Verbrugge en de a-historische interpretatie (16/9)

Na ruim twee eeuwen van emancipatiebewegingen is de burger definitief bevrijd, stelt filosoof Ad Verbrugge in Trouw. “Is dat een zegen of een last? Die vrijheid heeft de moderne burger namelijk ook volledig op zichzelf teruggeworpen.”
De vraag naar het einde van democratie betreft volgens Verbrugge het mogelijke einde van een dergelijke politieke representatie. Geen onbelangrijke vraag dus.
De huidige situatie is het resultaat is van een eeuwenlange emancipatiebeweging van de moderne burger. Die zette in met de Franse Revolutie in 1789 en voltrok zich in vier fasen van ieder ongeveer zestig jaar (twee generaties).
Verbrugge: “Die bevrijdingsbeweging kent grofweg het volgende patroon. De jaren van 1789 tot 1848 stonden in het teken van de juridische bevrijding van de staatsburger en het ontstaan van de centralistische natiestaat. De tweede periode tot 1910 behelsde de politieke bevrijding van de bourgeois, de sociale bevrijding van de burgermassa en de opkomst van de nationalistische staat. Van 1919 tot 1968 waren het algemeen kiesrecht, de politieke en sociale bevrijding van de burgermassa en het ontstaan van de nationalistische volksstaat de belangrijkste ijkpunten. En van 1968 tot 2001 hebben we te maken met het einde van de burgercultuur, de bevrijding van het individu en het ontstaan van de postmoderne globalistische verzorgingstaat.”

Mijn bezwaar tegen zijn betoog is dat er een betrekkelijk willekeurig aantal ontwikkelingen uit hun historische context wordt gelicht en vervolgens selectief wordt ingezet om het betoog te onderbouwen.
Neem bijvoorbeeld Verbrugges bewering dat ervaringen van ontaarding en vervreemding in de eigen leefwereld ertoe leiden dat de burger de politiek ging wantrouwen en waarom in 2001, mede daardoor, Fortuyn opkwam. “Mensen voelen zich op verschillende manieren miskend en niet meer gerepresenteerd door bestuurders en instituties.”
Die constatering lijkt me onjuist. Uit een inventarisatie van de conclusies van onderzoek naar klachten over de politiek blijkt dat de burger altijd al ontevreden was. In 1994 klaagden burgers over de politiek die zij autistisch, onmachtig, banaal, stuurloos, ondoorzichtig en onbetrouwbaar vonden. In 1989 leefde het idee dat het parlement een schijnvertoning was. Vijf jaar eerder, in 1984, herkenden de burgers de Kamer steeds minder als hun vertegenwoordiger. In 1976 werd een grote kloof geconstateerd tussen politici en burgers. Eén jaar eerder, in 1975 bleek er sprake te zijn van slijtage van de grondslagen van de parlementaire democratie. In 1969 had het politieke bestel afgedaan.
In 1966/1967 was er sprake van maatschappelijk onbehagen en wantrouwen jegens de politiek. Een jaar eerder, in 1965, bleek 40 tot 60 procent van de Nederlandse bevolking politiek apathisch. Verbrugge ziet deze historische context niet en duidt de hedendaagse onvrede ten onrechte als een a-historisch fenomeen.

Die kritiek geldt ook de historische periodes die Verbrugge beschrijft. Hij ziet ’68 als een revolutie. In zijn boek ‘Unser Kampf 1968 – Ein irritierter Blick zurück’ (S. Fischer Verlag) schetst deDuitse historicus Götz Aly echter een heel ander beeld. De beweging, waar hij destijds deel van uitmaakte, was niet alleen anti-burgerlijk, maar ook totalitair en autoritair. Aly constateert zelfs een zekere parallel met het nationaal-socialisme. “Ook die beweging was antiburgerlijk, had totalitaire en autoritaire trekken, was geobsedeerd door geweld en behept met het vriend-vijanddenken.” Deze ex-68’er geeft enkele sterke voorbeelden van de overeenkomsten tussen de nazi-ideoloog Joseph Goebbels en studentenleider Rudi Dutschke: “Net als Dutschke riep Goebbels in 1929 de academische gemeenschap op tot revolutionair bewustzijn, tot agitatie en actie.” Met talloze voorbeelden laat Aly zien hoezeer de strategieën van Dutschkes studentenbond een kopie waren van die van de nationaal-socialistische studentenbeweging.
Terugkijkend op 1968 concludeert Götz dat de democratisering, liberalisering en emancipatie allemaal processen zijn geweest die volgens hem door de beweging van 1968 eerder zijn vertraagd dan versneld. “De wet die verbood dat hotels tweepersoonskamers aan ongehuwden verhuurden, werd door minister Heinemann afgeschaft. Tolerantie? Het was opnieuw Heinemann die homoseksualiteit uit het strafrecht haalde. Emancipatie? Oswald Kolle, die uitlegde dat de vrouw in de slaapkamer ook zo haar wensen had, was geen 68’er”, aldus Aly. “Zelfs de mensen in de DDR, waar toch waarlijk geen revolte heeft plaatsgevonden, waren vaak geëmancipeerder dan de mensen in de Bondsrepubliek.” Geen revolutie dus, maar een langzame evolutie, die in Duitsland eigenlijk losstond van de 68-beweging.

