Lakeman vs. Boot (13/10)

Pieter Lakeman mocht het bij Pauw & Witteman (12/10) nog een keer komen uitleggen: waarom het goed was dat de DSB-bank het loodje had gelegd. Het faillissement was prima, zo meende de voorzitter van de stichting Hypotheekleed, omdat zijn leden daardoor hun geld sneller zouden terugkrijgen. Hij verwees naar de Tilburgse Hypotheekbank en de Van der Hoop Bankiers.
Aan de andere kant van de tafel mocht Boot, hoogleraar financiële markten, uitleggen waarom de ondergang van de DSB-bank een slechte zaak was, óók voor de leden van Lakemans stichting. Het draaide om de vraag hoeveel de activa (bezittingen) van de bank zouden gaan opbrengen. Veel, meende Lakeman. Weinig, meende Boot.
Analyse. Lakeman bediende zich bij de discussie van een fiks aantal persoonlijke aanvallen: “dat is absolute onzin…”, “onzin, u kunt niet rekenen…”, “u weet niet werkelijk niet hoe de cijfers liggen…”, “u moet alleen praten over zaken waar u iets vanaf weet…”, “u weet niet waarover u praat…” en “dat weet u misschien niet, maar ik wel…”.
Boot bleef op zijn beurt keurig argumenteren. Hij pareerde daarbij de aanval effectief met humor. Op de zoveelste persoonlijke aanval, reageerde hij met ‘ik ben het helemaal met u eens, maar niet inhoudelijk’. Retorisch gezien werkte dat perfect. Hij haalde Lakemans angel uit de zaak en poneerde vervolgens zijn voorspelling.
De verwijzing naar de Tilburgse Hypotheekbank en Van der Hoop ging niet op, meende Boot. Ook dat lijkt me terecht. Ten eerste gaat het slechts om twee voorbeelden. Eén over een bank die in 1983 failliet ging en een ander voorbeeld over een bank die in 2005 failliet ging. Los van dit punt is de waarde van een dergelijke inductief argument gering. Als een gebeurtenis zich twee keer met een zelfde effect voordoet, betekent dit niet dat de derde keer hetzelfde effect dus ook optreedt.