Out en de farma-adviseurs (20/10)

Wetenschap behoort per definitie objectief te zijn maar wetenschappers zijn dat zelden. Zij worden lang niet altijd uitsluitend gedreven door een wetenschappelijke honger naar de waarheid. De roep om onafhankelijkheid is daarom naïef”, meent Dr. Henk Jan Out, vicepresident van Global Clinical Research bij het Schering-Plough Research Institute in Oss (NRC, 14.10.09). Hij springt in de bres voor adviseurs die door de farma-industrie worden gefinancierd.
Een wonderlijk stukje. Out heeft namelijk het vermogen om zowat elke alinea te voorzien van een vette argumentatiefout.
Zo begint Out met een reeks verdachtmakingen aan het adres van wetenschappers en hij doet dat in combinatie met vaag taalgebruik. “Ook secundaire belangen als carrière en persoonlijke roem spelen een rol. Hun (wetenschappers, RR.) denken wordt bovendien bepaald door op dat moment heersende wetenschappelijke paradigma’s. Veel wetenschappers met een rotsvaste overtuiging van hun gelijk over een bepaald onderwerp zullen moeite hebben nieuw onderzoek dat niet in overeenstemming is met hun visie objectief te beoordelen. Door deze mensen ‘onafhankelijk’ te noemen, alleen omdat er geen financiële relatie is met het bedrijfsleven, miskennen we andere belangenconflicten die mogelijkerwijs zelfs een grotere invloed zouden kunnen hebben.” Out hanteert het Mogelijk-Grote-Gevaar-argument: er lijkt dus heel wat aan de hand te zijn (“veel wetenschappers…”), maar “mogelijkerwijs” ook bijna helemaal niets. Inhoudelijk gezien beweert Out eigenlijk helemaal niets.
Tegenover de universiteit staan de commerciële organisaties: die “hebben misschien wel veel meer verstand van zaken dan onafhankelijke instanties.” Misschien? Weer haalt Out vaag taalgebruik van stal.
De vergelijking tussen wetenschappers en farma-adviseurs gaat bovendien mank. Wetenschappers worden, hoe ambitieus en blind ze volgens Out ook zijn, geconfronteerd met het kwaliteitssysteem in de vorm van een peer-review; farma-adviseurs worden niet geconfronteerd met een extern kwaliteitssysteem, maar enkel met de intentie van een toenemend aan farmaceutische bedrijven.. De transparantie, waar Out zo lyrisch over is, blijkt te bestaan in het gegeven dat “steeds meer grote farmaceutische bedrijven inmiddels hebben aangekondigd de honoraria en namen van hun adviseurs te publiceren”.
Dan volgt nog een klassieke tu quoque-drogreden aan het adres van de critici: “het is nog maar de vraag of de criticasters die overal belangenverstrengelingen zien zelf ook niet gedreven worden door secundaire belangen.” Ook hier beweert Out weer niets. Elk tegenargument kan hij pareren met ‘ik zei alleen maar dat het nog maar de vraag is…. dus ik beweer niet dat het zo is’.
Wetenschappers zijn zelden objectief”, beweert Out. “Zij worden lang niet altijd uitsluitend gedreven door een wetenschappelijke honger naar de waarheid. Ook secundaire belangen als carrière en persoonlijke roem spelen een rol.” Maar als het gaat om adviseurs in de farma-industrie, dan blijkt die discussie over belangen ineens volledig zinloos te zijn: “de beïnvloeding door het secundaire belang valt niet te objectiveren.” En nadat Out eerst zelf de motieven van de wetenschappers verdacht heeft gemaakt door te wijzen op hun secundaire belangen, zet hij in de alinea over de farma-adviseurs de discussies over (de schijn van) belangenverstrengeling weg als “vaag”. (Buiten het kader van deze webstek: is die discussie echt vaag? Joop Bouma, een van de beste Nederlandse onderzoekjournalisten, laat in zijn boek ‘Slikken’ en in zijn stukken in de Trouw niets aan de verbeelding over.)
Tegenover de wetenschappers, die dus zelden objectief zijn en ook gedreven worden door carrière en roem, staan de farma-adviseurs. Die laatste categorie zijn de echt slimmen, legt Out uit. “Geneesmiddelenproducenten en overheden kunnen niet zonder adviseurs. Deze worden aangezocht vanwege een specifieke expertise die niet in de eigen organisatie aanwezig is. Steeds meer wetenschappers hebben een dergelijke rol waarbij hun consulterende functie contractueel vastgelegd wordt. Net als de loodgieter die mijn verstopte gootsteen repareert, worden ook medische adviseurs financieel gecompenseerd. Hoe meer verstand van zaken iemand heeft, des te groter de kans dat zo iemand door commerciële organisaties ingehuurd wordt voor deskundig advies. Aangezien de overheid bedrijvigheid door universiteiten aanmoedigt en het bovendien een welkome extra bron van financiering is, komen er steeds meer wetenschappers die onderzoek doen of als adviseur fungeren voor de industrie. Het wordt dus steeds moeilijker om ‘onafhankelijke’ experts te vinden omdat de echte kenners allang door de industrie ‘gestrikt’ zijn. In toenemende mate wordt de term ‘onafhankelijk’ dus equivalent met ‘minder kennis van zaken’.”
