Heertje en de contradictie (21/2)

Kredietcrisis (door R. Ritzen)

Aan de economische wetenschap kan men geen voorspelling van kwantitatieve aard ontlenen, aldus oud-hoogleraar Arnold Heertje (Trouw, 21.2.09). Maar vorig jaar deed hij een voorspelling over het overheidsgeld dat in ING wordt gestopt: “na verloop van tijd kan de transactie met een positief resultaat worden beëindigd”.
Enkele maanden geleden schreef hij dat economen in de hele wereld gewaarschuwd hebben tegen het lopen van grote risico's tegenover uitbundige, voorgespiegelde rendementen. Het verwijt dat economen de kredietcrisis niet voorspeld hebben, vindt hij onjuist.
Analyse. Als hij nu stelt dat aan de economische wetenschap geen voorspelling ontleend kan worden, is er sprake van een contradictie. Of van voortschrijdend inzicht ;).

Wilders en de hypocrisie (20/2)

‘Laf’, ‘slap’, ‘de grootste lafaard van Europa’, ‘gebrek aan ballen’ en ‘hypocrisie’. Dat waren de kwalificaties die te horen vielen in het kamerdebat over de Britse weigering om Wilders (PVV) toe te laten in Engeland. De eerste vier kwamen, niet geheel onverwacht, uit de mond van Wilders zelf. De laatste, hypocrisie, niet. Die kwam voor rekening van Agnes Kant (SP).
Wat was er aan de hand? Wilders beweerde dat hij alleen mensen de toegang tot het land wil weigeren die oproepen tot geweld. “En dat doe ik zelf niet”, aldus de PVV-leider. Kant wees vervolgens op enkele uitspraken van Wilders waaruit blijkt dat hij mensen op grond van hun geloof wil weigeren. “Geen islamieten meer Nederland in” was er zo een. “Wilders schreeuwt moord en brand over een praktijk die hij zelf wenst in te voeren”, aldus Kant.
Het weerwoord van Wilders was verrassend. Hij beet Kant toe dat haar argumenten er niet sterker op worden, als ze er “zuurder bij kijkt”. Veel verder dan dat kwam hij inhoudelijk niet.
Analyse. In elk geval is er sprake van een contradictie van de kant van Wilders. Terecht wijst Kant erop dat Wilders een praktijk bekritiseert die hij feitelijk zelf ook voorstaat. Het verschil is alleen dat in het ene geval Wilders ‘last’ heeft van die praktijk en in het andere alleen islamieten last hebben van de praktijk. Alleen in dat geval is die praktijk in de ogen van Wilders toelaatbaar.

Ellian over Elatik (19/2)

