Recensie: Kluun - God is Gek (2/11)

Kluun, God is gek. De dictatuur van het atheïsme. Uitgeverij Ten Have 2009. 2,50 euro.

“Waar komt de zendingsdrang van hedendaagse atheïsten toch vandaan”, wilt de schrijver Kluun weten. In het kader van de Maand van de spiritualiteit mocht hij daarover een boekje schrijven. In een notendop: God blijkt toch niet zo gek te zijn en het atheïsme heeft dictatoriale trekjes.

De schrijver, Kluun, debuteerde in 2003 met de uitstekend verkopende roman ‘Komt een vrouw bij de dokter’ en hij schreef daarna nog twee romans. Met name het verlies van zijn vrouw, die in 2001 aan kanker overleed, gaf de toenmalige marketeer een andere wending aan zijn leven. In de laatste dagen die hij met zijn vrouw doorbracht, de wittedoodsweken, blijkt dat zowel hij als zijn vrouw de religieuze ervaring ontdekten.
Terug naar de atheïsten. Ze hebben niet alleen een zendingsdrang, maar ook “een behoefte om van christenen een eendimensionaal en karikaturaal beeld te schetsen” en om creationisten af te schilderen als dogmatici die Darwin niet hebben begrepen (p. 47). Ook hebben ze “een dwangmatige behoefte tot beredeneren en bewijzen” waar het de spiritualiteit betreft. Een kwestie van oogkleppen, want die neiging ontbreekt als het gaat om zaken als aantrekkingskracht, schoonheid en liefde.
“Er zit iets ongeloofwaardigs in de overtuiging waarmee sommige atheïsten alles wat niet wetenschappelijk bewezen is, wegwuiven als prietpraat”, aldus Kluun. Het is nog erger: “met de stelligheid beweren dat er echt niets tussen hemel en aarde is, getuigt intellectueel gezien van (…) domheid”. Maar intellectuelen zijn niet dom, weet Kluun en hij ontmaskert ze genadeloos. Hij kan namelijk “niet geloven dat intellectuele atheïsten diep van binnen niet een deurtje open houden voor de mogelijkheid dat er wel degelijk meer is dan ze kunnen bedenken”. Een “zelfverklaard atheïstisch opiniemaker” zou voor de camera of in een column nooit durven te verklaren dat hij iets had meegemaakt dat zo vreemd en onverklaarbaar was. Dat zou haaks op zijn imago staan (p. 51). Kluun weet wel beter. De gemiddelde Nederlander ook: “63% van de Nederlanders bidt wel eens”.
Deze verwijten aan het adres van de atheïsten gelden uiteraard niet voor de schrijver van dit pamflet. Op een schaal van geloof-ongeloof van 1 (ik geloof niet, ik weet) tot 7 (de gedecideerde atheïst) zit Kluun naar eigen zeggen ongeveer in het midden (ik weet het niet zeker, maar ik ben geneigd om in een transcendente macht te geloven) (p. 52). Vlak na de dood van zijn vrouw, zat hij op 1, maar nu staat hij zichzelf een bescheiden twijfel toe.
Zijn argumenten hierover zijn helder. Hij “vindt het te toevallig dat de belangrijkste boodschappen in de heilige geschriften, of ze nu uit China, India of het Midden-Oosten komen, meer overeenkomsten dan verschillen vertonen” (p. 52). Ook kan hij zich “niet voorstellen dat tientallen eeuwen oude spirituele wijsheden (…) uit de lucht gegrepen zijn.” Hij is “ervan overtuigd dat er een kern zit in de filosofie” van denkers die stellen dat het ego een illusie is.
Het is voor Kluun een raadsel waarom Nederlandse intellectuelen in de bioloog Dawkins, de auteur van 'God als misvatting', “de definitieve bevestiging lijken te zien dat het atheïsme het ware geloof is” (p. 27).
Toch wijst hij wetenschap niet van de hand. “Misschien dat de zielen een tijdje na de dood vastzitten aan de overledenen, en dan opgaan in een geheel dat de energie in het universum vormt” (p. 53). De wetenschap lijkt het gelijk van Kluun te bevestigen: “NASA heeft bepaald dat het heelal bestaat uit 5% bekende materie, 25% onbekende materie en 70% nog onbekende, zogenaamde donkere energie…” Glad ijs, voegt Kluun eraan toe. En er is zelf een wetenschappelijke visie op bijna-dood-ervaringen, namelijk die van cardioloog Van Lommel (p. 42). Ook vroeg hij wetenschappers en filosofen naar hun opvatting over God. Bij geen van hen vond hij stellige uitspraken over het niet bestaan van God.
En, zo bezweert Kluun, er zijn verschijnselen die zo onverklaarbaar zijn, dat men er tot op de dag van vandaag geen rationele, psychologische of natuurkundige verklaring voor gevonden heeft (p. 49). Zoals gezegd, de atheïsten onder de opiniemakers weten dat ook wel, maar houden angstvallig hun mond.

