Cuperus over oud-havo-scholier Wilders (31/1)

“Oud-havo-scholier Wilders dendert als een tornado door de finesses van de cultuurgeschiedenis en de rechtsstaat heen. Maar hij heeft wel het monopolie op islamkritiek.” Deze observatie kwam van de hand van Volkskrantcolumnist Cuperus, die tevens verbonden is aan het wetenschappelijk bureau van de PvdA (de Nederlandse SP.A).
Analyse. Het gaat mij om de toevoeging ‘oud-havo-scholier’. In de column van Cuperus is die kwalificatie strikt argumentatief gezien volstrekt irrelevant. Toch staat die opmerking er niet voor niets bij. Kennelijk wil hij aangeven dat Wilders' opvatting samenhangt met een denkniveau op havo-niveau. Echte denkers hebben natuurlijk een abstractieniveau op atheneumniveau.
(Echte denkers, zoals Cuperus, belanden overigens ook heel vaak op deze site.)

Het hellende vlak van Wilders (Zwagerman & Nieuwenhuis) (30/1)

Het hellend vlak komen we ook in de discussie over de vervolging van Wilders tegen. Zo vreest Zwagerman dat als Wilders veroordeeld wordt iedereen elkaar in Nederland gaat aanklagen. “Als je de lijn van het gerechtshof gaat voortzetten, dan komen er een heleboel mensen in aanmerking om te worden gedagvaard en vervolgd.” Dat dit in de praktijk niet zal gebeuren, heeft volgens Zwagerman te maken met de fundamentele rechtsongelijkheid in ons land.
Hij krijgt met zoveel woorden bijval van prof. Nieuwenhuis (Leiden). Het is een gelukkig toeval dat Dante en Voltaire zich niet kunnen verantwoorden voor het hof wegens hún diskwalificerende opmerkingen over de profeet, maar anders werden ook zij vervolgd (VK, 29.01.09).
Analyse. Het hellend vlak houdt in dat een en ander van kwaad naar erger gaat. Na de vervolging van Wilders zijn de Voltaires (Nieuwenhuis) en eigenlijk iedereen in Nederland (Zwagerman) aan de beurt.
Bestaat er een reden toe om dit aan te nemen? Zwagerman en Nieuwenhuis hebben feitelijk nog niets bewezen. Ze wijzen enkel op een mogelijk scenario.
Bovendien oordeelde de rechtbank een paar maanden geleden heel anders over een spijkerharde en beledigende column (LJN: BD2957, Rechtbank Amsterdam, 02-06-2008). “De rechtbank acht deze tekst op zichzelf beschouwd beledigend voor joden. (…) Uit de jurisprudentie van het EHRM kan worden opgemaakt dat de bescherming die in dit kader aan de pers moet worden geboden, van bijzonder groot belang is. Hoewel ook de pers de goede naam en rechten van anderen in ogenschouw dient nemen, heeft zij de cruciale functie informatie en ideeën van openbaar belang uit te dragen. Journalisten moeten de ruimte worden gelaten te overdrijven en zelfs te provoceren. Artikel 10 EVRM beschermt tevens het recht op vrijheid van artistieke expressie. Niet alleen heeft de pers het recht informatie en ideeën van openbaar belang uit te dragen, het publiek heeft het recht deze te ontvangen. Het EHRM kent de pers daarin een grote vrijheid toe in het licht van artikel 10 EVRM, omdat ‘were it otherwise, the press would be unable to play its vital role’ of ‘public watchdog’.”
Bovendien, zo zei de rechtbank ging het om een satirische column en dan ligt de zaak toch ook weer anders. “In columns, meer nog dan in andere soorten teksten, mag van een zekere mate van overdrijving, scherpte en ridiculisering sprake zijn.”Dit arrest ‘blokkeert’ het argument van het hellend vlak.

Fennema en de persoonlijke aanval (29/1)

De wachters van het kwaad

In verreweg de meeste gevallen zijn Wilders’ uitspraken gericht tegen de Islam, stelt de politicoloog prof. Fennema (UvA). “Dat is religiekritiek die niet strafbaar gesteld mag worden. Wat opvalt bij lezing van de uitspraak van het hof is het gebrek aan rechtsfilosofische scholing bij de rechters van het hof, een mogelijk gevolg van het grotendeels afschaffen van deze discipline in de juridische opleidingen in Nederland uitspraak.”
Analyse. Als Fennema niet aangeeft waar het gebrek aan rechtsfilosofische scholing uit blijkt, dan is zijn opmerking enkel een persoonlijke aanval jegens de rechters van het hof. De opmerking die aan zijn sneer voorafgaat, biedt - strikt argumentatief gezien - onvoldoende grond om dat gebrek uit af te leiden. Het hof heeft enkel aangegeven dat een aantal uitspraken van Wilders binnen het bereik van een aantal artikelen uit het wetboek van strafrecht valt. En dat is één van de drie redenen om tot vervolging over te gaan.

Wilders over Wilders (28/1)

“Ik sta hier omdat ik uw hof en de rechtsstaat respecteer.” Met deze woorden richtte Wilders (PVV) zich tot de rechters van het Hof, die zich moesten gaan buigen over de vraag of de PVV-voorman wel of juist niet vervolgd moest gaan worden. Kennelijk was Wilders’ pleidooi niet erg overtuigend, want inmiddels heeft het Hof besloten dat vervolging plaats dient te vinden.
“Vooropstaat dat niemand boven de wet staat. Ik vind echter wel dat een politieke discussie in de politieke arena gevoerd moet worden, in de Tweede Kamer en dus niet in de rechtszaal”, ging Wilders verder. “Er hebben bij de afgelopen verkiezingen een half miljoen mensen op mij en mijn partij gestemd en ik kom op voor de belangen van die burgers. Datgene wat ik doe vloeit rechtstreeks voort uit mijn partijprogramma, op grond waarvan die mensen mij en mijn partij hun stem hebben gegeven. In het politieke debat ben ik helder, stevig, fel en soms hard. Ik stel me daarbij altijd één doel en dat is: blijf binnen de kaders van rechtsstaat en wet. Dat is voor mij essentieel. Daar staat tegenover dat ik nu al vier jaar mijn vrijheid kwijt ben, vanwege lieden die zich niet aan de wet willen houden.”
Wilders vond dat hij ruimte moest krijgen om te zeggen wat hij wilt. “Als volksvertegenwoordiger vind ik echter dat je alles moet kunnen voorstellen. Een voorbeeld is het voorstel dat ik heb gedaan om artikel 1 uit de Grondwet te schrappen. Wanneer zelfs een volksvertegenwoordiger dat niet kan, dan kan niemand het. Natuurlijk hoort daarbij een fel debat, maar wanneer een volksvertegenwoordiger de mogelijkheid ontnomen wordt alles voor te stellen wat hij wil, dan is een parlementaire democratie een wassen neus.”
Hij benadrukte dat hij “niets tegen mensen heb. Ik heb niets tegen groepen mensen en ik heb ook niets tegen moslims. In het verleden heb ik alle Islamitische en Arabische landen bezocht en ben daarbij altijd prachtige en vriendelijke mensen tegen gekomen. Wat ze gemeenschappelijk hadden is dat ze allemaal moesten lijden onder dictatoriale regimes en ik heb in die landen dan ook gevochten tegen de vervolging van journalisten, intellectuelen en vrouwen. Ook in Nederland heb ik moties ingediend met de strekking om homoseksuele moslims te beschermen en het tuig aan te pakken die daags na de moord op Theo van Gogh moskeeën in brand staken. Dit soort dingen komen echter niet in de media.”
Wilders besloot zijn pleidooi met de statement dat hij altijd binnen de kaders van de wet was gebleven.
Analyse. Echt sterk zijn de argumenten van Wilders niet. Het argument “er hebben bij de afgelopen verkiezingen een half miljoen mensen op mij en mijn partij gestemd” is niet relevant voor de vraag of Wilders vervolgd dient te worden. Het gaat dan om de vraag of Wilders uitspraken in principe een strafbaar feit kunnen opleveren. In principe, want de rechtbank zal zich over die inhoudelijke vraag moeten gaan buigen.
Ik stel me daarbij altijd één doel en dat is: blijf binnen de kaders van rechtsstaat en wet.” Die intentie kan dan wel aanwezig zijn, maar dat neemt niet weg dat een gedraging zonder die intentie toch een strafbaar feit oplevert.
Daar staat tegenover dat ik nu al vier jaar mijn vrijheid kwijt ben, vanwege lieden die zich niet aan de wet willen houden.” Dit is een argumentum ad misericordiam. Wilders doet een beroep op de emotie (ik word al jaren bedreigd), maar ook dat argument is niet relevant voor de beantwoording van de vraag of vervolging aan de orde is.
“…dat ik niets tegen mensen heb.” Dit argument levert een contradictie op, want elders schreef Wilders, dat er – als het aan hem lag – “geen islamieten meer in Nederland komen”. Ook schreef hij dat “geen moslimimmigrant er meer bij” mag. Hij spreekt dus wel degelijk over personen.
Kortom, sterk is Wilders weerwoord niet.

Ellian (alweer) over Wilders (27/1)

In de Volkskrant (26.1.08) mocht prof. Ellian zijn column uit Elsevier nog eens uitgebreid overdoen. Het ging uiteraard over de uitspraak van het Hof over de vervolging van Wilders (PVV).

“Het Amsterdamse Hof heeft Geert Wilders ongevraagd veroordeeld zonder dat een eerlijk proces is gevoerd.” Deze kop is misleidend, want Wilders is niet veroordeeld. Het ging om de vraag of Wilders zich voor rechtbank zal moeten verantwoorden of niet. Het OM zich er geen brood in; het Hof wel. Wellicht bedoelde Ellian ‘veroordeeld’ niet in de letterlijke zin, maar in de zin dat het Hof Wilders de facto veroordeelde met deze vervolging.
De toevoeging ‘ongevraagd’ is dubieus. Feit is dat Wilders wel zijn zegje mocht doen (en dat ook heeft gedaan).

“En dat zonder verdachte, zonder zitting, zonder strafrechtelijke aanklacht, zonder requisitoir, zonder pleidooi en zonder verklaring van getuige-deskundigen. Expliciet doet het Hof meermaals uitspraken over Wilders’ uitspraken – en veroordeelt hem.” Het Hof heeft gemotiveerd aangegeven waarom vervolging (dus niet: veroordeling) aan de orde is. Dat dit zonder zitting gebeurt (Wilders is overigens wel gehoord) en zonder requisitoir etc. is niet vreemd. Het ging immers alleen om de vraag of Wilders zich in de toekomst moet verantwoorden voor de rechtbank.
Volgens het Hof vielen enkele uitspraken onder een strafbare wetsbepaling, verbiedt het EVRM de vervolging van politici niet per definitie en is het algemeen belang gediend met een duidelijke uitspraak over waar grenzen liggen. Dat waren de redenen voor vervolging. De rechters zullen vervolgens moeten uitmaken of Wilders een wettelijke grens heeft overschreden.

