. Mede daarom gaf de Europese Raad na het vertrek van Delors de voorkeur aan de notoir zwakke Santer. Met andere woorden, de keuze voor een zwakke kandidaat was een bewuste keuze en Santers zwakke optreden was een logisch gevolg van een keuze voor een zwakke kandidaat. Schout benadrukt nu juist dat Barroso wel een en ander heeft bereikt en dat zijn imago niet juist is.
De tweede reden dat Schouts argumentatie niet correct is, heeft te maken met de overhaaste generalisatie. Twee voorgangers ‘mislukten’, dus er is iets dat de functie kennelijk behoorlijk compliceert.