Fatima Elatik (PvdA), bestuurder van het Amsterdamse stadsdeel Zeeburg, werd geïnterviewd in het NRC. Een fout interview als we Afshin Ellian mogen geloven (Elsevier, 18.2.09).
Elatik deugt niet. “Binnen de PvdA is de politieke correctheid uit de mode. Dus moet Fatima zich anders gaan gedragen. Zij heeft natuurlijk aandachtig alle kranten en tijdschriften van de afgelopen jaren bestudeerd, vooral sinds Fortuyn. Dat blijkt ook uit haar interview met NRC. Zij nam moeiteloos de gedachten van Ayaan, ondergetekende en zelfs wijlen Fortuyn over. Elatik heeft geen last van authenticiteit. Natuurlijk mag iedereen zich ontwikkelen en ontdoen van zijn of haar domheid. Maar iemand die oprecht van mening verandert, is ook bereid om het veranderingsproces openhartig uit te leggen. Maar Fatima is een opportunist. Want zij praatte met NRC alsof zij altijd zo had gedacht.”
Vervolgens ging het interview verder over de vraag waarom zij een hoofddoek draagt. Ook dat leverde alweer een fout antwoord op. “Niet om mijn mooiheid te bedekken. Niet voor mijn vader. Die was er altijd tegen. Nee, de hoofddoek is uitdrukking van religiositeit. Het is ook een eerbetoon aan mijn moeder, de oermoeder der hoofddoekdragers. Zij leerde mij gemeenschapszin. Ze zei: 'Als het houten huis van je buurman in de brand staat, moet je niet wachten totdat je eigen huis in brand vliegt.' Wie weet, denk ik over twintig jaar: waarom had ik twintig jaar geleden dat ding op? Wie weet verandert het nog wel eens. Het leven is een reis.’ “
Vervolgens ging Ellian als een heuse psychoanalyticus verder: “Wat een redenering! Zij doet het niet vanwege de islam maar vanwege religiositeit. Wat is dat? Is dat de islam of niet? Zij doet het ook vanwege haar moeder. Omdat haar moeder haar gemeenschapszin heeft geleerd, wil zij haar door het dragen van een hoofddoek eren. Interessante redenering: dus als je moeder een afschuwelijk uniform draagt, maar zij heeft jou wel gemeenschapszin geleerd, dan moet je haar uniform gaan dragen. Ik ben blij dat de overgrote meerderheid van het volk deze redenering niet aanhangt.”
Analyse. Uiteindelijk is Ellian dus toch nog een blij mens, maar eerst moest hij Elatik wegzetten als een onbetrouwbaar individu: een ‘opportunist’, die aandachtig alle kranten bestudeerd heeft en nu moeiteloos – populaire - meningen van anderen overneemt. Ze is niet authentiek, aldus Ellian. En dat blijkt allemaal uit het feit dat ze in het NRC praatte alsof ze altijd zo had gedacht.
Kortom, ze zei dus niet dat ze altijd zo dacht, maar ze praatte alsof ze altijd zo had gedacht. Het is dus een interpretatie van Ellian. En die interpretatie is merkwaardig, omdat Elatik in het interview letterlijk zegt dat ze vroeger anders dacht.
Het hoofddoekje zat Ellian ook dwars. “Zij doet het niet vanwege de islam maar vanwege religiositeit. Wat is dat? Is dat de islam of niet?” Ellian maakt zich hier schuldig aan een categoriefout. Iemand kan religieuze motieven hebben, maar dat betekent niet dat die dus per definitie islamitisch van aard moeten zijn. De categorie ‘religieuze motieven’ omvat de sub-categorie ‘islamitische motieven’, maar omgekeerd geldt dat niet.
De redenering van Ellian die daar op laat volgen, is uitermate curieus. “Omdat haar moeder haar gemeenschapszin heeft geleerd, wil zij haar door het dragen van een hoofddoek eren.” Volgens Ellian impliceert dit dat “als je moeder een afschuwelijk uniform draagt, maar zij heeft jou wel gemeenschapszin geleerd, dan moet je haar uniform gaan dragen.” Elatik heeft het enkel over haar respect voor haar moeder en niet over een of andere stelregel die voorschrijft dat je “het uniform van je moeder” moet dragen als ze jou gemeenschapzin heeft bijgebracht.
Ellian voert het debat vooral met zichzelf en met zijn eigen interpretaties. “Laten we even het gezonde verstand gebruiken”, stelt Ellian voor. Wellicht kan hij zelf de eerste stap doen, want dat is hoognodig.

Engelen over Verbrugge, Boomkens en andere filosofen (18/2)