“Unverfroren schrijft het Hof: ‘De ontoelaatbaar geoordeelde meningsuitingen van Wilders werpen een zodanige blokkade in het maatschappelijk debat op dat moslimgelovigen feitelijk van deelname aan dat debat worden uitgesloten alleen vanwege hun geloof. Daarin ligt het strafrechtelijk verwijt aan Wilders, die met zijn harde en algemene diskwalificaties handelt in strijd met de grondvoorwaarde van een stabiele democratie.’ Moet Wilders worden bestraft wanneer hij hard oordeelt? Of wanneer moslims niet op tv komen en geen opiniestukken schrijven?”
Hier vertekent Ellian het standpunt van het Hof. Het ging niet om de vraag of Wilders moet worden ‘bestraft wanneer hij hard oordeelt’. Met deze bewoordingen vertekent Ellian het standpunt van het Hof.

Als het Hof zich had verdiept in de Kamerstukken rond de betreffende wetsartikelen, dan had het geweten met welke voorzichtigheid het had moeten handelen. Volgens de Memorie van Antwoord (1969/1970) moet de toepassing van deze strafbepalingen minimaal zijn, om drie redenen:
1. het strafrecht kan slechts een geringe bijdrage leveren aan het oplossen van maatschappelijke spanningen;
2. het strafrechtelijk optreden kan tot verscherping van maatschappelijke spanningen leiden en
3. de onnodige strafrechtelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting is verwerpelijk.
Dit zijn drie wethistorische redenen om Wilders niet te vervolgen.”

Ellian poneert hier enkel. Het ‘dus’ in de laatste regel suggereert een logica die er niet is. Bovendien had deze MvA niet betrekking op vervolging, maar op de veroordeling.

“Waar ligt volgens het Hof de grens? Moet de politie morgen alle boeken van schrijvers als Oriana Fallaci (die veel scherper tegen de islam tekeer ging dan Wilders) uit de bibliotheken halen? Er zijn wetenschappers die ervan overtuigd zijn dat Mohammed geen historische figuur is, dat de islam geen oorspronkelijke religie is, dat de islam de waarden van andere religies niet respecteert, dat de Koran niet meer is dan een mengelmoes van christelijke en joodse teksten vermengd met pre-islamitische Arabische legenden. Moeten we die wetenschappers allemaal vervolgen omdat zij daarmee de ziel van de moslims beledigen en hun godsdienst bespotten?” Dit is het hellend vlak: als Wilders' uitspraken verboden worden, dan volgen er meer.
Bovendien, het ging niet om een wetenschappelijke verhandeling over de Koran, maar om een speech van een politicus met specifiek woordgebruik en een bepaalde toon.

Het verzinnen van een standpunt (26/1)

De PVV van Geert Wilders eiste zaterdag 24 januari 2009 een spoeddebat met minister Hirsch Ballin en Eberhard van der Laan. Inzet van het debat: de omstreden islamitische prediker Khalid Yasin moet naar de gevangenis of hij moet het land worden uitgezet. Yasin zei volgens een bericht in het AD dat Geert Wilders gegeseld moet worden voor zijn stelselmatige beledigingen van moslims en de islam. Yasin was al omstreden met uitspraken als “homoseksualiteit bestraft moet worden met de dood”, “bestaat Osama bin Laden?” en “het AIDS-virus was uitgevonden in een Amerikaanse laboratorium” en dat was de zoveelste omstreden uitspraak.
De PVV blies hoog van de toren. “Ongelooflijk”, zei PVV-Tweede Kamerlid Sietse Fritsma, “hij moet of de gevangenis in, of meteen uit Nederland worden verwijderd.”
Elsevier nam het bericht van het AD over en meldde dit gewraakte woorden in een bericht, dat leverde 300 boze reacties richting de islam in het algemeen en Yasin in het bijzonder.
Als de boze brievenschrijvers echter ook nog even op de site van het NRC gekeken hadden, lazen ze echter iets heel anders. Het AD had de woorden van de Yasin verkeerd vertaald. Hij had het over een juridische tik op de vingers. Van geseling was geen sprake. Bovendien, zo zei Yasin, staat de moslimgemeenschap er slecht voor en is het ook geen wonder dat men in Nederland spreekt over „die Marokkaanse jongeren”. Voor de vrome, fundamentalistische moslims had hij ook een boodschap: “wees niet zo vervuld van je eigen gelijk. De islam is géén religie van kluizenaars.” In dezelfde lezing parafraseerde hij John F. Kennedy: “Deze natie wil weten wat één miljoen Nederlandse moslims kunnen doen voor hun land.” De islam, stelde Khalid Yasin, is een boodschap van “tolerantie, respect en sociale hervorming”. Het is volgens hem juist de Westerse samenleving die moslims de beste mogelijkheden tot ontplooiing biedt. “Kom bij mij niet aan met die onzin dat je niet wil gehoorzamen aan de kafirs (ongelovigen)”.
Kortom, er was dus een vertaalfout gemaakt en voor de PVV was daarmee de kous af, aldus het PVV-kamerlid Fritsma.
Ook dit bericht leverde een stroom van boze reacties in Elsevier op. De teneur was nu dat Yasin een geslepen vos is, die handig over respect en tolerantie praat, maar ondertussen het tegendeel bedoelt en voorstaat.
Analyse. Het maakt dus eigenlijk niet uit wat Yasin zei en zegt. Als hij zegt dat Wilders gegeseld moet worden, dan moet hij vervolgd worden. Als hij tolerantie en respect predikt, moet hij ook geweerd worden, omdat hij een dubbele agenda heeft.

Ellian over de vervolging van Wilders (25/1)

In het geval van de uitingen van Geert wilders kan een rechter volgens Ellian niet of nauwelijks tot een overtuigende beslissing komen (Elsevier, 23.1.09). “Althans een beslissing die door een groot aantal deelnemers kunnen worden gedragen. Omdat het hier uiteindelijk om de opinies van iemand gaat.” (…) “Geef de tekst van Wilders aan vijftig vooraanstaande juristen, en je krijgt tegengestelde beoordelingen. Ook zal door dit type delicten het gezag van de rechter op een onaanvaardbare wijze worden aangetast.”
Vervolging leiden tot rechtsongelijkheid, aldus Ellian. “Pim Fortuyn werd niet vervolgd voor soortgelijke aangiftes. De machtsuitoefening dreigt er zo zeer willekeurig uit te zien.”
Wie de beschikking van het Hof in Amsterdam leest, ontkomt volgens Ellian niet aan het oordeel dat het Hof de noodzakelijke grenzen van voorzichtigheid heeft overschreden. “Ze hebben zelf in hun enthousiasme ook de grenzen van ‘fair trial’ geschonden. Zonder een duidelijk afgebakend eerlijk proces is Wilders eigenlijk al veroordeeld. En dit was noch inzet noch taak van het Hof.
Kortom, ook de rechter is niet in staat de grenzen van opiniedelicten aan te duiden. Maar het besluit van het Openbare Ministerie gaf wel de grenzen van de vrije meningsuiting aan.”
Analyse. Ellian argumenteert voornamelijk waarom Wilders niet veroordeeld kan en dient worden. Maar is dat aan de orde? Het gaat om de vraag om Wilders vervolgd moet worden, nog los van de vraag of hij veroordeeld kan of moet worden.
Het Hof geeft drie overwegingen om principieel te vervolgen. Wilders’ uitingen zijn naar Nederlands recht strafbaar zijn, zowel door hun inhoud als door de wijze van presenteren. Een eventuele strafvervolging c.q. veroordeling toelaatbaar is volgens de normen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarop gebaseerde rechtspraak van het Europese Hof. En er is een algemeen belang aanwezig is om in het maatschappelijk debat een duidelijke grens te trekken.
De rechtsongelijkheid (Fortuyn werd niet vervolgd) is wel een argument dat betrekking heeft op de vervolging. Nog los van het analogieverbod in het strafrecht, had Ellian echter moeten beargumenteren waarom het argument van het Hof (er is een algemeen belang) in dit verband niet aan de orde is.
(N.B. Opvallend is dat in alle artikelen in Elsevier geen enkele link te vinden is naar dit arrest. Vreemd, want zelfs naar het commentaar in de Wallstreetjournal vindt men een link. De zaak waar alle commentaren om draaien, moet men zelf zoeken. Op deze site staat hij wel.)

Economen en de kloof tussen 'is' en 'ought' (24/1)

Er moeten terug naar ouderwetse waarden, houdt Marcel Pheijffer, hoogleraar Forensische Accountancy aan de Universiteit Leiden, ons voor. Dit houdt in: sparen voor mindere tijden en nazaten; aflossen van een hypotheek; beleggen met geld dat je ook kunt missen en dat je niet hoeft te lenen en beloningsafspraken maken die recht doen aan geleverde inspanningen en die recht doen aan de totale maatschappelijke context. Kortom, “genoegen nemen met minder groei”. Waarom? “De crisis leert dat het anders moet.”
Arnold Heertje, emeritus hoogleraar economie, mocht op de voorpagina van de Spits uitleggen waarom de kredietrcrisis “een godsgeschenk is” (De Pers, 5.1.09). “De crisis brengt een loutering teweeg. We kunnen nu reageren op de perverse prikkels, zoals het doorverkopen van hypotheken”, aldus Heertje, die in het artikel als topeconoom wordt gepresenteerd. “Gezondheid, leefbaarheid en duurzame energie, we moeten echt inzetten op zaken die echt belangrijk zijn. Denk aan elektrische auto’s, het waterprobleem oplossen, op andere manieren bouwen.” Volgens Heertje is 2009 een kansjaar waarin allerlei vliegen in een klap te vangen zijn. “Kleinschaligheid is de boodschap.”
Als het consumentenvertrouwen daalt, is dat geen ramp. “Dat betekent dat consumenten minder schulden hebben en meer gaan sparen. Materiële consumptie is alleen maar prima als daar een verbetering van de leefbaarheid tegenover staat: minder files, minder milieuvervuiling, meer open ruimte en meer natuur.”
Elders merkte de econoom op dat ook de materiële consumptie een welverdiende klap krijgt. “Helemaal niet erg als er maar meer leefbaarheid tegenover staat. Dat Nederlanders toch 100 miljoen de lucht inschieten als vuurwerk, omdat 31 december ineens 1 januari wordt, illustreert slechts dat door het onderwijs ons intellectuele niveau beneden de maat is geraakt.”
Zijn Rotterdamse collega, prof. Ingolf Dittman, meent op zijn beurt dat de overheid zijn handen moet afhouden van bonussen. Er is een paar excessen die alle aandacht opeisen. “Maar ik mis de the big picture. Draai het eens om: aandeelhouders gebruiken de hebzucht van topbestuurders ook om hen voor zich te laten werken”, aldus Dittman.
Analyse. De drie hoogleraren economie doen ieder op zich uitspraken die normatief van aard zijn: mensen moet sparen (Thissen); materiële welvaart mag alleen als de leefbaarheid erop vooruitgaat (Heertje) en de overheid moet van de bonussen afblijven (Dittman).
De vraag is dan waarop deze economen hun normatieve expertise baseren. De drie wijzen enkel op bepaalde feiten en dat is precies de reden waarom hun argumentaties volledig ontsporen. Die feiten kunnen namelijk nooit een volledige basis vormen om tot een normatieve conclusie te komen. De crisis leert ons niets over wat we moeten doen. Wat we moeten doen is niet afhankelijk van de crisis (feiten), maar van waardering van de gevolgen van de crisis (de normatieve evaluatie van die feiten). De ene econoom waardeert de feiten anders dan de andere. Daarom komen deze economen ook tot verschillende conclusies.
De economen maken zich dan ook schuldig aan de ‘is-ought’-drogreden. De kern van deze drogreden is dat men, populair gezegd, normen uit feiten afleidt. De economische expertise van Heertje, Thissen en Dittman levert echter geen meerwaarde op voor normatieve conclusies. Op het normatieve gebied hebben ze geen bijzondere expertise en ook in die zin hebben hun particuliere voorkeuren geen enkele wetenschappelijke meerwaarde. Zelfs op hun vakgebied worden vraagtekens gezet. Dat deed bijvoorbeeld Henk Folmer, hoogleraar algemene economie (Wageningen). Hij wijst er zelfs op dat economische wetenschap ernstig tekort schiet en dat de hedendaagse economische modellen niet werken, omdat de economen geen raad weten met vertrouwen. En deze kredietcrisis is een echte vertrouwenscrisis.

