Kluveld en de dansende poppen van Cohen (19/10)

Cohen: wetenschappers moeten met orde aanbrengen in het islamdebat. Universiteit van Malaga.

Cohens berisping was duidelijk niet aan wetenschapster en columniste Amanda Kluveld besteed. De burgemeester “hoort helemaal niet te willen, dat wetenschappers laten zien hoe de gematigde islam in Nederland eruit ziet.” (Volkskrant, 17.10.2009)
Wat schreef Cohen eigenlijk? Het is de taak van de wetenschap om in het debat over de islam niet alleen de extreme, maar ook de gematigde islam naar voren te laten komen
Het maatschappelijk en politiek debat over de islam verloopt volgens Cohen, burgemeester van Amsterdam, niet bepaald op rolletjes (Volkskrant, 15.10.2009). In de eerste plaats ligt de focus bijna uitsluitend op fundamentalistische, of streng orthodoxe varianten van de islam, waarbij de aandacht uitsluiting uitgaat naar het gevreesde terrorisme, de geradicaliseerde jihad en geweldprediking. Maar de islam kent meerdere aspecten en die blijven sterk onderbelicht.
Bovendien wordt in de discussie ‘de islam’ vaak gekoppeld aan maatschappelijke problemen als criminaliteit, overlast en sociale misstanden. De doorsnee moslim die hier leeft en werkt, bepaalt in elk geval niet het beeld als het gaat over religie in de openbare ruimte.
Daarnaast komen wetenschappelijke kennis over en inzichten van de islam en de moslimwereld opvallend weinig aan bod komen in de meningsvorming. De wetenschap is om orde te brengen in dit debat.
“Zeker in ons land, waar op het gebied van islam en moslimwereld sinds jaar en dag aanzienlijke wetenschappelijke expertise aanwezig is, moet dat mogelijk zijn. In dat opzicht zijn islam en moslimwereld géén nieuwe verschijnselen in de westerse samenlevingen. De wetenschap heeft hier uitdrukkelijk een taak en zou zich mede ten doel moeten stellen al die verschillende opvattingen en inzichten die er in en over de moslimwereld bestaan, nadrukkelijk over het voetlicht te brengen, zodat het maatschappelijk debat evenwichtiger wordt.” Nu, zo constateert hij, valt ‘de wetenschap’ er als het ware tussenuit. “Dat de wetenschappelijke kennis onvoldoende tot politiek en media doordringt, lijkt mij overigens zeker niet alleen een zaak van politici en journalisten, maar ook één die de wetenschap zich moet aantrekken.” Het belang van deelname aan het maatschappelijk debat wordt niet altijd gezien als de corebusiness van de universiteit, maar hier ligt wel degelijk een maatschappelijke taak. Cohen had behoefte aan wetenschappelijke antwoorden op vragen als ‘welke observaties bestaan er over de juistheid van de beelden die hier van islam en moslimgemeenschappen bestaan?’; ‘is de islam werkelijk een gewelddadige religie?’; ‘wat betekent het dat Nederland islamiseert?’; ‘is dat ook zo?’; ‘Levert het gevaren op of kan het bijdragen aan de ontwikkeling van onze samenleving?’; ‘verdraagt de islam zich met de democratische rechtsstaat?’ en ‘hoe willen moslims in Nederland leven, wat vinden zij belangrijk en waar liggen hun loyaliteiten?’
Tot zover Cohen. Volgens Kluveld hoort hij “helemaal niet te willen, dat wetenschappers laten zien hoe de gematigde islam in Nederland eruit ziet.” Een verrassende berisping van Kluveld. Zij reageerde met name op Cohens bewering op het oog dat de wetenschap nalaat om orde en evenwicht in het debat aan te brengen en op Cohens beschuldiging dat opiniemakers wetenschappelijke inzichten negeren.
Kluveld: “Het interessante aan dit verwijt is, dat Cohen politici en beleidsmakers ermee afschildert als volkomen afhankelijk van wat opiniemakers aan wetenschappelijke inzichten in het publieke debat laten doorsluizen. Negeren de belangrijkste opiniemakers een bepaald wetenschappelijk werk, dan zal de kennis die daaruit naar voren komt op geen enkele wijze doordringen tot het beleid.” In de woorden van Kluveld: politiek en beleid worden gestuurd door de waan van de dag. “Beleidsmakers, politici en bestuurders, door Cohen voor de enquêtecommissie over de Noord/Zuid-lijn als ‘allemaal amateurs’ aangeduid, zijn niet in staat om zelfstandig wetenschappelijke expertise over actuele beleidsthema’s te zoeken, te vinden en op waarde te schatten.” Cohen, zo gaat Kluveld verder, vindt het wenselijk dat opiniemakers en wetenschappers zich richten op de variëteit die de islam zou kenmerken, de doorsnee moslim die hier werkt en leeft. Dat gebeurt volgens Cohen niet voldoende en dat verwijt dat hij de wetenschap en de opiniemakers. “Die zouden iets anders moeten onderzoeken en andere meningen moeten ventileren. Dat mag Cohen uiteraard vinden. Het is alleen te hopen dat hij zich daarbij wel realiseert dat hij daar als bestuurder helemaal niets over te zeggen heeft en dat ook niet zou moeten willen. De maatschappelijke taak van wetenschappers kent een heleboel aspecten maar het naar de poppen dansen van bestuurders door welgevallige meningen te geven, de politiek-maatschappelijke agenda dienende onderzoeksvragen te stellen en bijbehorende gewenste conclusies te trekken, behoren daar beslist niet toe.”
Analyse. Het eerste verwijt dat men Kluveld kan maken, is dat zij een stroman aanvalt.
Cohen schreef: “Zeker in ons land, waar op het gebied van islam en moslimwereld sinds jaar en dag aanzienlijke wetenschappelijke expertise aanwezig is”, moet het mogelijk zijn dat de wetenschap “met haar pretentie van objectiviteit en waarheidsvinding” in staat mag worden geacht “om orde te brengen in dit debat”.
Kluveld maakte daarvan: “de maatschappelijke taak van wetenschappers kent een heleboel aspecten maar het naar de poppen (pijpen, meen ik aan) dansen van bestuurders door welgevallige meningen te geven, de politiek-maatschappelijke agenda dienende onderzoeksvragen te stellen en bijbehorende gewenste conclusies te trekken, behoren daar beslist niet toe.”
De vragen die Cohen stelde, zijn overigens neutraal van aard. Althans, er zit bij elkaar genomen niet een verdachte presuppositie in. Hooguit zo men de vraag ‘is de islam werkelijk gewelddadig’ is door de toevoeging ‘werkelijk’ minder neutraal. Ook kan in de notie ‘gewelddadig’ een normatieve component verborgen worden.