Wat te denken van dit geschrift? Ik vrees dat Kluun echt op alle denkbare fronten tekortschiet. Zijn kritiek is (1) niet origineel; (2) zijn argumentatie is doorspekt met talloze drogredenen; (3) zijn opvatting over wat wetenschap inhoudt, is onjuist en (4) zijn retoriek is wel heel erg doorzichtig.

Laat ik met het eerste punt beginnen: zijn kritiek is niet origineel. Naar aanleiding van het streven om een atheïstische boodschap op bussen te krijgen, schreef Ger Groot, hoogleraar filosofie & literatuur én overtuigd ongelovige, dat het atheïsme een ware missioneringscampagne op de rails probeert te krijgen. “Zelfs het Humanistisch Verbond begint zijn radioboodschappen inmiddels met klokkengebeier, gevolgd door een boodschap die zijn weerga niet kent in mystieke zweverigheid: ‘Humanisten geloven in de kracht van mensen’. De overtuigde ongelovige in mij zou van minder het schaamrood op de kaken krijgen.” Hij verfoeit het streven van atheïsten, die zich geroepen voelen tot zo’n pinksterachtige getuigenispolitiek. (NRC, 9 februari 2009).

Veel storender is Kluuns gebrekkige argumentatie (mijn tweede kritiekpunt). Hij hanteert de persoonlijke aanval: diep in hun hart weten atheïsten volgens Kluun natuurlijk ook wel dat er meer is tussen hemel en aarde, maar ze kunnen dat niet toegeven vanwege hun imago. En wie echt beweert dat er niets tussen hemel en aarde bestaat, is gewoon dom. Naast hun gebrek aan integriteit en domheid is nog meer aan te merken op de atheïsten, namelijk hun dwangmatige behoefte om te bewijzen en beredeneren als het om spiritualiteit gaat.
Die opmerking is vreemd, want ook Kluun schermt met bewijzen en argumenten. Het zijn alleen uiterst gebrekkige argumenten. Zo ontduikt hij voortdurend de bewijslast met ‘ik ben ervan overtuigd dat….’, ‘ik kan me niet voorstellen dat …’ en ‘ik kan niet geloven dat…’. Met evenveel gemak kan een atheïst stellen dat hij ervan overtuigd is…. en dat zich niet kan voorstellen dat… (maar dat getuigt in zijn ogen van domheid). Het is volgens Kluun te toevallig dat religieuze boodschappen van verschillende ‘bloedgroepen’ op elkaar lijken, maar dat is geen valide argument om te concluderen dat er dus ‘een kern van waarheid’ inzit.
Ook op zijn keuze van experts is een en ander af te dingen. Kluun haalt een willekeurig aantal filosofen aan en concludeert dan dat geen van de grote filosofen stellige uitspraken doet over het niet bestaan van God. Maar filosofen als Russell en Schopenhauer - enkele doorgewinterde atheïsten én grote filosofen - ontbreken in zijn lijstje. Had hij deze bevraagd, dan had zijn boekje er toch echt anders uit moeten zien.
Ook het tritsje hedendaagse wetenschappers, dat Kluun opvoert, oogt merkwaardig. Een natuurkundige, een plasmafysicus en een biofysicus blijken ineens vanwege hun natuurwetenschappelijke scholing expert te zijn op het gebied van het wel of niet bestaan van God. Voor de buitenlandse wetenschappers, die Kluun aanhaalt, geldt hetzelfde: drie vooraanstaande beta’s en een historicus, die zijn pijl alleen op Dawkins richt, hebben niet per definitie een expertise op vraagstukken als ‘is er leven na de dood?’.
Kortom, Kluun maakt zich schuldig aan een autoriteitsdrogreden.
Paul Cliteur en Herman Philipse, twee hedendaagse Nederlandse filosofen, zijn de grote afwezigen in dit boek. Beide filosofen hebben uitgesproken opvattingen over het bestaan van God en hebben daarover ook een aantal buitengewoon interessante artikelen en/of boeken geschreven, nog los van de vraag of je het met hun opvattingen eens bent. Ze zouden gezien hun expertise uitstekend passen in de opzet van het boekje. In elk geval veel beter dan de willekeurig aangehaalde wetenschappers. Die wetenschappers en de aangehaalde filosofen passen toevallig allemaal prima in het betoogje van Kluun, maar met een evenwichtige argumentatie heeft dit alles niets te maken.
Dat 63% van de Nederlandse bevolking af en toe wel eens bidt, is weliswaar een aardig weetje, maar ook niet meer dan dat. Ik weet niet welke consequenties Kluun hieraan verbindt, maar al bidt 99,99% van alle Nederlanders af en toe, dan nog zegt dit niets over het hiernamaals of het bestaan van God. Het is in dit geval niet meer dan een populariteitsdrogreden: als 63% bidt….
Dat er verschijnselen zijn die zo onverklaarbaar zijn, dat men er tot op de dag van vandaag geen rationele, psychologische of natuurkundige verklaring voor gevonden heeft, levert strikt argumentatief gezien evenmin iets op. De constatering dat op dit moment iets niet kan worden verklaard, impliceert namelijk niet dat het nooit en te nimmer kan worden verklaard en dus per definitie onverklaarbaar is.
Kluun dekt zich bovendien behoorlijk in tegen kritiek door zich te bedienen van vaag taalgebruik als ‘sommige atheïsten vinden... ’, ‘misschien is het zo dat…’. Maar wie heeft Kluun nu precies op het oog? In zijn bescheiden literatuurlijstje wordt slechts één heuse atheïst opgevoerd: Dawkins.
En ook met dat ‘misschien’ kun je uiteindelijk alle kanten op.