Emile, Schelfhout en het Houtlosserdilemma (23/1)

De kleine Emile, net één jaar geworden, vertoeft wellicht onrechtmatig in België. Het manneke is een Congolese weesje, werd door Els Schelfhout meegenomen uit Congo onder het mom van medische redenen. Schelfhout is senator voor het CD&V én heeft al een adoptiekind (DS, 13.1.09). Ze weet dus wat de procedure inhoudt. Namelijk dat de adoptieouders na een korte cursus van twintig uur vervolgens twee tot vier jaar moeten wachten, voordat ze een kind aangeboden krijgen. Zelf een kind uitzoeken, een vrije adoptie, is in strijd met het verdrag van Den Haag ter bescherming van de rechten van het kind en dat verdrag heeft België in 2005 ondertekend.
Analyse. Hier lijkt me sprake van een Houtlosserdilemma: elke optie die Schelfhout kiest, wordt haar aangerekend. Hoe zit dat? Schelfhout zag het weesje, dat toen zelfs nog geen naam had, en wilde dat kind het weeshuis besparen. Ze had twee opties. De eerste optie was meenemen naar België. Dat is de optie die zij koos em dat kwam haar op scherpe kritiek te staan, onder meer van het SP.A-kamerlid Else de Wachter (DS, 14.1.09): “het is onbegrijpelijk hoe mevrouw Schelfhout bewust de decreten aan haar laars lapt. (…) Regels zijn er om toegepast te worden, ook al is dit niet altijd even aangenaam.”
"Ik wil ook mijn afkeuring uiten over deze manier van handelen", zei Vera Van der Borght Open VLD). "Een politicus die vertrouwd is met de wetgeving en met de maatschappelijke gevoeligheid van de adoptieproblematiek zou toch beter moeten weten." En Mieke Volgels, voorzitster van Groen!, ging nog een stap verder: ''Indien zou blijken dat mevrouw Schelfhout van haar positie als senator misbruik heeft gemaakt om dit visum te verkrijgen, dan begrijp ik dat dit voor heel wat kandidaat-adoptieouders choquerend is." (Nieuwsblad)
Stel nu dat Schelfhout het volgende had gezegd. “Ik zag daar het weesje, dat – naamloos – naar het weeshuis zou verhuizen. Ik kon hem meenemen, omdat ik in de positie ben om hem een beter leven te gunnen. Ik weet waar ik aan begin, want ik heb al een adoptiekind. Mijn materiële situatie vormt evenmin een beletsel en emotioneel wil en kan ik dat kind opnemen in ons gezin. Maar… ik doe dit niet. Ik wil me netjes aan de wet houden, want ik vind het belangrijker dat ik die regeltjes en de bizarre procedure (2 tot 4 jaar wachten) volg, dan dat ik Emile laat opgroeien in een liefdevol gezin. Regels zijn regels, ook al deugt de procedure absoluut niet. Dat is belangrijker dan een menswaardig bestaan voor Emile.”
Met zo’n redenering zou Schelfhout eveneens zwaar worden bekritiseerd. Dus wat zij ook doet, het is nooit goed. Zie hier een variant van het Houtlosserdilemma.

Tonkens vs. Truijens over klassenverkleining (22/1)

Klassenverkleining: wenselijk?

Columniste Evelien Tonkens hield een pleidooi voor kleine klassen, maar ze kon daarmee een andere columniste, Aleid Truijens, niet overtuigen. Uit een grootschalig onderzoek van McKinsey uit 2007 zou blijken factoren als klassengrootte en het hier fel bediscussieerde aantal lesuren totaal onbelangrijk zijn voor de leerprestaties. In scholen in landen die in de Pisa-rankings steevast hoog scoren (Hongkong en Korea) treft men grote klassen aan. Uit het onderzoek van McKinsey blijkt dat goede leerprestaties leiden afhankelijk is van de selectie van de allerbeste studenten voor het lerarenberoep; van een goede opleiding en van het stellen van hoge eisen. “Drie dingen die we in Nederland niet doen”, aldus Truijens.
Tonkens was op haar beurt niet overtuigd door de opmerkingen van Truijens. “In een artikel uit 2004 onderzoeken Annevelink e.a. effecten van het Nederlandse beleid van 1997. Omdat er van echte klassenverkleining dus nauwelijks sprake was, trekken ze conclusies over de effecten via een hypothetisch model. Een klas van 30 leerlingen met twee opgeleide docenten geldt in hun onderzoek als een klas van 15. Met één opgeleide en een onopgeleide docent geldt het als een klas van 30. Op basis van zulke vergelijkingen doen ze uitspraken over de effecten van klassenverkleining. Over echte verkleining gaat het dus nauwelijks.”
Het McKinsey-rapport, zo gaat Tonkens verder, “signaleert weinig positieve en soms negatieve effecten van klassenverkleining. Het gaat echter over situaties waarin klassenverkleining met gelijkblijvend budget werd doorgevoerd. Er wordt dus op andere zaken bezuinigd. Logisch dat dat geen succes is. Het zegt niets over kleinere klassen. Het zegt alleen iets over kleinere klassen plus onderwijsverslechtering.”
Analyse. Truijens beweert dat uit het McKinsey-rapport blijkt dat klassenverkleining geen effect heeft op leerprestasties. In het rapport wordt overigens wel een uitzondering gemaakt: “the available evidence suggest that, except at the very early grades, class size reduction does not have much impact on student outcome” (p. 14).
Maar ook Tonkens’ verwoording van de bevindingen in het McKinsey-rapport laat te wensen over. Het McKinsey-rapport signaleert niet “weinig positieve en soms negatieve effecten van klassenverkleining”. Er zijn 112 studies gedaan. Negen lieten een positief effect zijn, maar uit 103 studies bleek dat er geen verschil of zelfs slechtere resultaten behaald werden na klassenverkleining. De positieve effecten blijken dus slechts uit een handjevol studies, maar het gros van het onderzoek wijst in een andere richting. Tonkens wekt de indruk dat er - zij het weinig - positieve effecten zijn. Die verwoording is beslist onjuist.
Volgens Tonkens werd er in landen met klassenverkleining op andere zaken bezuinigd. “Logisch dat dat geen succes is. Het zegt niets over kleinere klassen.” Logisch? Het is geen kwestie van logica. Het feit dat er bezuinigd werd, kan een verklaring zijn dat klassenverkleining geen effect heeft. Maar een andere verklaring kan zijn dat klassenverkleining sowieso niet werkt. Dat zal dan uit verder en nader onderzoek moeten blijken. Het is niet vanzelfsprekend.
McKinsey zelf geeft als verklaring dat door klassenverkleining er meer docenten nodig zijn. En die hebben niet allemaal de gewenste kwaliteit. En de kwaliteit van de docenten was één van de drie allesbepalende factoren voor beter onderwijs.

Van Boxtel & Greve over Zeeman (21/1)

Oxford
“Geschiedenisonderwijs biedt wel degelijk een chronologisch overzicht en is minder naïef over het aanleren daarvan dan Michaël Zeeman is”, aldus Carla van Boxtel en Maria Grever. Beide zijn hoogleraar aan het Centrum voor Historische Cultuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam.Wat was er aan de hand? Volgens Michaël Zeeman worden nieuwe generaties leerlingen tijdens hun schoolopleiding ‘weliswaar geconfronteerd met afwisselend ludieke en moralistische wetenswaardigheden omtrent het verleden, maar van de volgorde en samenhang der formatieve gebeurtenissen hebben zij geen kaas gegeten’.
Maar volgens de beide hoogleraren heeft Zeeman “kennelijk zelf geen kaas gegeten van het huidige geschiedenisonderwijs. Zijn opmerkingen getuigen ook van grote naïviteit over de wijze waarop je een chronologisch overzicht van historische feiten kunt leren.“Want al geruime tijd presenteren de geschiedenisschoolboeken voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs namelijk keurig het chronologisch overzicht dat Zeeman zo wenselijk acht. “Op het eindexamen geschiedenis voor vmbo, havo en vwo staan toetsing en het kunnen gebruiken van die overzichtskennis zelfs centraal. Alleen op scholen waar geschiedenis met aardrijkskunde wordt geïntegreerd in het leergebied mens en maatschappij wordt vooral thematisch gewerkt. “Er zijn natuurlijk wel problemen in het huidige geschiedenisonderwijs, maar die worden vooral veroorzaakt door het beperkte aantal lesuren geschiedenis, de toenemende integratie van mens- en maatschappijvakken, het feit dat 80 procent van de leerlingen na hun 15de jaar geen geschiedenisles meer krijgt en de overheidsingrepen: van tijdvakken en canons tot musea.“Denkt Zeeman nu echt dat als een leerling in het NHM één keer chronologisch ‘de’ geschiedenis van Nederland doorloopt, hij huiswaarts keert met de gewenste samenhangende overzichtskennis? Kennis van chronologie en historische feiten die beklijft, betekenisvol is en gebruikt kan worden, vraagt om meer dan alleen een chronologische presentatie van de leerstof en overhoren van jaartallen. Het vraagt om concretisering, het leren van allerlei abstracte begrippen, het actief leggen van verbanden en voortdurende herhaling en toepassing van het geleerde. Aan die overzichtskennis kun je beter werken met een docent die de leerlingen goed kent en zijn vak beheerst, en die tijd en ruimte krijgt om zich op vakdidactisch gebied verder te bekwamen. “
Analyse. Hebben de hoogleraren hier terecht een punt gemaakt? Strikt argumentatief in elk geval niet. Alleen op scholen waar geschiedenis met aardrijkskunde wordt geïntegreerd, is sprake van thematisch onderwijs, zo stellen zij. Of Zeeman ongelijk heeft, hangt echter niet af van het feit dat er scholen zijn waarin niet thematisch gewerkt wordt, maar van de hoeveelheid scholen waarin niet thematisch gewerkt wordt. Hetzelfde geldt voor hun argument dat schoolboeken een chronologisch overzicht geven. Dat is echter niet van belang. Het gaat om de vraag op hoeveel scholen met boeken werken, waarin een chronologisch overzicht gegeven wordt.“Denkt Zeeman nu echt dat als een leerling in het NHM één keer chronologisch ‘de’ geschiedenis van Nederland doorloopt, hij huiswaarts keert met de gewenste samenhangende overzichtskennis?” Van Boxtel en Greve vragen zich dat af, maar het antwoord stond al in het stuk van Zeeman waarop zij reageren. “Het NHM moet een van de instrumenten worden die kennis van het Nederlandse verleden bevordert.” Eén van de instrumenten… Kortom, de beide hoogleraren vertekenen het standpunt van Zeeman.