Hier introduceert Out een stroman, want niemand betwist de expertise van de farma-adviseurs. Het gaat ook niet om hun ‘expertise’, maar om hun ‘objectiviteit’.
Mogelijke belangenverstrengeling van artsen, wetenschappers en andere beleidsmakers in de gezondheidszorg blijft de gemoederen in Nederland bezighouden”, zo gaat Out verder. “Zo klinkt al geruime tijd de roep op de oprichting van een onafhankelijk fonds voor geneesmiddelenonderzoek omdat gemeend wordt dat financiering door de farmaceutische industrie de resultaten beïnvloedt. Ook was er onlangs grote ophef over ziekte- of geneesmiddeleninformatie door de farmaceutische industrie op publieke toegankelijke websites. Dit wordt door het TV- programma Radar en the Consumentenbond gezien als verhulde reclame voor geneesmiddelen. Zij bepleiten zelfs een verbod, wat ogenschijnlijk in tegenspraak is met de ongecensureerde werkelijkheid van het Internet en de mondige consument die zichzelf wel informeert.”
Waar die tegenspraak in zit, is mij volstrekt onduidelijk. De mondige consument, zo wijzen consumentenorganisatie er meer dan eens op, kan zich alleen informeren als de informatiebronnen juist zijn. Onjuiste informatiebronnen tasten in die zin de autonomie van de consument aan. Bovendien maakt Out zich schuldig aan een categoriefout. De categorie van ‘verboden’ wordt op een lijn gesteld met de categorie ‘feiten’.
Dan volgt de ‘wijzen-naar-anderen-truc’: “Opvallend is dat de publieke verontwaardiging vooral de farmaceutische industrie betreft en niet andere partijen die geld verdienen aan ziekte en gezondheid zoals artsen, ziekenhuizen en zorgverzekeraars. Belangenverstrengeling ligt ook daar op de loer. Voor artsen in maatschapverband is er een directe relatie tussen het aantal procedures dat ze verrichten en hun inkomsten. Daarnaast leveren sommige operaties of diagnostische activiteiten meer op dan andere. Ziekenhuizen en zorgverzekeraars hebben er vaak belang bij dat de goedkoopste behandeling gekozen wordt en dit hoeft niet altijd de beste optie te zijn.” Dat anderen ook financiële belangen hebben, vormt echter geen legitimatie voor de financiële belangen in de farma-industrie.
De discussie gaat zelfs verder, weet Out. “Onderzoekers dienen onafhankelijk te zijn om tot een objectief oordeel en een kwalitatief hoogstaand advies te kunnen komen. Deze uitspraak suggereert dat onderzoekers die geen relaties hebben met het bedrijfsleven objectief zouden zijn en dus betere adviezen geven. Is dat zo?” Weer fout. De zogenaamde suggestie zit helemaal niet in de bewering zelf, maar enkel in het hoofd van Out. ((Als a dan b) en (niet-a)), dan volgt daar logisch gezien helemaal niet (niet-b) uit. Het correcte argumentatieschema is (((als a dan b) en (niet-b), dan (niet-a))).
Commerciële organisaties hebben misschien wel veel meer verstand van zaken dan onafhankelijke instanties.” De toevoeging ‘misschien’ is heel betrekkelijk, want nog geen zin later stelt Out de retorische vraag: “wie weet er meer over zijn geneesmiddelen dan de fabrikant? Door daar categorisch geen gebruik van te maken wordt het gevaar gelopen dat de overheid, de universiteiten of patiënten essentiële informatie niet volledig meenemen in besluitvorming. Daarmee loopt de kwaliteit van besluitvorming risico.”
Out gooit er in het slot van zijn betoog nog een even een onjuiste vergelijking tegenaan. “Onafhankelijke adviseurs, prima, maar voor mijn gezondheid vind ik het belangrijker dat adviezen komen van goed geïnformeerde, integere experts.” De presuppositie is dat farma-adviseurs integer zijn, maar die vooronderstelling is juist het onderwerp van de discussie.
Out danst gevoeglijk om de hete brei heen.