Volksrechter Etty over de rechters in de zaak-Baran (24/9)

Na volksrechter Gerlof Leistra heeft nu ook een andere, zelfbenoemde volksrechter, Elsbeth Etty, uitspraak gedaan in de zaak-Rechters inzake SaHan B. Het vonnis verscheen in het NRC. “De rechterlijke macht kan niet omgaan met kritiek. Het is blijkbaar te moeilijk fouten toe te geven”, oordeelde Etty. “Dit is niet alleen ernstig met het oog op de maatschappelijke geschoktheid over deze zaak, maar leidt ook tot een verdere ondergraving van het vertrouwen in de rechtsgang. Britta Böhler, advocate en Eerste Kamerlid namens GroenLinks, heeft bij Pauw & Witteman een poging gedaan de volkswoede te bezweren met rechtstatelijke argumenten. Ik ben voor dit type argumenten altijd vatbaar. Politiek, media en publieke opinie moeten niet op de stoel van de rechter gaan zitten. De rechter mag niet voorbij gaan aan de belangen van een verdachte. Ook dat spreekt vanzelf. Maar als Böhler op deze juiste grondslag tot de conclusie komt dat er geen feitelijke aanwijzing is dat de rechters die B. lieten lopen een fout hebben gemaakt of hebben zitten slapen, verklaart zij kritiek op de rechterlijke macht simpelweg buiten de orde. Dat draagt niet bij aan herstel van het geschokte vertrouwen.”
Analyse. De column wordt in een jasje van redelijkheid gestoken: Etty is naar eigen zeggen altijd vatbaar voor rechtstatelijke argumenten en staat achter de Böhlers poging om de volkswoede te bezweren. Maar wie goed kijkt, ziet dat het hier slechts om nieuwe kleren gaat.
Etty geeft het standpunt van Böhler in P&W maar half weer. De advocate benadrukt dat we de feiten in de zaak niet kennen en zolang we de feiten niet kennen, valt er ook geen adequaat oordeel te geven over deze kwestie. En op dit moment - 22 september - kennen we die feiten niet.

Bovendien verwart Etty een premisse in de argumentatie van Böhler met de conclusie in haar betoog. Etty schreef: “De rechter mag niet voorbij gaan aan de belangen van een verdachte. Ook dat spreekt vanzelf. Maar als Böhler op deze juiste grondslag tot de conclusie komt dat er geen feitelijke aanwijzing is dat de rechters die B. lieten lopen een fout hebben gemaakt of hebben zitten slapen, verklaart zij kritiek op de rechterlijke macht simpelweg buiten de orde.”
De conclusie van Böhler is dat we geen oordeel kunnen geven over de wijze waarop de rechters de belangen van alle partijen hebben behartigd. De premissen die leiden tot deze conclusie, zijn:
1. Een rechter moeten de belangen van alle partijen behartigen.
2. We kennen de feiten niet.
3. Er zijn geen feitelijke aanwijzing dat de rechters die B. lieten lopen een fout hebben gemaakt.

De volgende argumentatiefout betreft de conclusie van Etty, dat Böhler kritiek op de rechterlijke macht simpelweg buiten de orde verklaart. Böhler zegt enkel dat wie de feiten in deze zaak niet kent, ook geen oordeel kan geven over (de rechters in) deze zaak. Zij beweert niet dat je geen kritiek mag hebben op de rechterlijke macht als zodanig.

Etty vindt dat de rechters opening van zaken moeten geven over hun afweging. Nog afgezien van de empirische vraag of daarmee de “exploitanten van de volkswoede, de populisten, de politieke profiteurs” ook op andere gedachten kunnen worden gebracht, gaat het Böhler in deze zaak niet om de ‘motiveringsplicht’ van de rechters. Böhler zou - denk ik - kunnen instemmen met de eis dat de rechters hun afwegingen moeten motiveren, maar dat ondergraaft Böhlers stellingname voor geen millimeter. Dat is namelijk een andere discussie. Böhler gaat in op de vraag of je een oordeel kan vellen over een zaak waarvan je de feiten niet volledig kent; Etty heeft het over de morele verplichting van rechters om hun afweging publiekelijk te motiveren. Nogmaals, dat is een andere discussie.