Zeeman en het tautologische argument (20/1)

“Het Nederlands Historisch Museum”, stelt Michael Zeeman, “moet een van de instrumenten worden die kennis van het Nederlandse verleden bevordert, en daarmee inzicht daarin en op grond daarvan een vorm van betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor de samenleving en haar cultuur” (VK, 8.1.09). Daar valt volgens hem weinig op af te dingen. Doorn in zijn oog is dat de beide nieuwe directeuren van het museum niets voor een chronologische opstelling voelen. “Daar staan zij niet alleen in: het idee van een canon alleen al is talrijke cultuurfilosofen een gruwel en er zijn nogal wat pedagogen die betogen dat het leren van jaartallen of het leggen van verbanden tussen verschillende historische gebeurtenissen nefast is voor de ontwikkeling van de kinderziel.”
Het NHM dient thematisch te worden ingericht. De thema’s zijn: ‘ik en wij’, ‘land en water’, ‘rijk en arm’, ‘oorlog en vrede’ en ‘lichaam en geest’. “Blijkbaar gaat het de heren directeuren om de tegenstellingen – en waar sprake is van tegenstellingen, duikt vroeger of later (trouwens, ook een thematiek die ontbreekt, ‘vroeger en later’) het esthetisch naargeestige begrip ‘spannend’ op. Wie enigszins thuis is in de filosofie van de geschiedenis, stelt vast dat wij hier als uitgangspunt een vulgarisering van het gedachtengoed van de Duitse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel ontmoeten, de grootvader van het marxisme, de overgrootvader van het socialisme. De dynamiek van de geschiedenis bestaat in diens visie uit een these die op een antithese botst, waarop die beide worden opgeheven naar een synthese.
“Nu ja, moet men gedacht hebben, dat NHM komt bij ministeriële beschikking toch al zowat in Duitsland te staan, dus waarom dan geen Duitse geschiedsfilosofie gekozen? Omdat die in deze vorm tegelijkertijd te kinderachtig en te algemeen is. De bedoeling van het NHM was niet om de wanprestaties van het onderwijs nog eens dunnetjes over te doen, maar om die te corrigeren.”
Tegenstellingen zijn echter in de geschiedenis van alle landen, elk instituut en ieder individueel mensenleven aan te wijzen. “Reduceer je die tot nietszeggendheden, waar de joligheid en de meligheid vanaf walmen, dan geef je aan wat je ambitie is met de opdracht van het NHM: geen enkele.”
Weliswaar heeft iedereen de mond vol van burgerschap, “maar zodra er instrumenten ontwikkeld moeten worden om daar een bijdrage aan te leveren, duiken de praatjesmakers uit dat debat weg.”
Volgens Zeeman hebben ze er gewoon geen zin in.
Analyse. Ik heb zelden zo’n warrig betoog gezien en het valt dan ook niet mee om de argumentatiestructuur te verhelderen.
De eerste premisse is: “er zijn nogal wat pedagogen die betogen dat het leren van jaartallen of het leggen van verbanden tussen verschillende historische gebeurtenissen nefast is voor de ontwikkeling van de kinderziel.”
De tweede premisse is: het NHM gaat uit van tegenstellingen.
De derde premisse is dat de idee van tegenstellingen ontleend is aan de Duitse geschiedsfilosofie. De thema’s bestaan uit tegenstellingen, en tegenstellingen komen we ook in het werk van Hegel tegen. Dus daarom koos men voor Arnhem, want die stad ligt – in de ogen van een Amsterdammer - in Duitsland.
De vierde premisse is dat de idee van tegenstellingen – in deze vorm - te kinderachtig en te algemeen is.
De conclusie is dan dat de tegenstellingen gereduceerd worden tot nietszeggendheden en daarmee geeft men te kennen dat men geen ambitie met het NHM heeft.
Wat een brij van premissen. In de eerste premisse gaat het al fout. Zeeman verzint hier een standpunt: er is nog nooit een pedagoog geweest die zoiets heeft beweerd. De uitwijding in de derde premisse is volstrekt nutteloos in het hele betoog. De vierde premisse bevatten de concepten ‘kinderachtig’ en ‘algemeen’. Omdat in de conclusie het concept ‘nietszeggendheid’ gehanteerd wordt, is er sprake van een tautologisch argument: wie beweert dat de tegenstelling te kinderachtig en algemeen is, zegt met zoveel woorden dat de tegenstelling nietszeggend is. Beargumenteerd is hiermee echter niets.

BON & tunnelvisie (19/1)

Op zondagochtend kwam ik weer eens op de BON-site terecht. Dat is een club die ontevreden is over de onderwijsvernieuwingen. Leden van die club kunnen op van alles en nog reageren op de betreffende site. Dit waren de meest recente berichten die ik op dat moment aantrof. (Ik heb er een weggelaten, omdat daarin een individuele opvatting naar voren kwam en het gaat mij in dit geval enkel om de interpretatie van berichten uit de media). Een kleine selectie uit de eerste vier berichten:

1. Nieuwste vakwerk
by xxx Za, 17/01/2009 - 21:26
Waarde mede BONners, De jongste Vakwerk, (vakblad van BON, RR.) die vandaag bij mij op de mat plofte, stemt mij niet zo heel gelukkig. Een bobo van de lerarenopleiding mag vertellen wat er daar verbeterd moet worden terwijl de enige verbetering totale afschaffing zou zijn, en een consultant krijgt pagina's ruimte om uit te leggen waarom managers op school zo belangrijk zijn! Nuancering kan ook doorschieten, o zeer gewaardeerde redactie... Wat vinden jullie, geachte forumleden?

2. taalonderwijs in belgië

by xxx Za, 17/01/2009 - 16:38
Ook in België is de taalvaardigheid achteruit gegaan. Er moet volgens de politiek nodig iets aan gedaan worden.artikel . En dat terwijl ze in België niet eens HNL hebben.

3. De VO-Raad e.a bazelen.
by xxx Vr, 16/01/2009 - 22:56
De VO-Raad e.a weten niet meer wat ze moeten verzinnen. Lees het artikel in de Telegraaf:
“Als je exameneisen gaat stellen komt de brede maatschappelijke vorming van de leerling onder druk te staan”. Tja, tjonge ik weet het nu echt niet meer. Het wordt de hoogste tijd voor de mensen in de witte jassen die deze raad gedwongen gaan opnemen.

4. makke schapengedrag van de mens
by xxx Vr, 16/01/2009 - 13:31
Een aardig artikel in Trouw dat het kuddegedrag van alle bobo's en -kundigen tov CGO verklaart. Niet verrassend overigens.
Meningen zijn als mode. Als iedereen wat anders aantrekt, dan wil je niet voor gek lopen natuurlijk.

Analyse.
In het eerste bericht (1. Nieuwste vakwerk) deelt een BON-lid mee dat hij geen afwijkende mening wenst te lezen in zijn vakblad. Hij vindt dat het geven van ruimte voor ideeën van managers (tegenstanders) een vorm van doorgeschoten nuancering is.
In het tweede bericht (2. taalonderwijs in België) wordt het standpunt en de informatie uit een artikel uit de Standaard vertekend. Het voorstel had geen betrekking op het onderwijs in alle geledingen, maar alleen op het TSO en BSO; het ging niet om het taalonderwijs in het algemeen, maar om het vreemdetalenonderwijs. Dat de taalvaardigheid in België achteruit gegaan is, valt niet uit dit artikel af te leiden en komt dan ook volledig voor rekening van het BON-lid. Overigens was het geen Belgische minister van onderwijs, want die bestaat niet. Onderwijs is geen federale aangelegenheid. Het ging dan ook om de Vlaamse minister van onderwijs.
In de derde reactie (3. De V.O. raad e.a. bazelen) wordt iemand – wie is niet duidelijk – letterlijk geciteerd. Het citaat - “als je exameneisen gaat stellen komt de brede maatschappelijke vorming van de leerling onder druk te staan” - is echter erg vreemd. Wie het artikel in De Telegraaf er op naslaat, ziet dat het citaat niet in het artikel voorkomt. De auteur heeft het verzonnen en dat verklaart de bizarre inhoud. Ook de strekking van het artikel komt niet tot uitdrukking in het verzonnen citaat. Verschillende groeperingen hebben, zo blijkt uit het artikel – kritiek op de nieuwe exameneisen van Bijsterveld. Nergens staat dat zij tegen exameneisen zijn.
In het vierde bericht wordt gesproken over een “artikel dat het kuddegedrag van alle bobo's en -kundigen tov CGO verklaart”. Ook hier wordt de inhoud van het artikel volledig vertekend. Het gaat helemaal niet over “het kuddegedrag van alle bobo's en -kundigen tov CGO”. Dat onderwerp is eenvoudigweg niet aan de orde.
Waar ging het artikel dan wel over? In de jaren vijftig hebben sociaalpsychologen als Ash en (ik meen ook) Williams bijzonder interessant onderzoek gedaan naar conformisme. Nu hebben neurologen laten zien hoe dit conformistisch gedrag neurologisch ‘zichtbaar’ is gemaakt. Dat was de strekking van het artikel. De presuppositie van het zinsdeel “dat het kuddegedrag van alle bobo's en -kundigen tov CGO” is dat de auteur het handelen van bobo’s en deskundigen als kuddegedrag kwalificeert.
(Buiten het kader van deze site! De auteurs van de berichten illustreren onbedoeld een aantal mechanismen die ik op de site van BON vaker tegenkom. De tegenstelling ‘wij-zij’ wordt voortdurend versterkt door – in dit geval – verzonnen citaten, die bovendien redelijk bizar overkomen (zoals ‘exameneisen zetten de vorming van leerlingen onder druk’). Afwijkende informatie wenst men niet te horen (zie 1e bericht), en dat wordt gerechtvaardigd door te stellen dat dit ‘doorgeschoten nuancering’ is. Ook wordt het gelijk binnengehaald door te verwijzen naar ‘objectieve’ derden (ook in België…., wetenschappers verklaren kuddegedrag van bobo’s….). De feitelijke inhoud van deze artikelen wijken echter fundamenteel af van de interpretatie van de auteur is.
Daarmee hebben we een fiks aantal ingrediënten van de confirmatiebias te pakken (verg. het uitstekende boek van Eric Rassin (2006), Waarom ik altijd gelijk heb. Over tunnelvisie.).

