Andersson Toussaint vs. Stevens, Veen & Volleberg (4/10)

“In het rapport Marokkaanse jeugddelinquenten, een klasse apart? worden niet-sociaalwenselijke bevindingen wetenschappelijk weggemasseerd. Dat leidde tot opmerkelijke conclusies”, schreef Paul Andersson Toussaint, de schrijver van boek 'Staatssecretaris of seriecrimineel; het smalle pad van de Marokkaan’ in het NRC.
Volgens Andersson Toussaint masseerden de onderzoekers cijfers weg. Ze onderzochten ‘delictprofielen’ en wilden weten welke soort misdaden door welke groep jongens werden begaan. “Volgens hun onderzoek waren er ‘duidelijke etnische verschillen in delictprofielen’ te zien. 82,5 procent van de Marokkaanse jongens zat vast op verdenking van vermogensdelicten (zonder geweld), tegenover 49,4 procent van de Nederlandse jongens die weer hoger scoorden in de categorieën: geweldsdelicten, zedendelicten en brandstichting.”, aldus Andersson Toussaint.
Maar, zo gaat hij verder, in hun eigen onderzoeksresultaten komen ook andere getallen voor. Zo blijkt dat 45,3 procent van de Marokkaanse jongens een vermogensdelict ‘met geweld’ pleegde tegenover 22,7 procent van de Nederlandse jongens. “Een score die dus vrijwel twee keer zo hoog was. Dit kennelijk onrustbarende feit wordt verderop in het rapport door gegoochel met de delictprofielen weg gemoffeld. Door vermogensdelicten met geweld domweg niet als geweld te definiëren.” Daardoor lijken Nederlandse verdachten zelfs veel gewelddadiger zijn dan de Marokkaanse: 28,6 procent geweldsdelinquenten tegenover 10,9 procent. “Een kwestie van wetenschappelijk wegmasseren”, meent Andersson Toussaint
Volgens de onderzoekers zijn de Marokkaanse verdachten juist meer dan gemiddeld geïntegreerd in Nederland. Toussiant heeft echter kritiek op de wijze waarop de onderzoekers hebben vaststelden in welke mate iemand geïntegreerd is. Dat hebben ze aan de jongens zelf gevraagd aan de hand van vragen over de hoeveelheid contacten die ze met Nederlanders hebben, over de mate waarin de jongens zich op hun gemak voelden bij Nederlanders en in welke mate ze trots zijn op de Nederlandse cultuur. Dat kan leiden tot sociaal wenselijke antwoorden, waardoor de onderzoeksresultaten volgens Toussaint onbruikbaar zijn. Maar de onderzoekers denken daar anders over. ‘Door in verschillende analyses voor deze sociale wenselijkheid te controleren, is in dit onderzoek rekening gehouden met sociale wenselijkheid en kunnen de verschillen tussen de twee groepen jongens in preventieve hechtenis daarmee niet door sociale wenselijkheid verklaard worden’, schreven de onderzoekers. Foute boel, sneert Toussaint: “Dames en heren, dit is echt topwetenschap. Een klasse apart. En zo konden deze sensationele bevindingen toch wereldkundig gemaakt worden en kwamen ze landelijk in de publiciteit en haalden ze zelfs het Journaal.”

De onderzoekers reageerden vervolgens met een ingezonden brief in het NRC (3.10.09).
“Nederlandse jongens zaten in verhouding vaker vast voor zwaar geweld, zedendelicten en brandstichting. Volgens het classificatiesysteem van Van Kordelaar zijn dit zwaardere delicten dan vermogensdelicten met en zonder geweld, de delicttypen waarin Marokkaanse jongens zijn oververtegenwoordigd. Voor Nederlandse jongens was het percentage dat in voorlopige hechtenis zat voor een zwaar delict dus aanzienlijk groter dan voor Marokkaanse jongens. Dat betekent niet dat de impact van een tasjesroof niet enorm kan zijn. Wellicht verklaart de verontwaardiging van Andersson Toussaint over deze vermogensdelicten zijn felle reactie.”
De onderzoekers stellen verder dat ze hebben aangegeven dat Marokkaanse jongens verhoudingsgewijs vaker vermogensdelicten met en zonder geweld plegen. “Uit dossieronderzoek van H. van der Vinne blijkt dat er in de helft van de vermogensdelicten met geweld sprake is van bedreiging zonder dat er geweld wordt toegepast. Ook gaat het om diefstal gevolgd door licht geweld.”
Van wetenschappelijk wegmasseren is volgens de onderzoekers dan ook geen sprake.

Analyse. Was er sprake van “wetenschappelijk wegmasseren”? Het antwoord moet ontkennend luiden. De categorie vermogensdelicten bestaat uit afpersing en diefstal met geweld. Die laatste subcategorie bevatten delicten waarbij zowel geweld als geen geweld wordt gebruikt. Er valt niet alleen het geweld onder waarbij letsel ontstaat, maar ook het dreigen met geweld en het duwen en trekken. Het gaat in deze categorie min of meer om geld.
Dat deze categorie wordt afgezet tegen ‘geweldsdelicten’ (waarbij het louter om geweld gaat) is legitiem. Op pag. 20 van hun rapport geven de onderzoekers aan waarop het onderscheid tussen vermogensdelict (met en zonder) geweld en zuiver geweldsdelict is gebaseerd, namelijk dat de vermogenscomponent voorop staat.
Dat “vermogensdelicten met geweld domweg niet als geweld wordt gedefinieerd”, is volstrekt onjuist. Andersson Toussaint creëert een stroman.
Een ander kritiekpunt van Andersson Toussaint betreft de sociale wenselijkheid in de antwoorden van de Marokkaanse moeders en verdachten. De onderzoekers stellen daarover op pag. 50 het volgende: “Door in verschillende analyses voor deze sociale wenselijkheid te controleren, is in dit onderzoek rekening gehouden met sociale wenselijkheid en kunnen de verschillen tussen de twee groepen jongens in preventieve hechtenis daarmee niet door sociale wenselijkheid verklaard worden.” Waarom dit zo desastreus is voor het onderzoek, maakt Andersson Toussaint niet duidelijk. Dat kan hij ook niet. De onderzoekers hebben de sociale wenselijkheid gemeten (p. 3.3.2) op basis van de Marlowe-Crown Sociale wenselijkheidschaal (p. 26) en mede op basis daarvan uitspraken gedaan over de consequenties daarvan.
Andersson Toussaint maakt zich schuldig aan een persoonlijke aanval jegens de onderzoekers. Ten onrechte dus.

De zogenaamde expertdiscussie over dit onderzoek op het NRC was een regelrechte aanfluiting. Op een enkele uitzondering na had niemand het onderzoek begrepen. Voer voor later.