Oxford University
Te grof, te snel en te gemakkelijk. Geen onthullende tekstanalyse, nauwelijks lachwekkende kleinoden van bestuurlijke domheid en machtswellust, geen hemelschreiende voorbeelden van bestuurlijke wanprestatie. Gemakkelijke uithalen. Dat is in een notendop de beoordeling van Boomkens’ boek ‘Topkitsch en slow science’ door Ewald Engelen (De Groene Amsterdammer, 6.2.09, p. 12/13).
Het boek ‘If you’re so smart’ dat door de geschiedfilosoof Lorenz is geredigeerd, komt er bij Engelen al evenmin positief af. Met name de bijdrage van Ad Verbrugge moet het ontgelden, want hij hanteert (kennelijk) onduidelijke concepten. “Alsof iemand weet wat we onder ‘geestelijke ruimte’ en ‘onze cultuur’ zouden moeten verstaan”, aldus Engelen. Bovendien heeft de socioloog Bourdieu overtuigend aangetoond dat het bij universiteiten niet zozeer om Bildung gaat (zoals een aantal auteurs meent), als wel om de reproductie van sociale posities via kennissen, tafelmanieren en kunstzinnige praat. “Het is veelzeggend dat Bourdieu in beide boeken niet één keer figureert”. Alleen Icke en Fresco zijn in staat tot de cynische ontmaskering, maar dat zijn dan ook de enige beta’s in het boek.
“Wat beide boeken kenmerkt – en zo teleurstellend maakt – is dat ze primair geschreven zijn door mensen afkomstig uit de geesteswetenschappen”. De geesteswetenschapper, zo weet Engelen, lijkt het van nature aan relativeringsvermogen te ontbreken, weet Engelen. “Wellicht omdat deze professie, bij ontstentenis van een externe legitimatie, per definitie wankel is.”
Het “belangrijkste bezwaar tegen de twee boeken betreft echter hun, wat ik noem discursief fetsjisme”. Twee alinea’s later komt de aap uit de mouw. De Nederlandse academici van voor 1955 behoren zo ongeveer tot de meest verwende werknemers ter wereld. Ze verdienen meer, hebben meer budget, beschikken over meer ondersteuning, geven minder les en hebben meer vrijheid dan hun buitenlandse collega’s.
Maar ook Engelen heeft kritiek op de universitaire bestuurders. Die laten ondanks alle retoriek alles bij het oude. Het advies van Engelen is daarom: “schop de uitvreters eindelijk eens de tempel uit!”
De academische werkelijk ontbreekt in beide boeken en dat roept volgens Engelen de vraag op hoe we ervan op aan kunnen dat de auteurs geen behartigers van eigen belangen zijn, die via de omweg van grote woorden, diepzinnige frasen en imponerende maatschappijkritiek uiteindelijk niets anders dan de bescherming van eigen privileges dienen.
Analyse. De recensie van Engelen bestaat uit een fiks aantal drogredenen. Hij hanteert bijvoorbeeld de persoonlijke aanval: de critici hebben geen relativeringsvermogen, zijn verwend en het is niet te bepalen of de auteurs enkel hun eigen belang willen veilig stellen.
Bovendien maakt Engelen gebruik van vaag taalgebruik. “De geesteswetenschapper lijkt van nature geen relativeringsvermogen te hebben.” Lijkt? Van nature? Dus eigenlijk toch wel. Of niet? Ook de zinsnede met “wellicht omdat….” zegt buitengewoon weinig. Misschien wel, maar misschien ook niet. Engelen zegt niets.
Het is een vreemde gewoonte van een aantal critici om boeken te beoordelen op punten die er niet in staan. In dit geval bijvoorbeeld het ontbreken van een verwijzing naar de Franse socioloog Bourdieu. Die kritiek is irrelevant. De waarde of geldigheid van een betoog hangt niet af van het feit of wel of juist niet wordt verwezen naar een bepaalde denker. Stel je voor wat er gebeurt als dat wel legitiem was. Dan zou een marxist het boek kunnen bekritiseren op grond van het ontbreken van een verwijzing naar Marx; een freudiaan zou Freud kunnen missen; een conservatief zou Burke kunnen missen. En zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan.
Dat een betoog helder moet zijn en dat overbodige diepzinnige frasen vermeden moeten worden, is een terechte eis. Maar of Verbrugges ‘onze cultuur’ nu echt zo onduidelijk is, waag ik te betwijfelen. Vreemd is echter Engelens gebruik van een term als ‘discursief fetsjisme’. Wat hij daar mee bedoelt, moet de lezer zelf invullen. Feit is dat Engelen meet met twee maten door de – terechte – criteria niet op zijn eigen werk toe te passen.
Inhoudelijk komen we overigens bijna niets te weten over deze twee boeken.

Wilders en de inconsistentie (17/2)