De wc-bril van Dolf Jansen (18/1)

Op een mobiele telefoon zitten veel meer bacteriën als op een wc-bril. Maar daar heb je alleen last van als een mobiele wordt uitgeleend.
Op grond van deze premissen concludeerde Dolf Jansen dat je beter je wc-bril dan je mobiele kan uitlenen.
Analyse. Niet logisch, maar wel erg leuk.

In 't Veld en de vertekening (17/1)

‘Paus vindt homoseks een grotere bedreiging voor het voortbestaan van de aarde dan de vernietiging van het regenwoud’. Dat was in een notendop de samenvatting van een toespraak van Paus Benedictus. En dat schoot een aantal mensen in het verkeerde keelgat. Het COC begon een actie om het Vaticaan zijn recht af te nemen de Verenigde Naties toe te spreken. Verhagen, minister van buitenlandse zaken, riep pauselijk nuntius Bacqué op het matje roepen om zijn ’bezorgdheid’ uit te spreken. En D66-Europarlementariër Sophie in ’t Veld riep de voorzitter van de Europese Commissie Jose Barroso op om zich openlijk uit te spreken tegen deze ’grove schending van de scheiding kerk-staat’. „De paus predikt haat”, aldus In ’t Veld.
Onjuist, meent de theoloog Bosman (UvT) in Trouw (16.1.09). Benedictus gaf uiting aan zijn zorg voor de aarde: ‘De aarde is niet slechts ons bezit dat we kunnen uitbuiten zoals we dat willen. Zij is een geschenk van de Schepper (*) en wij als de beheerders van zijn schepping, moeten de aarde respecteren”. De mens die vergeet voor de aarde te zorgen, vernietigt zichzelf, en daarmee het werk van God.’
Bosman stelt verder dat Benedictus het woord ’gender’ gebruikte. “Dit koppelt hij echter niet, zoals in de media te lezen viel, aan homo- of transseksualiteit, maar aan ongebreideld liberalisme en doorgeschoten individualisme. Als schepsel is de mens in Benedictus’ visie afhankelijk van God en niet absoluut vrij om zijn eigen zin te doen. Vervolgens haalt de paus de regenwouden erbij, die net als de mensen bescherming verdienen.”
Een handige vergelijking? Nee, meent Bosman. “De vergelijking is er misschien een beetje met de haren bijgetrokken. Maar Benedictus zegt hier niet dat homo- en transseksuelen een grotere bedreiging voor de aarde vormen dan de vernietiging van het regenwoud, zoals de homobewegingen suggereren. Benedictus roept op om de aarde en de mensen die haar bewonen te beschermen tegen elkaar en zichzelf.”
Analyse. In ’t Veld vertekende dus – kennelijk – het standpunt van de paus door het woord ‘gender’ te koppelen aan homo- of transseksualiteit in plaats van ‘ongebreideld liberalisme’.

Bericht: vandaag geen bericht (16/1)

Een contradictie? Nee, meent de logicus Betrand Russell (1872-1970) en hij legt dat uit aan de hand van het type/token-onderscheid. Als ik geen griep meer heb, kom ik er op terug.

De dikke duim van Arnold Heertje (15/1)

Terpstra zei volgens Heertje bij zijn aantreden dat het HBO (sic) het toppunt van expertise, hoog niveau van onderwijs en van creativiteit was. “Ik heb hem toen aangeraden de werkvloer van het HBO op te zoeken, een weg die hij als voorzitter van het CNV zo voortreffelijk bewandelde. Hij wees dat toen af, omdat in zijn ogen alles voortreffelijk verliep. Blijkbaar hebben de harde feiten hem nu op andere gedachten gebracht.” Aldus Heertje in zijn column (Rtl.z 14.1.09). Hij reageert hiermee op een uitlating van Terpstra die vindt dat de kwaliteit in het hbo omhoog moet.
Heertje en Terpstra hebben het al eerder over dit onderwerp gehad. Terpstra beweerde in de Volkskrant (26.4.07) hetr volgende:
“Want wat gaat Plasterk doen aan het tekort aan hoger opgeleiden? En gaat hij stevig investeren in verborgen talent dat zich via het hoger onderwijs een weg omhoog knokt op de maatschappelijke ladder? Nu het goed gaat met Nederlandse economie, trekt de werkgelegenheid snel aan. Zo snel, dat verschillende vacatures voor hoger opgeleiden niet meer vervuld kunnen worden. Hierdoor zoeken bedrijven hun heil in het buitenland en verdwijnen banen permanent uit Nederland. Ook in het onderwijs en de gezondheidszorg komt de kwaliteit onder druk te staan.”
“Met investeringen in een select gezelschap topstudenten kunnen we niet volstaan. De gemiddelde ondernemer heeft vooral behoefte aan beroepsbeoefenaren die een hoog kennisniveau verbinden aan praktische toepassingen. Slimme jonge mensen die goed begrijpen met welke omstandigheden het bedrijf te maken heeft en hoe het bedrijf (internationaal) concurrerend kan zijn. Ook de complexe problematiek waar de jeugdzorg mee wordt geconfronteerd en de aanpak van probleemwijken vragen om innovatieve en praktisch toepasbare inzichten.”
“De toename van het aantal hoger opgeleiden is vooral de taak van hogescholen. Universiteiten hebben weinig groeimogelijkheden, want 90 procent van alle vwo-scholieren gaat daar al studeren. Hierbij moeten we ons realiseren dat de sociaal-economische achtergrond van hbo'ers anders is dan die van de universitaire studenten; 42 procent van de hbo'ers komt uit een gezin met een laag inkomen en 23 procent uit een gezin met een hoog inkomen. Op de universiteiten is dat precies andersom.”
“Van hogescholen wordt verwacht dat zij op drie fronten resultaten boeken. Ten eerste moeten er veel meer studenten worden opgeleid dan ooit tevoren. Maar vrijwel alle jongeren die zonder problemen hun weg vinden in het hoger onderwijs, volgen al een opleiding. Hogescholen moeten dus zoeken naar verborgen talent. Vaak gaat het om jonge mensen met ouders die zelf niet hebben gestudeerd en die niet welgesteld zijn. Deze, vaak allochtone jongeren behoren binnen hun familie vaak tot de eerste generatie die gaat studeren. Voor hen is extra begeleiding tijdens hun studieloopbaan belangrijk.”
“Ten tweede de kwaliteit. Innovatie is belangrijk voor de concurrentiekracht van bedrijven en voor de kwaliteit en de doelmatigheid van de dienstverlening van not-for-profit-organisaties. De hedendaagse hoger opgeleide professional heeft een onderzoekende en vernieuwende instelling. Hij kan zelfstandig nieuwe kennis verwerven en nieuwe inzichten in de praktijk toepassen. Dat kunnen hogescholen hem alleen bijbrengen als zij voldoende ruimte krijgen voor praktijkgericht onderzoek. De bewering dat onderzoek is voorbehouden aan universiteiten en dat hogescholen zich moeten beperken tot het overdragen van bestaande kennis, getuigt van weinig inzicht in de praktijk.”
“Ten slotte moeten we ons realiseren dat er niet alleen meer hoger opgeleiden met een bachelorgraad moeten worden opgeleid, maar ook meer masterstudenten. Omdat de hogescholen nog maar weinig masteropleidingen kunnen aanbieden, neemt het kennistekort in ons land toe. Onlangs verkondigde Plasterk dat hij de aansluiting tussen hbo-bacheloropleidingen en wetenschappelijke masteropleidingen wil verbeteren. Hij gaat daarmee voorbij aan het feit dat zo'n overstap voor de meeste afgestudeerde hbo'ers niet logisch is. Het is in veel gevallen een verspilling van talent, tijd en geld. Het ligt meer voor hand hbo-bachelors de kans te bieden zich verder te professionaliseren in hun beroep. De markt schreeuwt om beroepskrachten van het hoogste niveau. Plasterk kan daar niet aan voorbijgaan en moet meer hbo-masters financieren.”
Heertje reageerde in Volkskrant (9.5.07): “Het idee dat hoogopgeleiden vooral moeten komen van het hbo, berust op drijfzand. Zijn mening dat afgestudeerden van de scholen voor hoger beroepsonderwijs een vernieuwende en onderzoekende instelling hebben en geheel zelfstandig nieuwe kennis verwerven, illustreert dat hij ver verwijderd blijft van de werkvloer van dit onderwijs. De eigenschappen die hij afgestudeerden van het hbo toedicht, zijn slechts voorbehouden aan de toplaag van universitair geschoolden. Hbo-studenten die potentieel over deze aanleg beschikken, doen er verstandig aan zich tot de universiteiten te wenden. Zij treffen daar gekwalificeerde docenten en beoefenaren van wetenschap aan die een constructieve, begeleidende rol spelen. Hbo-docenten beschikken niet over de nodige creatieve en innovatieve kwaliteiten, die juist de vrucht zijn van hoogwaardige wetenschappelijke activiteit. Zij leveren niet de kwaliteit die Terpstra voorspiegelt.”
“Het hoger beroepsonderwijs ontleent betekenis aan het toepassen van verworven kennis en inzichten op praktische vraagstukken die voor hun oplossing niet of nauwelijks een beroep doen op abstraherend vermogen. Niet voor niets wordt de instroom van hogescholen gevormd door leerlingen met een mbo- of havo-diploma. Het is al een hele opgave deze leerlingen een fase verder te brengen.”
Analyse. Heertje vertekent het standpunt van Terpstra. Die laatste ziet een taak liggen voor het hbo, maar die taak wordt op dit moment niet gerealiseerd. Terpstra heeft het niet over de eigenschappen die een hbo-student heeft, maar die hij zou moeten hebben als hij een hoger opgeleide professional is. “Dat kunnen hogescholen hem alleen bijbrengen als zij voldoende ruimte krijgen voor praktijkgericht onderzoek” en daarom pleit hij voor meer ruimte en geld voor onderzoek. Dit impliceert dat de taak nu (april 2007) niet door het hbo naar behoren wordt verricht. Bovendien wijst Terpstra op het feit dat bedrijven afgestudeerden uit het buitenland halen.
Kortom, Heertje las wat hij wilde lezen, maar niet wat er stond.

