Van Dam vs. Wijfjes (11/12)

Was het vroeger echt beter?
“Van 1950 tot 1956 zat ik op de Cornelis Musiusschool in Delft. Dat was de tijd van strenge juffrouwen en meesters, meer meesters dan juffrouwen, van klassen van 40 of meer leerlingen, van sobere rechttoe-rechtaan-leermiddelen en strikt klassikaal onderwijs.” Aan het woord is voormalig medewerker van het CITO, Paul van Dam. “Behalve leerkrachten was er geen schoolpersoneel. Leerkrachten gaven onderwijs en daarmee uit. Vergaderen bestond nog niet en een visie ontwikkelen hoefde ook niet. De doelgerichtheid en doelmatigheid waren optimaal. Met geringe middelen, zowel wat betreft menskracht als leermiddelen, realiseerde men indrukwekkende opbrengsten. (…) Wat men verlangde op het gebied van rekenen, taal, aardrijkskunde en geschiedenis is haast niet te geloven, zo moeilijk en zo veel. Ik heb het allemaal geleerd, want ik ben geslaagd voor het toelatingsexamen voor het St. Stanislascollege in Delft, terwijl ik toch kansarm was, want afkomstig uit een groot arbeidersgezin, en niet hoogbegaafd. Ik heb gewoon goed onderwijs gehad.”
Toen ging Nederland het onderwijs vernieuwen. En toen ging het volgens Van Dam fout met de kwaliteit van het onderwijs.
Tegen het ‘vroeger-was-alles-beter’-verhaal kwam een reactie van hoogleraar Huub Wijfjes (Vk, 9.12.09). Hij heeft op dezelfde school als van Dam, gezeten, maar hij deelt Van Dams enthousiasme niet. Maar anders dan Van Dam weet Wijfjes zeker dat het onderwijs op de Musius niet erg tot zijn succes bijgedragen heeft. “Ik heb gewoonweg geluk gehad.”, vertelt Wijfjes.”Wij hadden inderdaad meesters en juffen die mooie verhalen konden vertellen - vooral over de Bijbel - maar sommigen konden de orde alleen maar handhaven door rijtjes door onze strot te duwen en, als we dat niet wilden, erop los te slaan en kinderen in de hoek te zetten. In de ergste gevallen brachten ze een vervelende jongen aan zijn oor naar de bovenmeester, die vervolgens harde maatregelen nam, veelal ook in de richting van de ouders. Die werden gemaand de jongen harder aan te pakken. Bij de muzieklessen werd ik geslagen als ik buiten de toonaard zong. We dreunden heel wat rijtjes op met de armen stijf over elkaar, want dat was zo'n beetje de enige werkvorm. Kennis stond vast en was er om uit je hoofd te leren, of je dat nu kon of niet. En de kennis was ook zo weer weg, want je creativiteit en persoonlijkheid werden er niet mee geactiveerd, eerder onderdrukt. Dat gold ook voor de eindeloze godsdienstlessen, die elke donderdag werden onderstreept met een verplichte biecht in de naast de school gelegen kerk.”
Het was volgens Wijfjes een eendimensionaal leersysteem waarbij een enkele jongen veel leerde, maar de meesten niet. “Het pedagogisch klimaat ademde sowieso de opvatting dat voor de meesten niet veel meer weggelegd kon zijn dan LTS of lagere tuinbouwschool. Een enkele leraar stond open voor jongens die intellectueel wat meer in hun mars hadden. Aan zo'n leraar heb ik te danken dat ik toelatingsexamen kon doen, want hij vormde in de laatste klas een groepje van zes talentjes en gaf hen extra bijlessen. Bij het toelatingsexamen bleek dat die extra lessen waarschijnlijk net voldoende zijn geweest om het minimumniveau te bereiken.”
De conclusie van Wijfjes is helder: “Mensen zoals Van Dam moeten dus oppassen hun eigen, toevallig gelukkige ervaring te idealiseren en in schril contrast te zetten met de nadelen van het huidige basisonderwijs. Ik ben zelf een heel eind gekomen, niet dankzij maar ondanks het katholieke onderwijssysteem van de jaren vijftig.”
Analyse. De persoonlijke anekdote is als bewijs doorgaans niet erg sterk. Wat voor Van Dam wellicht wel geldt, gaat voor Wijfjes kennelijk niet op. Bovendien kan men Van Dam de drogreden ‘post hoc ergo propter hoc’: na elkaar, dus door elkaar. Eerst onderwijs, daarna maatschappelijk succes, dus het onderwijs is de oorzaak van het succes.