“De Britse regering weigerde Wilders omdat hij een bedreiging zou vormen voor community harmony”, aldus Thomas Spijkerboer, hoogleraar migratierecht aan de VU (NRC, 13.2.09). Maar in Londen was niets te merken van enige commotie. Bovendien was de bedreiging voor de openbare rust volgens Spijkerboek weinig specifiek en erg algemeen van aard. De toegangsweigering van Wilders zou dan ook zeker in Straatsburg sneuvelen.
Spijkerboek is van mening dat Wilders terecht meent dat het Verenigd Koninkrijk een onaanvaardbare inperking van zijn vrijheid van meningsuiting toepast. Maar dat is niet het hele verhaal. Want “wie zich beroept op mensenrechten, zal moeten aanvaarden dat anderen dat met evenveel recht kunnen doen.” En daar zit nu juist het probleem, want Wilders claimt enerzijds een recht op vrijheid van meningsuiting, maar wilt anderzijds de Koran te verbieden.
Wilders’ betoog bevat dus een inconsistentie.
Spijkerboer argumenteert als volgt:
1. De vrijheid van meningsuiting omvat in beginsel de vrijheid zelf te beslissen waar die mening geuit wordt.
2. Het recht om naar eigen smaak een gezin te stichten omvat de vrijheid om in beginsel zelf te bepalen waar dat zal gebeuren.
3. Tegen deze vrijheden kunnen bezwaren geformuleerd worden.
4. Als daartegen bezwaren zijn, dan kunnen die bezwaren doorslaggevend zijn om de vrijheden in te perken.
5. Algemene bezwaren (zoals dat er een tsunami van een bepaald geloof dreigt, of dat de man in de straat zich ontheemd voelt met zoveel vreemd gezinsleven om zich heen) zijn echter onvoldoende om fundamentele vrijheden (zie premisse 1 en 2) in te perken, zo blijkt uit de Straatsburgse jurisprudentie.
6. Tegen Wilders’ vrijheid van meningsuiting én tegen het recht om een gezin te stichten bestaan uitsluitend algemene bezwaren geformuleerd.
7. Wilders kan enkel op straffe van een inconsistentie zowel zijn vrijheid van meningsuiting claimen en tegelijkertijd een inperking van de vrijheid van het recht om een gezin te stichten.
8. Derhalve is Wilders’ betoog inconsistent.
Spijkerboers conclusie volgt uit de premissen.
Analyse. Terecht wijst Spijkerboer op het principe van universaliseerbaarheid en de weigering van Wilders om daaraan gehoor te geven

Zwagerman 4 (16/2)

Joost Zwagerman (tekening)

Eerst mocht Anet Bleich in de Volkskrant uitleggen dat Joost Zwagerman er niet veel van begrepen had en een week later mocht Willem Schinkel dat in het NRC nog eens dik overdoen (13.2.09). Zwagerman beweerde dat het publieke debat in Nederland in de ban is van een 'witte culturele elite' die met twee maten meet: kritiek op het christendom mag wel, maar kritiek op moslims is not done. En daar gaat het dus al meteen fout, want Zwagermans stelling berust voornamelijk op de nooit onderzochte aanname dat er zo'n ‘elite’ bestaat. Om die kritiek kracht bij te zetten, ging Schinkel minutieus aan de slag. Gewapend met een heus potlood en papier turfde hij in Zwagermans pamflet de elite: Hugo Brandt Corstius (35 keer genoemd); Jan Blokker (30 keer); Frits Abrahams (13 keer); Bas Heijne (12 keer); Geert Mak (11 keer); Jacques van Doorn (6 keer); Huub Oosterhuis (4 keer); Harry de Winter (2 keer) en Marcel van Dam (1 keer).
Dat turven leidt tot heftige wetenschappelijke conclusies: “Al met al wordt duidelijk dat Zwagermans ‘culturele elite’ alleen in de krant leeft en op Bas Heijne en Harry de Winter na de 60 gepasseerd is. Het is moeilijk je aan de indruk te onttrekken dat een publicist hier zijn belangrijkste concurrent (Heijne) en de generatie boven hem van de troon probeert te stoten om zelf voorganger van een nieuwe, multiculturealistische elite te worden. Wat tragisch is, is dat veel van de genoemden toch alleen vanuit een microkosmos gezien kunnen worden als ‘de culturele elite’ in Nederland. Er zitten zeker invloedrijke columnisten bij, maar evenveel die al lang door Zwagermans leeftijdgenoten, met wie hij niet in discussie gaat (Marjolijn Februari, Sylvain Ephimenco, Mohammed Benzakour), ingehaald zijn. Misschien is het te veel eer je generatiegenoten te omschrijven als 'elite'.”
Zwagerman wijst meer met de vinger dan dat hij analyseert. “Iemand moet hem eens vertellen er gewoon niet meer over te schrijven. Of er anders een keer echt werk in te steken.”
Analyse. Een curieuze recensie. Schinkels turfwerk leidt uiteindelijk tot de conclusie dat “het moeilijk is je aan de indruk te onttrekken dat een publicist hier zijn belangrijkste concurrent (Heijne) en de generatie boven hem van de troon probeert te stoten om zelf voorganger van een nieuwe, multiculturealistische elite te worden.”
Ten eerste leidt tot turfwerk op geen enkele wijze tot die conclusie. Ten tweede is ‘…aan de indruk te onttrekken…’ vaag taalgebruik. Is er nu wel of geen sprake van een coup? Of is het slechts een indruk? Zonder waarheidswaarde? Ten derde is er sprake van een persoonlijke aanval. Het gaat bij Zwagerman om het streven naar macht, waarbij vooral Bas Heine een hinderlijk obstakel is.