Brinkman, Croes en de tu quoque (14/1)

Hero Brinkman werd uit het halfjaarlijkse overleg tussen Nederlandse en Arubaanse volksvertegenwoordigers geknikkerd. Reden: hij noemde de Arubaanse politici lafaards en leugenaars. De Arubanen waren boos, want er was een fatsoensgrens overschreden.
Feit is dat Croes, de minister van Jusitite, zich had afgemeld, omdat hij in Amerika zat. Maar Croes bleek gewoon op een terrasje in Aruba te zitten. Enkele Nederlandse delegatieleden kwamen hem daar tegen. Croes had bovendien eerder een artikel laten rondgaan waaruit moest blijken dat Nederland corrupt was. De impliciete boodschap was volgens Brinkman dat hij zijn mond moest houden. En dat schoot hem in het verkeerde keelgat. “Dus hij liegt over zijn aanwezigheid, is te laf om het debat met mij aan te gaan, en probeert wel onze rug om politiek te bedrijven”, aldus Brinkman in de Volkskrant (12.1.09).
Analyse. Croes bezondigt zich aan een tu quoque: Brinkman moet zijn mond houden, omdat er in Nederland ook corruptie is.
Brinkmans verwijt aan het adres van Croes is geen drogredenen. Croes had gewoon gelogen.

Truijens en de vertekening van een standpunt (13/1)

“Een historisch onderwijsjaar.” Zo kwalificeert Aleid Truijens het onderwijsdebat in 2008 (VK, 30.12). “Dit jaar drong het tot de allerhardste eikenhouten hoofden door dat er iets grondig mis is met de kwaliteit van het onderwijs.” De commissie-Dijsselbloem stelde onomwonden vast dat de overheid haar kerntaak, het garanderen van deugdelijk onderwijs, ernstig heeft verwaarloosd, merkt Truijens op. Ook “de commissie-Meijerink constateert een versnelde achteruitgang in lees- en rekenvaardigheid. 27 procent van de basisscholen presteert slecht met rekenen.”
Analyse. Wat zei de commissie-Meijerink eigenlijk precies over de vraag of de prestaties van leerlingen en studenten op taal, rekenen en wiskunde nu ook verslechterd zijn? Op de deelgebieden van taal en rekenen is “vaak zowel een voor- als achteruitgang te constateren.” Het beeld dat de commissie schetst “komt overeen met het oordeel van de inspectie zoals geformuleerd in het Onderwijsverslag van 2007: het gaat goed met het Nederlands onderwijs, maar er zijn hardnekkige problemen.” Kortom, een vertekening van het standpunt.
Ook is er helemaal géén consensus over de daling van de kwaliteit van het onderwijs. Nog onlangs stelden achttien hoogleraren (didactiek, wiskunde, natuurwetenschappen, onderwijskunde, psychologie en taalbeheersing), dat er niets mis is met de vernieuwingen in het rekenonderwijs. Dus prof. Boersma, prof. Eijkelhof, prof. Ellermeijer, prof. De Glopper, prof. Goedhart, prof. Van den Heuvel-Panhuizen, prof. De Lange, prof. Van Maanen, prof. Pilot, prof. Scheerens, prof. Simons, prof. Stapel, prof. Van Streun, prof. Treffers, prof. Vermunt, prof. Wubbels, prof. Zwaneveld en prof. Van den Akker waren wat het rekenonderwijs betreft, toch echt een andere mening toe gedaan.
Ook Rob Martens, hoogleraar onderwijskunde aan de OU, vraagt zich af waarom het onderwijsbashen, zoals door Aleid Truijens met verve beoefend, nog zo lang stand kunnen houden nu steeds duidelijker wordt dat er drie jaar lang indianenverhalen over het onderwijs zijn opgehangen en dat Dijsselbloem feitelijk nauwelijks empirische grond onder de voeten had.
En zelfs de meest fervente tegenstander van de recente onderwijsvernieuwingen kon op basis van haar eigen onderzoek niet overtuigend aantonen dat de prestaties gedaald zijn. Met een “hoe graag velen het onderwijsdrama ook wilden zien, het bestaat gewoon niet” typeert Rob Martens, hoogleraar onderwijsinnovatuie de huidige onderwijsdiscussie zeer treffend.
“Stemmingmakerij”, zo typeerde Kees de Glopper, hoogleraar taalbeheersing aan de Rijksuniversiteit Groningen, de discussie over de kwaliteit van het onderwijs. “Het niveau is al twintig jaar hetzelfde”.
De conclusie dat kinderen op basisscholen steeds slechter zijn in taal en rekenen, zou gebaseerd zijn op twintigjarig Cito-onderzoek, maar die conclusie klopt volgens De Glopper niet. “Het gekke is dit: uit die cijfers blijkt dat het onderwijsniveau de afgelopen twintig jaar nauwelijks verandert. Op wat kleine verschuivingen na scoren de basisscholieren grotendeels hetzelfde. Dus hoezo, het onderwijsniveau daalt?”
Op Truijens “dit jaar drong het tot de allerhardste eikenhouten hoofden door dat er iets grondig mis is met de kwaliteit van het onderwijs” is behoorlijk veel af te dingen. Wellicht is De Gloppers constatering “en lijk en dus geen zaak” een meer adequate one-liner.

De leugen van Arnold Heertje (12/1)

In een interview in Trouw werd oud-hoogleraar Arnold Heertje gevraagd te reageren op het negende gebod: “Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste.” Interessant, omdat Heertje ooit loog door te stellen dat ik een manager ben, terwijl hij wist dat ik dat niet ben.
Zijn antwoord was als volgt: “Ik ben een blootlegger. Om de wereld te verbeteren, moeten we hem eerst in kaart brengen. Dat staat, als ik het zo mag zeggen, ook niet los van het jodendom: het blootleggen van de dingen zoals ze zijn. Natuurlijk maakt mij dat kwetsbaar en niet zelden leiden mijn observaties tot hevig tumult, maar impopulariteit interesseert mij niets. Sterker nog: als mensen kwaad worden om wat ik zeg, klinkt mij dat als muziek in de oren.” Verder koketteerde hij met ‘Ik ben een onaangenaam mens’.
Analyse. Het antwoord is volstrekt irrelevant. De vraag was hoe hij omging met het negende gebod. Dat heeft niets met blootleggen te maken.

Elsevier en de irrelevante opties (11/1)

“Vindt u Wilders' PVV ook extreem-rechts?” wilde Elsevier om de een of andere reden van haar lezers weten.
Er waren waarachtig drie keuzes:
1. Ja, terecht oordeel van de Anne Frankstichting (10%, 537 stemmers).
2. Nee, Wilders stelt zich in veel zaken juist ‘links’ op (20%, 1128 stemmers).
3. Rechts of links doet er niet toe: de PVV dúrft tenminste (70%, goed voor 3883 stemmers).
Analyse. Optie 1 en 2 zijn begrijpelijk, maar Wilders gewoon rechts vinden is in de ogen van de opstellers kennelijk niet mogelijk. Met optie 3 gaat het sowieso fout. Dat de PVV durft, met een uitroepteken nog wel, is in het licht van de vraag een volstrekt irrelevante motivering. Het ging immers om de vraag of de PVV extreemrechts is.

De contradictie van Verdonk (10/1)

In een interview in HP/deTijd (2.1.09) zegt Rita Verdonk dat ze niemand uit het huidige politieke establishment in haar partij wil. “Ik wil in mijn beweging een heel nieuwe wind laten waaien.”
Analyse. Verdonk zelf komt voort uit het huidige politieke establishment. Als niemand uit het huidige politieke establishment in haar partij welkom is, moet zij zichzelf ook uitsluiten. Maar dan bestaat haar partij niet meer. Kortom, een contradictie.

Publicatie- en diploma-inflatie (9/1)