Ik vrees, en dat is mijn derde kritiekpunt, dat Kluun niet begrijpt wat wetenschap is. In moderne wetenschappen onderzoekt men de waarschijnlijkheid van verklaringen. Als een wetenschapper geen principiële uitspraak wil doen, dan heeft dat (ook) te maken met het feit dat alle empirische kennis in principe voorlopig is. Ongeacht welk onderwerp zal een wetenschapper dus nooit een stellige uitspraak doen.
De vraag naar het bestaan van God is niet (louter) een kwestie van wetenschap, maar waarom bevraagt Kluun dan wetenschappers over deze kwestie.
Kluun schermt bovendien wel erg makkelijk met het predikaat ‘wetenschappelijk’, bijvoorbeeld ten aanzien van Van Lommels artikel over de bijna-dood-ervaringen. Herman de Regt en Hans Doorenmalen, twee filosofen die aan de Universiteit van Tilburg zijn verbonden, fileerden onlangs de wetenschappelijke pretenties van het onderzoek van Van Lommel en lieten er weinig van heel. Pseudowetenschappelijk was hun harde, maar terechte oordeel. Maar Kluun kent op dit terrein kennelijk geen enkele reserve.
De dogmatici hebben dus “een dwangmatige behoefte tot beredeneren en bewijzen” waar het de spiritualiteit betreft. “Een kwestie van oogkleppen, want die neiging ontbreekt als het gaat om zaken als aantrekkingskracht, schoonheid en liefde”, meent Kluun. Weer onjuist. Er is wel degelijk sociaalwetenschappelijk, biologisch en historisch onderzoek gedaan naar aantrekkingskracht van uiterlijk. Voor schoonheid geldt overigens hetzelfde verhaal.
De bioloog Richard Dawkins wordt door atheïsten onthaald als de grote held (Kluun: communeleider) van het atheïsme. Klopt dat beeld? Ondanks de indrukwekkende verkoopcijfers, was een aantal recensies zeer kritisch. Zo had én heeft Herman Philipse, een overtuigd atheïst, veel kritiek op het betoog van (de atheïst) Dawkins. Die laatste maakt in de ogen van Philipse voortdurend argumentatiefouten. Overigens weet hij te melden dat er sowieso veel kritiek op Dawkins is.
Interessant is dat juist Philipse zijn bewondering voor de gelovige filosoof Richard Swinburne niet onder stoelen of banken steekt, ook al is hij het niet eens met diens analyse.

Rest me nog het vierde kritiekpunt: Kluuns doorzichtige retoriek. Hij plaatst zichzelf op de schaal van ‘geloof-ongeloof’ ergens op het midden met een lichte voorkeur voor het sprituele. Zo’n middenpositie verleent de auteur of de spreker een aura van redelijkheid. Enerzijds wijst hij op fanatieke atheïsten die maar niet los kunnen komen van hun dogmatische opvattingen; anderzijds wijst hij op de vage en zweverige spiritualisten, die zelfs bij hem onpasselijkheid oproepen (p. 45). Kluun zelf zit dan als een wijze sis comfortabel in het midden. Nog voor hij ook maar één argument heeft gegeven, heeft hij zo - schijnbaar - het pleit al gewonnen. Maar wel erg doorzichtig.
Bij het NASA-verhaal hanteert Kluun een andere retorische truc. Eerst geeft hij het NASA-onderzoek weer en vervolgens geeft hij daar een eigen draai aan. Daarna voegt hij er meteen aan toe dat hij zich op glad ijs bevindt (hoewel hij er volgens mij dan al lang is doorgezakt). Ondertussen is het punt wel snel gemaakt zonder dat men hem daar op vast kan pinnen. Het was immers glad ijs, zo heeft Kluun op voorhand al ruimhartig toegegeven.
Ook komt de Linkse Kerk voorbij. Kluun praat wel graag over de media, maar hij interviewde slechts ‘Pauw & Witteman’, Pam, Holman en Van Nieuwkerk. Met deze personen denkt Kluun kennelijk de linkse media in voldoende mate te hebben beschreven. Toegegeven, het bekt lekker, maar het verband links-atheïsme ontgaat me.

Kortom, dit boekje is geen gelukkige keuze.