Zwagerman 3 (15/2)

Bleich vond het dus maar niets, dat pamflet van Zwagerman (VK, 6.2.09). In 'Hitler in de polder & Vrij van God' hekelt Zwagermans de neiging van de linkse intellectuelen om politieke tegenstanders meteen met Adolf Hitler te vergelijken. Daar kon Bleich zich nog wel in vinden. Smakeloze voorbeelden genoeg. Publicist Hugo Brandt Corstius koppelde ooit minister van Financiën Onno Ruding aan de architect van de 'Endlösung', Adolf Eichmann. Bolkestein werd afgeschilderd als de Nederlandse rechtse extremist Le Pen; Scheffer bevond zich in het gezelschap van de Oostenrijker Haider; en Fortuyn en Mussolini waren twee handen op één buik: allebei idioot, verwerpelijk en grievend. “Het is een goedkope manier om standpunten niet serieus te hoeven nemen en zonodig op eigen merites te bekritiseren. Hetzelfde geldt in het geval van Geert Wilders, wiens uitspraken over de islam het gedachtegoed van het rechtse extremisme soms vervaarlijk naderen, maar die in de verste verte geen Hitler is. Maar is deze manier om tegenstanders in een kwaad daglicht te stellen typerend voor links of voor een ‘lelieblanke elite’? Ik dacht het niet. Geert Wilders is wel lelieblank, maar hoort niet bij de door Zwagerman geattaqueerde linkse elite.”
Bleich wees er fijntjes op dat uitgerekend Wilders de Koran met Mein Kampf vergeleek. De Koran is een ‘fascistische boek’ dat Wilders liefst zou verbieden. “Het was de overtuigingskracht van Zwagermans betoog ten goede gekomen als hij deze faux pas van Wilders in zijn redenering had betrokken.”
Bovendien rammelde Zwagermans betoog aan alle kanten. “Het zijn namelijk niet Mak of Abrahams of andere volgens Zwagerman verblinde linkse intellectuelen die Hirsi Ali haar Nederlanderschap probeerden af te nemen en haar de helaas noodzakelijke beveiliging ontzeggen.” Dat waren Rita Verdonk en achtereenvolgende ministers van Justitie.
Kortom, exit Zwagerman.
Analyse. Heeft Bleich een punt? Nee. Of het afschilderen van tegenstander als Hitlers niet typerend voor links, doet er namelijk helemaal niet toe. Punt (en feit) is dàt het in linkse kringen gebeurt. Dat Wilders de Koran wil verbieden, is eveneens volstrekt irrelevant voor het punt van Zwagerman: het gaat niet aan om andersdenkenden weg te zetten als kleine Hitlers of fascisten. Of ook rechts zich daaraan schuldig maakt, is namelijk niet het onderwerp van het betoog. Zwagerman stelt enkel een weinig frisse praktijk van linkse intellectuelen aan de kaak.
Bleich had alleen een punt heeft als Zwagerman beweerd zou hebben, dat uitsluitend in linkse intellectuele kringen het etiket ‘Hitler’ geplakt wordt.

Wilders en de onjuiste vergelijking (14/2)

“Orthodoxe joden kwamen de deuren door. Maar niet Geert Wilders” (Pers, 14/s). Voor de duidelijkheid: Wilders mocht Engeland niet in en toch ging. Na een indringend gesprek van pakweg 47 seconden werd Wilders op het vliegtuig gezet richting Nederland .
Analyse. De vergelijking ‘joden’ en ‘Wilders’ gaat niet op. Wilders wordt in verband met de schending van de openbare orde gezien. Die kwalificatie geldt niet voor orthodoxe joden.
.