Universiteit van Praag

“Wat geven Ad Verbrugge en de zijnen ons toch een verzuurd en vertekend beeld van de staat van ons universitaire onderwijs en Je krijgt bijna het gevoel op bezoek te zijn in de recreatiezaal van een bejaardentehuis.”, meent Herman Lelieveldt, hoogleraar politicologie (Vk, 11.12.08) .
Hun hele betoog, zo gaat hij verder, ademt de gezapige en verstikkende sfeer van een jaar of vijftien geleden. “De ‘goede oude tijd’ waarin universiteiten zelf via schimmige procedures bepaalden wie wel en wie geen onderzoeksgeld kreeg, waarin vakgroepen en universiteitsraden oeverloos overlegden over de hoeveelheid pagina’s die studenten moesten bestuderen en waarin niemand, maar dan ook niemand, zich bekommerde om de kwaliteit van onderwijs en onderzoek.”
De meeste vraagtekens zet Lelieveldt bij hun kritiek op de peer review en andere vormen van kwaliteitsbeoordeling. Met dat systeem is niets mis, want alleen zo kunnen we het kaf van het koren scheiden. “Zo’n systeem zorgt er ook voor dat ze nog meer hun best doen om goed onderzoek te doen en dat op een fatsoenlijke manier op te schrijven.”
Dat peer review het theoretische en methodologische pluralisme bedriegt en eenheidsworst creëert, is dan ook een faliekante onzin. Iedere wetenschappelijke subcultuur kan immers via peer review zijn eigen tijdschrift kan opzetten. “En het duizelingwekkend aantal wetenschappelijke tijdschriften dat er is, bewijst dat dat ook gebeurt.”
Er is overigens helemaal geen sprake van een werkelijk een ontoelaatbare inbreuk op de professionele autonomie als die vermaledijde managers wel graag willen dat je in een fatsoenlijk blad publiceert en niet in een clubblaadje dat alles klakkeloos plaatst.
“Verbrugge en de zijnen stralen een gezapigheid en luiheid uit, die we gelukkig steeds minder op de universiteit tegenkomen.”
Wat schreven Verbrugge en de zijnen eigenlijk in de Volkskrant? Ze wezen op de diploma- en publicatie-inflatie. Het wetenschappelijke onderwijs en onderzoek is al jaren onderhevig aan een even ernstige als sluipende erosie, stellen ze. Het is bijvoorbeeld een probleem is geworden om Nederlandse masterdiploma’s in het buitenland erkend te krijgen. Maar de belangrijkste indicator voor het kwaliteitsverlies is de diploma-inflatie als gevolg van de outputfinanciering. Dit is een systeem waarbij universiteiten geld krijgen op basis van het aantal geproduceerde studiepunten. “De bestuursvoorzitter van de UvA zei bijvoorbeeld dat ‘goed onderwijs onderwijs is dat tot studiepunten leidt’. Dit kwam hem op felle kritiek van zijn eigen studenten te staan. Zij stelden: ‘Voor elk uitgereikt studiepunt ontvangen de faculteiten een bepaald bedrag van de UvA. Dit maakt het financieel aantrekkelijk om bijvoorbeeld het niveau van toetsen te verlagen en zo meer studenten te laten slagen’.”De publicatie-inflatie leidt tot kwaliteitsverlies van onderzoek als gevolg van het financieren van onderzoekers op grond van het aantal artikelen dat zij publiceren. Het gaat dan met name om Angelsaksische toptijdschriften. Gevolg is van deze financiering is dat wetenschappers steeds vaker hetzelfde artikel als nieuw product te recyclen. Publiceren in de eigen taal publiceren en bijdragen leveren aan publieke debatten, heeft nauwelijks nog betekenis. De voor 2011 aangekondigde afschaffing van de directe onderzoeksfinanciering van de universiteiten (de zogenaamde ‘eerste geldstroom’) versterkt deze tendens alleen nog maar meer.De bron van alle kwaad is de neoliberale politiek die ernaar streeft universiteiten in bedrijven te veranderen en het onderwijs te vermarkten en door een politiek die de relatieve autonomie van de wetenschap fundamenteel ontkent. “Universitaire managers streven steeds meer naar de vermarkting van onderzoek en onderwijs. Dit noemen zij ‘verhoging van efficiency’ (= bezuiniging), ‘valorisatie’ ( = ‘geen financiering via de markt, geen onderzoek’) en ‘evaluatie’ (= controle). Wetenschappers daarentegen hebben professionele autonomie nodig om hun werk te kunnen doen: het verzamelen en doorgeven van ware kennis.”
Analyse. Iedere wetenschappelijke subcultuur kan immers via peer review zijn eigen tijdschrift kan opzetten, stelt Lelieveldt. Maar daar zetten de critici nu juist vraagtekens bij. Die tijdschriften worden in de kwaliteitssysteem niet mee genomen. Alleen publiceren in een bepaald type tijdschrift telt mee. Lelieveldt had dus een argument moeten geven dat die kwaliteitssystemen op dit punt niet selectief zijn.
Dat Verbrugge en de zijnen gezapigheid en luiheid uitstralen is feitelijk niet meer dan persoonlijke aanval.
Maar ook Verbrugge en de zijnen gaan niet helemaal vrijuit. Neem bijvoorbeeld de volgende passage “Maar de belangrijkste indicator voor het kwaliteitsverlies is de diploma-inflatie als gevolg van de outputfinanciering. Dit is een systeem waarbij universiteiten geld krijgen op basis van het aantal geproduceerde studiepunten. “De bestuursvoorzitter van de UvA zei bijvoorbeeld dat ‘goed onderwijs onderwijs is dat tot studiepunten leidt’. Dit kwam hem op felle kritiek van zijn eigen studenten te staan. Zij stelden: ‘Voor elk uitgereikt studiepunt ontvangen de faculteiten een bepaald bedrag van de UvA. Dit maakt het financieel aantrekkelijk om bijvoorbeeld het niveau van toetsen te verlagen en zo meer studenten te laten slagen’.” Er wordt een uitspraak van een bestuurder aangehaald en die wordt dan weersproken door studenten. Wat wordt hiermee nu eigenlijk bewezen? Diploma-inflatie? Kwaliteitsverlies? Nee, alleen dat een aantal (?) studenten het niet eens is met een bestuurssvoorzitter.

Truijens vs. Cornelisse (8/1)

Denken in hokjes: hier een sprekend voorbeeld...

IJverige buikspreekpop” en “liever aanschurkend tegen de machtselite” zijn de kwalificaties die Volkskrantcolumniste Aleid Truijens in petto had voor journaliste Wilma Cornelisse (VK, 6.1.09).

Eerst wordt Cornelisse getypeerd: “Wilma Cornelisse, ‘journalist en publicist’. Ooit schreef zij voor de NRC. Al jaren is zij pleitbezorgster van radicale onderwijsvernieuwing. Zij schrijft zelden meer in de onafhankelijke pers. Tegenwoordig werkt zij voor blaadjes en websites van belanghebbenden, zoals Schoolmanagement Totaal, ‘hét startpunt voor de succesvolle schoolleider’, Kluwer’s Nieuwsbrief Onderwijspraktijk en Meso Magazine, een tijdschrift voor bestuurders in het voortgezet onderwijs. Ook verleende ze hand- en spandiensten aan bijwagens van de onderwijsvernieuwing als de Stichting Leerplanontwikkeling.” Met deze typering wordt haar motief verdacht gemaakt. De typering ‘onafhankelijke pers – blaadjes en websites van belanghebbenden’ moet duidelijk maken dat haar onafhankelijkheid ver te zoeken is. Dat wordt vervolgens versterkt met de verwijzing naar de ‘hand- en spandiensten aan bijwagens van de onderwijsvernieuwing’. Ook op het einde wordt Cornelisse nog een keer in diskrediet gebracht: “want de mondige leerling moet wel vinden wat Cornelisse en haar broodheren vinden”.

De gekwetste vernieuwers hebben een ijverige buikspreekpop aan Cornelisse. In haar stukjes klinkt grote verbolgenheid over de vernietigende kritiek van de commissie-Dijsselbloem op de mislukte vernieuwingen, het Nieuwe Leren en de ‘leemlaag’ van onderwijsmanagers.” Voor wie de boodschap uit de eerste alinea niet begrepen heeft: Wilma - buikspreekpop - Cornelisse is niet onafhankelijk.

Cornelisse is "nijdig" vanwege instemming met die kritiek in wat zij de ‘kwaliteitspers’ noemt. “Mijn onderwijscolumns, bijvoorbeeld, vindt ze ‘hysterisch’. In een van haar jongste bijdragen aan de prachtsite Schoolmanagement Totaal ontvouwt Cornelisse haar complottheorie. Het zit zo. Met de oplagen van de kranten gaat het niet best. Dus is het zaak dat de krant zijn lezers ‘naar de mond schrijft’ en hen aan zich bindt met ‘herkenbare emoties’. Ook de NRC werkt uit angst voor abonneeverlies ‘vanuit ditzelfde onderbuikgevoel’. De Volkskrant telt veel leraren onder zijn lezers, en is afhankelijk van onderwijsadvertenties. Daarom heeft deze krant mij ingehuurd ‘om conservatieve leraren te plezieren’. ‘Een kwalijke veronderstelling’, schrijft Cornelisse, ‘die alle berichten en analyses over onderwijs in dit dagblad tot onbetrouwbaar bestempelt’.” Strikt genomen argumenteert Truijens niet dat Cornelisse aan complottheorie ontvouwt. Wat Cornelisse feitelijk doet, is de motieven van de redacties van de Volkskrant en de NRC verdachten maken.

Daarom verspreiden elitaire leraren en journalisten de infame leugen dat de kwaliteit van het onderwijs is gedaald door onderwijsvernieuwingen.” In haar column noemt Cornelisse de bewering dat de kwaliteit van het onderwijs gedaald is, op niets gebaseerde onzin. De term leugen wordt nergens gebruikt. Kortom, een vertekening van het standpunt van Cornelisse. Voor de bewering “dat het Nieuwe Leren juist de kloof tussen boven- en onderklasse heeft vergroot, is uiteraard ook een leugen” geldt hetzelfde.”Zelf schurkt Cornelisse liever aan tegen de machtelite in het onderwijs, de schoolbestuurders. Zij vereenzelvigt zich zo diepgaand met haar opdrachtgevers dat zij zich niet kan voorstellen dat er mensen zijn die zomaar namens zichzelf in een krant schrijven.” Weer een persoonlijke aanval.

Verder lezend in het oeuvre van Cornelisse begreep ik dat het elitaire complot nóg groter is. Ook ex-gymnasiast minister Plasterk behoort ertoe, omdat hij wil dat kinderen weer behoorlijk taal- en rekenonderwijs krijgen.” Er was dus geen complot, maar los daarvan, deelt Cornelisse de vooronderstelling van Plasterk niet dat kinderen nu geen behoorlijk taal- en rekenonderwijs krijgen.

Truijens eindigt met de sneer “Wilma Cornelisse, onthoud die naam. Echt een vrije geest, volkomen nuchter en helder. Een verrijking van het medialandschap.” Het vreemde is dat Truijens zich uitermate stoort aan de persoonlijke aanval van Cornelisse, terwijl zij die hier en elders meer dan eens hanteert. Het is meten met twee maten: of je accepteert deze argumentatie (m.i. ten onrechte) als legitiem of niet. Truijens accepteert die argumentatie alleen als zij zelf dit soort argumenten gebruikt, maar niet als Cornelisse deze argumenten gebruikt.
Het flauwe van dit soort argumenten is bovendien dat je die altijd kunt gebruiken: “Aleid Truijens, onthoud die naam. Echt een vrije geest, volkomen nuchter en helder. Een verrijking van het medialandschap.”