“De emancipatiebeweging die begon in 1789 komt in de fase na 1968 ten einde”, zo gaat Verbrugge verder. “Als de abstracte bevrijding van het individu kan zij het beginsel van zelfbeschikking niet verder meer radicaliseren. Er is zogezegd geen vooruit meer in termen van vrijheid. Dit is het einde van de ontwikkeling van de moderne burger. Het markeert tevens de overgang naar het postmoderne individu voor wie de eigen subjectieve beleving van de werkelijkheid centraal staat.”
Met evenveel gemak kan men stellen dat er juist vanaf ongeveer 1970 sprake is van voortgaande democratisering van de samenleving, en van het onderwijs, van toegenomen welvaart en mobiliteit. En – in dit verband wellicht nog belangrijker – ook de mondigheid neemt toe. Die ontwikkeling zie je terug in het taalgebruik. "Het ABN was tot 1970 de onbetwiste taalnorm, maar vanaf die periode komen er verschillende normen op. Wellicht is het aantal sprekers van het ABN vergeleken met 1950 niet eens erg afgenomen. Maar de zestig procent, die vroeger zweeg in het openbare leven, wordt hoorbaar. Die kun je nu ook dagelijks op tv horen, in de politiek, in de scholen en in de universiteiten”, aldus de taalhistoricus Van der Horst.  Democratisering, zo stelt hij verder, is steeds duidelijker hoorbaar. Ook in die zin is 1968 alles behalve een overgang naar het postmoderne individu (althans, dat is dan mijn interpretatie.

“In Nederland zijn het eigen geweten, de eigen wil, de eigen kring en andere uitingsvormen van subjectiviteit altijd zeer sterk aanwezig geweest. Daardoor vormt ons land niet alleen het begin van de moderniteit in de 17 eeuw (de staat als republiek, godsdienstvrijheid, Descartes/Spinoza, de beurs), maar brengt zij dit principe van de moderniteit ook radicaal ten einde.”
De staat als republiek is in de optiek van Verbrugge één van de indicatoren die hij opvoert als het begin van de moderniteit. Historisch gezien is die bewering uiterst discutabel. In feite was de opstand tegen Spanje juist een middeleeuwse reflex tegen de moderniteit. De Hollandse burgerij verzette zich fel tegen moderne opvattingen zoals die door de Franse jurist Jean Bodin werden beschreven. Dat daardoor rond 1590 de Republiek zou ontstaat, is niet zozeer een bewuste keuze, maar vloeide voort uit een reactie van de Statenvergadering op een mislukt centraliseringsstreven van de landsheer. Die reflex tegen de moderniteit zou gedurende het gehele bestaan van de Republiek blijven bestaan, dus tot 1795.

De aanduiding van historische perioden heeft bij Verbrugge dan ook iets arbitrairs. Zo duidt hij bijvoorbeeld de periode 1789-1848 als het ontstaan van de centralistische natiestaat. Dat geldt wellicht voor de Franse natie, maar dat proces is niet te duiden als een algemeen patroon. Soms was er eerst een natie en dan een staat en soms was er eerst een staat en dan een natie. De Franse natie, om bij dit voorbeeld te blijven, valt niet samen met de Franse staat. Die laatste is veel ouder. De Franse natie is ongeveer even jong als de Italiaanse natie. Het overgrote deel van de Franse boeren sprak voor 1870 geen Frans. Pas in de periode 1870-1914 werden die boeren ‘verfranst’. Voor Groot-Brittannië geldt hetzelfde.

Neem de bewering dat de nationale overheid – niet zelden onder druk van Europa – zich uit steeds meer maatschappelijke sectoren terugtrekt.
Niet zelden onder druk van Europa? Voorzover het Europese richtlijnen betreft is die invloed beperkt. Slechts 23% komt uit Brussel. Het lijkt erop dat de Europese wetgever het meest actief was in de periode 1980-1992. Zo is het aantal geldende Europese verordeningen van 1600 in 1986 gehalveerd tot 800 in 2002. Ook wordt de Europese wetgeving vanaf het midden van de jaren tachtig veel minder gedetailleerd en is er ook veel meer discretionaire ruimte gelaten voor de lidstaten bij de implementatie van regels. Het hoogtepunt van de Europese regelproductie ligt rond 1986/87. Vanaf dat jaar neemt de productie geleidelijk af. Vanaf 1998 daalt het aantal wetten zelfs scherp.

Door zijn selectief gebruik van bronnen en zijn a-historische interpretatie daarvan, berust de feitelijke onderbouwing van zijn betoog op bepaalde punten op drijfzand.