De zielenroerselen van Berlusconi (13/2)

“Er kan amper aan worden getwijfeld dat de machtsstrijd tussen de premier en de president de werkelijke reden is voor het medeleven dat Berlusconi de afgelopen dagen plotseling voor Eluana Englaro aan de dag legde. Het was immers Napolitano die weigerde een decreet te bekrachtigen waarmee Berlusconi een uitspraak van het hooggerechtshof ongedaan wilde maken”, aldus het Commentaar (VK, 11.02.09).
Analyse. Kan er amper aan getwijfeld worden? Dat is een poging om de bewijslast te ontduiken. Dat de machtsstrijd de werkelijke reden is voor het medeleven van Berlusconi, zal toch echt bewezen moeten worden. Het medeleven van de regering-Berlusconi was de aanleiding tot het uitvaardigen van een decreet. Maar tot verbazing van Berlusconi weigerde de Italiaanse president Napolitano vervolgens zijn handtekening zetten. Die handtekening kwam pas na de orde nadat het decreet was opgesteld.

Spong en het argument met de stok (12/2)

Vandaag, 12 februari, staat een 43-jarige Hagenees terecht omdat hij advocaat Gerard Spong per mail heeft bedreigd. Die bedreiging had Spong te ‘danken’ aan het feit dat hij één van de lieden was, die zich hebben ingezet voor de vervolging van de PvdV-politicus Geert Wilders vervolgd. Spong ontving ongeveer 100 ‘dankbetuigingen’, maar de haatmail van de Hagenees ging kennelijk een stap verder dan de rest. Hij mag in de Amsterdamse rechtbank tekst en uitleg komen geven..
Analyse. De Hagenees vindt dat Wilders ten onrechte de mond wordt gesnoerd. Hij kan dat motiveren door, net als Wilders zelf, te wijzen op de vrijheid van meningsuiting. In dat geval is er sprake van een contradictie, want door zijn bedreiging probeert hij Spong de mond te snoeren.
De Hagenees kan zijn bedreiging ook proberen te rechtvaardigen omdat hij van mening is dat alleen de mening van Wilders gehoord mag worden. Maar Wilders heeft zich nu juist nadrukkelijk gedistantieerd van dit soort bedreigingen.
Hoe dan ook, er is in elk geval sprake van een argumentum ad baculum (het argument van de stok): Spong moet zwijgen.

Etty en de vertekening van een standpunt (11/2)

“In de dubieuze persoon van minister-president Berlusconi beschikt de paus in Italië over een politieke plaatsbekleder. Deze vaardigde een decreet uit dat de levensbeëindiging verbood, met het argument – geloof het of niet – dat de vrouw nog vruchtbaar was.” Etty doelt in haar column op de poging van Berlusconi om via een decreet te voorkomen dat Eluana Englora zou versterven (NRC, 10.2.09).
Analyse. Berlusconi werd in de Corriere della Sera (6.2.2009) letterlijk geciteerd. Hij zei: “Eluana è una persona viva, respira, le sue cellule cerebrali sono vive e potrebbe in ipotesi fare anche dei figli.” Vrij vertaald komt het erop neer, dat Eluana een levende persoon is, die ademhaalt, waarvan de in hersenencellen leven en die zelfs kinderen kan krijgen. Met andere woorden, het gaat om een levend wezen.
Etty vertekent het standpunt van Berlusconi. Zij doet het voorkomen alsof het volgens hem alleen om de vruchtbaarheid gaat. Dat punt wordt echter volledig uit de context gelicht.

Zwagerman 2 (10/2)