Sent en de kloof tussen 'is' en 'ought' (7/1)

Kredietcrisis

Machogedrag gaf doorslag in de kredietcrisis, meent Esther-Mirjam Sent. Zij is hoogleraar economische theorie en economisch beleid aan de Radboud Universiteit Nijmegen (Trouw, 23.12.08). De kredietcrisis, zo stelt Sent, begon toen in de Verenigde Staten hebzuchtige verkopers – hebzuchtige mannen - hypotheken verkochten aan mensen die deze eigenlijk niet kunnen betalen. Hierbij speelde typisch mannelijk gedrag een belangrijke rol. De financiële wereld wordt door mannen gedomineerd. Uit onderzoek blijkt dat de gedragskenmerken die de kredietcrisis aanzwengelden typisch mannelijk zijn. Mannen zijn eerder overdreven optimistisch, inhaliger, risicozoekender en wekken en geven minder vertrouwen. Mannen nemen in tegenstelling tot vrouwen, meer onverantwoorde risico’s.
Uit onderzoek blijkt ook nog dat keiharde bedrijfseconomische indicatoren beter uitvallen met meer vrouwen aan de top. Desondanks huppelt er slechts ’n enkele vrouw rond in bankenland.
Over minister Bos is Sent dan ook niet te spreken. Die heeft één ’excuustruus’ aangesteld en dat zet geen zoden aan de dijk. “Pas wanneer er drie of meer vrouwen zitting nemen in een raad van bestuur ontstaat een cultuur waarbinnen typisch vrouwelijke eigenschappen hun positieve invloed kunnen uitoefenen.”
Mannen nemen meer onverantwoorde risico’s. En in onstabiele economische tijden is vrouwelijke inbreng in de vorm van behoedzaamheid en zorgzaamheid noodzakelijk. “De les voor de financiële wereld is dan ook dat een gezonde balans tussen mannelijke en vrouwelijke eigenschappen wenselijk is.”
Analyse. In eerste instantie heeft Sent het over “typisch mannelijk gedrag”. Vervolgens heeft ze het echter over “mannen” die de financiële wereld domineren. Verder merkt ze op dat slechts rond de 15 à 20 procent van de topposities in de bankwereld wordt bekleed door “vrouwen”. “Mannen zijn eerder overdreven optimistisch, inhaliger, risicozoekender en wekken en geven minder vertrouwen.” Maar dan stelt Sent dat “het van belang is om op te merken dat mannelijk gedrag niet alleen aan mannen voorbehouden is en vrouwelijk gedrag niet alleen aan vrouwen.”
Kortom, het betoog switcht van ‘man’ naar ‘mannelijk gedrag’ en weer terug naar ‘man’. Het gaat om mannelijk gedrag, maar feitelijk heeft Sent het alleen over mannen (en vrouwen).
Evenmin is het onjuist te stellen dat de les voor de financiële wereld is dat een gezonde balans tussen mannelijke en vrouwelijke eigenschappen wenselijk is. Louter op basis van feitelijke constateringen kan men niet tot deze normatieve conclusie komen.

Vertekening, persoonlijke aanval, verzinnen van een standpunt etc., ect. (6/1)

‘Azijnsite’, zo noemde ik ergens de site van BON. Niet waar, zei BON bij monde van G. Verhoef. “In het algemeen wel degelijk onderbouwd en beargumenteerd.” En prompt, nog geen dag later, volgde op de BON-site een reactie van een zekere Jeronimoon. Het zuur van zijn braakseltje droop er werkelijk van alle kanten af. Een kleine bloemlezing.

Hij (= Ritzen, RR.) heeft er namelijk een hekel aan dat hier op het forum soms een link wordt geplaatst. Volgens hem dient dat alleen maar de fanmail en daar is hij niet van gediend.” In een reactie op de VK-site schreef ik dat lieden die “net iets anders denken dan BON daar overladen worden met emmers stront. Je bent dan ‘leugenaar’, ‘marionet’, ‘opschepper’ enz. Zelfs fascist. Ook vindt men het nodig om fijntjes een emailadres te publiceren om fanmail te bevorderen. En waar zien we dat ook? Inderdaad, bij GeenStijl.nl.” Dat klopt, ik heb geen zin om allerlei mail van boze BONners te ontvangen. Het ging dus niet om een link naar deze site, maar om mijn emailadres. Aan de lompe ombeschoftheid op de BON-site wordt zo wel een heel merkwaardige draai gegeven.

Drogredenen.nl moest er ook weer bijgehaald worden. De schrijver had natuurlijk ook kunnen reageren om mijn inhoudelijk stukje, maar daar had hij kennelijk geen zin in. Hij prefereerde verdachtmakingen: “Zijn website, barstensvol met niet te begrijpen politiek vooringenomen zogenaamde intellectuele verhandelingen waar de pretentie van afdruipt, is in niets te vergelijken met de website van Beter Onderwijs Nederland door hem ‘een azijnsite, Geenstijl.nl voor veertig-plussers’ genoemd”, brieste hij. “Het allergrootste verschil tussen beide sites zit hem in het bezoekersaantal. Zijn website ongeveer 1 bezoeker per week (hemzelf?), de website van BON 10.000 bezoekers per dag.” Het is J. kennelijk ontgaan dat op de website van BON een tellertje staat. Die gaf aan dat de BON-site tot nu toe niet 7 miljoen, maar slechts 153.691 keer werd bezocht. (En wie vertelt J. het verschil tussen een blog en website?)
Een leugentje meer of minder: wat maakt het ook uit. Hoe dan ook, ik ben volgens J. een “zelfgepunnikte intellectueel”.

Ergens in het verleden heeft hij zich aan de kant van de onderwijsvernieuwer geschaard omdat hem dat op dat moment het beste uitkwam.” Ai, alweer een leugentje. Ik schreef in het verleden letterlijk dat ik niet in het concept van het zelfstandig leren geloof (zie bijv. mijn bijdrage in: Bekker-Ketelaars, Miedema; Wardekker (red.),Vormende lerarenopleidingen. Over de pedagogische opdracht van lerarenopleidingen. SWP 1998). Nooit ben ik op dat standpunt teruggekomen, maar het klinkt natuurlijk leuker om mij als onderwijsvernieuwer weg te zetten. Geen hond die de onzin van J. controleert. (Ook grappig: J. verweet mij al eerder dat ik de discussie belazer door met oncontroleerbare bewering aan te komen. Ik schreef dat ik in 1989 in de Volkskrant ageerde tegen een bedrijfsmatige benadering van het onderwijs; in het tijdschrift 'Didactief' schreef ik een stuk over onderwijsmanagement als disciplinering en in mijn boek 'Deugt ons onderwijs' (uit 1995) schreef ik kritisch over de crisis in het onderwijs. Niet te controleren, volgens J., die kennelijk geen idee heeft dat er zoiets als een bieb bestaat waarin allemaal boekjes en tijdschriftjes staan. Kennelijk zag hij nu in dat hij daar niet mee wegkwam en nu maakt hij er van dat ik ineens om ben, omdat mij dat op dat moment het beste uitkwam. Ben ik blij dat mijn kinderen niet bij hem op school zitten.)

Iedereen die een afwijkende mening heeft over onderwijs is voor hem onmiddellijk een gevalletje van ‘dom geboren en onnozel gewiegd’, en moet zijn mond dicht houden, gewoon zwijgen.” Niet dat ik dat gezegd heb, maar ook dit leugentje is altijd handig. Overigens wordt hier de wereld hier wel op z'n kop gezet. Het is juist bij uitstek kenmerkend voor de BON-site dat andersdenkenden uigescholden worden. Mijn stukken in Trouw en de Volkskrant leverden, zoals gezegd, de volgende bonte verzameling scheldwoorden richting mijn persoon op: opschepper, leugenaar, marionet van managers, kan niet denken, schrijven, rekenen en argumenteren etc. En natuurlijk, bijna allemaal van anonieme auteurs.

Je mag het van hem niet zeggen maar het heeft wat weg van fundamentalisme, intellectueel fundamentalisme weliswaar.” Ik kan J. geruststellen: hij mag van mij zijn leugentjes en bizarre kletspraatjes blijven uitbraken op de azijnsite van BON.

Verder ging zijn stukje ineens over intellectuele oplichters en populisme. En vervolgens kwam Hamas voorbij en liep Frans Bauer ineens in het Maagdenhuis rond. Ik kon er werkelijk geen touw meer aan vastknopen.
Wat was nu mijn vergrijp? Ik had op de site van de Volkskrant gewezen op enkele fouten in eerdere columns van Aleid Truijens en dat was kennelijk heiligschennis. Ook gaf ik een aantal voorbeelden van het feit dat zij vaak op de man speelt. (Op de BON-site heet het dan: "hij reageerde furieus".)
Het stukje van deze azijnpisser was het eerste bericht van het nieuwe jaar op de BON-site. Een goed begin, zou ik zeggen. En precies de bevestiging van mijn kwalificatie.

Boomkens en de onjuiste modus ponens (5/1)

Waarheid is volgens René Boomkens, hoogleraar sociale en culturele filosofie (RUG), een te algemene waarde om toe te vertrouwen aan één culturele categorie, de intellectuelen. “Het streven naar waarheid maakt deel uit van zeer vele, zo niet alle talige activiteiten. Als we de waarheid aan de intellectueel overlaten, dan suggereren we dat de rest van de bevolking een zootje leugenaars is, of dat alle andere zich structureel vergissen of in onwetendheid leven. Hij reageert hiermee op de stelling van de filosoof Frits Bolkestein, die intellectuelen naar het voorbeeld van André Gide een heldenrol geeft als een denker die streeft naar de waarheid en de politieke eenzaamheid op de koop toe neemt.
Analyse. De formuleringen van Boomkens blinken niet uit in helderheid: wat betekent het precies als hij zegt dat we de waarheid aan de intellectueel moeten overlaten? Enige interpretatie is dan ook vereist. M.i. kunnen we Boomkens’ betoog als volgt herformuleren: hij gaat uit van een implicatie ‘als x dan y’, waarbij geldt dat ‘x’ staat voor ‘de intellectueel’ en ‘y’ staat voor ‘streeft de waarheid’; ‘niet-x’ staat dan voor de niet-intellectuelen (de rest van de bevolking). Ze zijn niet in staat zijn de waarheid te duiden (‘de rest van de bevolking is een zooitje leugens’, ‘iedereen vergist zich’ of ‘iedereen leeft in onwetendheid’). Kortom, niet-y.
Logisch gezien is de redenering van Boomkens ongeldig: ((als x dan y) en (niet-x))* impliceert niet (niet-y). Dat valt gemakkelijk in te zien. Vergelijk de structuur met zijn argumentatie met de volgende redenering: (1). ‘als het regent, worden de straten nat’ en (2). ‘het regent niet’ leiden niet tot de conclusie dat (3). ‘de straten zijn droog’. De straten kunnen nat zijn, omdat er net een sproeiwagen langsreed. Er is dan sprake van een incorrecte modus tollens (als a dan b, niet-a: dus niet b). Een correcte argumentatie heeft de structuur: ((als a dan b) en (niet-b)), dus (niet-a).
Als Boomkens zijn redenering in de vorm van een bi-implicatie geformuleerd had, was er – logisch gezien – niets aan de hand. Zo’n bi-implicatie heeft de vorm ‘enkel en alleen intellectuelen kennen de waarheid’. In de logische vorm: ‘if and only if…’ of ‘dan en slechts dan als…’.
Bedoelde Boomkens dan niet gewoon een bi-implicatie? Waarschijnlijk niet. Hij stelt dat ‘als we de waarheid aan de intellectueel overlaten, we suggereren (in de zin van ‘opperen’ of ‘voorstellen’) dat “de rest van de bevolking een zootje leugenaars is”. Een leugenaar moet – als hij liegt – de waarheid kennen. Dat impliceert dat de intellectueel dus niet als enige over de waarheid beschikt.
*) Helaas ondersteunt deze blog geen symbolen, dus doen we het maar even zonder symbolen.