In zijn onlangs verschenen pamflet ‘Hitler in de polder & Vrij van God’ (Amsterdam 2009) merkt schrijver en essayist Joost Zwagerman op dat de Nederlandse culturele elite met twee maten meet. Blokker, Mak, Brandt Cortius en Heine hoor je geen commentaar geven als iemand de ‘ongelofelijke wreedheid van de Christelijke god’ aan de kaak stelt, maar steunen vervolgens niet de critici die op dezelfde wijze praten over Allah en Mohammed en dan bedreigd worden. Een atheïst kan vrolijk de spot met het geloof drijven, want dan draagt bij aan de pluriformiteit. Maar een ex-moslim die de spot met de Koran drijft, gooit alleen maar een lont in een kruitvat. Het zijn aandachtstrekkers, provocateurs en ze zijn bovendien enkel mediageil. En de bedreigingen, ja, die hebben Ayaan en Jami natuurlijk aan zichzelf te danken.
Analyse. Zwagerman wijst op het feit dat de Blokkers en Makken ex-moslims aanvallen, maar hun mond houden als het om kritiek op het christendom gaat. Dat getuigt volgens Zwagerman van een dubbele standaard en een morele geslepenheid.
Maar is dat verwijt terecht? Kun je uit het feit dat Blokker e.a. niets over een bepaalde problematiek (kritiek op christendom) zeggen én wel iets over een aanverwante problematiek (kritiek op de islam door ex-moslims) afleiden dat er dus sprake is van hypocrisie? Dat lijkt me alleen terecht als ze in beide gevallen iets gezegd hebben en daarbij tegenstrijdige uitspraken hanteren. Maar het zwijgen over de kritiek op het christendom impliceert op zich geen instemming.
Een voorbeeld. Stel ik dat Zwagerman hypocrisie zou verwijten omdat hij wel stelling neemt in het conflict tussen Israël en Hamas, maar niet in het conflict tussen (bijvoorbeeld) Spanje en de Baskische afscheidingsbeweging. Ten aanzien van die laatste strijd weet ik niet wat de positie van Zwagerman is. Ik kan uit zijn stilzwijgen ook niet afleiden dat hij voor of tegen de Eta is. Maar dat is wel wat Zwagerman doet bij de critici van de islam.
Een ander voorbeeld. Zwagerman zegt niets over de rechtste critici van de islam, over Verdonk, over Kamp. Naar zijn eigen maatstaven zou Zwagerman dus met twee maten meten. Maar naar mijn maatstaven niet. Zwagerman heeft het niet over rechts, maar over links.
Maar nog los van dit alles, blijft de vraag waar de uitspraken van de ‘lelieblanke’ culturele elite te vinden zijn dat kritiek op het christendom wel acceptabel is en dat kritiek op de islam door een afvallige onacceptabel is?
Overigens heeft Blokker zich in het verleden wel degelijk expliciet uitgelaten over de bedreigingen die afvallige moslims ten deel vallen, namelijk in de kwestie-Rushdie. Blokker vond toen dat die bedreigingen niet door de beugel konden. Telt niet, zegt Zwagerman eenvoudig. Want Rushdie is gelouterd schrijver. Maar op die manier maakt het dus niet uit wat Blokker zei of zegt.
Wat had Zwagerman dan wel moeten argumenteren? Dat de kritiek van de Blokkers & de Makken niet louter de personen Ayaan, Jami en Hera betrof, maar de categorie ex-moslims. En die stap is niet te vinden in het betoog van Zwagerman.

Zwagerman als zielenvorser van Heine (9/2)

Joost Zwagerman (potlood)

Sooreh Hera heeft min over meer om moeilijkheden gevraagd, meent Bas Heine. Althans, Zwagerman vindt dat Heine dat meent. Dat staat in zijn pamflet ‘Hitler in de polder & Vrij van God’ (p. 64). Heine zei het niet, maar Zwagerman leidde dat af uit een discussie die hij met Heine had. De reden waarom ze moeilijkheden kreeg, zou volgens Heine te wijten zijn aan de indruk die zij op de Vlaamse televisie wekte.
Wat zei Heine eigenlijk? “Principieel ben ik het met je eens”, zei hij tegen Zwagerman in het Buitenhof (30.12.07). Het ging in de discussies over de multiculturele samenleving teveel over incidenten en te weinig over het reële, onderliggende probleem, namelijk de angst over de eigen identiteit onder allochtonen én autochtonen. Over de discussie over de foto’s van Sooreh Hera merkte hij op dat hij het betreurde dat de discussie niet ging over het thema dat de kunstenares aankaartte. Hij wees daarbij op een interview met haar op de Vlaamse televisie (zie de uitzending vanaf 16:40). Het ging in dat interview niet over de positie van homo’s binnen de islam, maar over wat voor een soort figuur Mohammed nu eigenlijk was. Of hij een homo was, wilde de Vlaamse journalist weten. Sooreh Hera ontkende dat dan weer, maar merkte wel op dat Mohammed een pedofiel was. “Waar hebben we het dan over?”, vroeg Heine zich af.
Analyse. Op dat punt nam Zwagerman het gesprek over. Dus op basis van dit fragment leidde Zwagerman af wat Heine kennelijk vond. Maar de laatste zei nergens dat Sooreh Hera de moeilijkheden aan zichzelf te danken had. Het was ook niet de context van de discussie. Niet op dat moment en evenmin op elk ander moment in die discussie. Heine gaf enkel aan dat de discussie bij dit soort zaken vervolgens over bijzaken ging, bijvoorbeeld over de figuur van Wim van der Krimpen, de museumdirecteur die de foto’s weigerde. Daar kun je het mee eens of oneens zijn, maar het ging absoluut niet over de vraag of Sooreh Hera om moeilijkheden had gevraagd.
Kortom, Zwagerman verzon een standpunt.

Balkenende en de inval in Irak (8/2)

In deze magistrale cartoon in de Volkskrant maakt Jos Collignon zich schuldig aan een persoonlijke aanval. Balkenendes motief in het onderzoek naar Irak wordt verdacht gemaakt door allerlei doodlopende paden te creëren. De paden lopen allemaal dood. Het motief is het eindblok: Balkenende is – hoe dan ook - schuldig.

Dierproeven (7/2)

Er zijn verschillende universiteitswetenschappers die bang zijn om openlijk hun afwijzende standpunten te verkondigen over dierproeven. Als ze dat al doen, worden ze gewaarschuwd of zelfs bedreigd door de universiteit waar ze werken. Dat beweren Stijn Bruers en Andre Menache (DS, 5.2.06). De eerste is gepromoveerd in Leuven en de laatste is veterinair chirurg.
Ze constateren dat het debat over dierproeven meestal wordt voorgesteld als een debat tussen ‘wetenschap’ versus ‘emotie’.
Analyse. Als Bruers en Menache de feiten correct weergeven, dan wijzen ze op twee drogredenen. De eerste is het argument met de stok. Dat is geval als universiteiten waarschuwen en dreigen als een wetenschapper stelling neemt tegen dierproeven.
De tweede drogredenen, waar Bruers en Menache op wijzen, is de onjuiste tegenstelling: het debat over dierproeven is een debat tussen ‘wetenschap’ en ‘emotie’. (In zijn algemeenheid is die tegenstelling sowieso onjuist. Nieuwsgierigheid kan een motief zijn om onderzoek te doen.)

Heertje en het volledig gebrek aan bewijs (6/2)

Prof. Heertje weet dat de directeur van Rochdale in Amsterdam al veel eerder ontmaskerd had moeten worden (RTLz). Dat de voorzitter van de Raad van Commissarissen, de heer J. van Cuilenburg, niets heeft gemerkt van het wangedrag van zijn directeur Huub Mollenkamp, lijkt hem sterk. “Denkbaar is dat Van Cuilenburg betrokken is bij de criminele activiteiten van zijn vriend. In dat geval strekt strafrechtelijk onderzoek zich ook tot hem uit.”
Maar als zou blijken dat Van Cuilenburg van niets wist, “komt de vraag op hoe iemand jarenlang toezicht kan houden, zonder te merken dat dubieuze transacties worden gedaan, sprake is van persoonlijke verrijking en bovenal de hoofdtaak van een woningcorporatie, sociale woningbouw, volledig uit het beeld is verdwenen.” Van Cuilenburg is immers hoogleraar Communicatiewetenschap (UvA) en Heertje verwacht van zo’n persoon enige sociale intelligentie. “Dat deze niet aanwezig is bevestigt mijn indruk dat de meeste ‘geleerden’ op dit terrein beunhazen zijn, waaraan men noch onderwijs, noch onderzoek kan overlaten.” Van Cuilenburg is dan ook niet geschikt als bestuurslid van het Commissariaat voor de Media. Van communicatiebeleid heeft hij blijkbaar geen kaas heeft gegeten, aldus Heertje.
Overigens heeft Rochdale, zo deelt Heertje nog even tussen neus en lippen mee, de formele karakteristieken van een criminele organisatie.
Analyse. Wederom rammelt Heertjes argumentatie van alle kanten. Hij poneert er in zijn column lustig op los, maar bewijst helemaal niets. “Het is denkbaar dat Van Cuilenberg betrokken is bij de criminele activiteiten”: deze bewering is immuun voor kritiek. Zo’n stelling valt onder de categorie: mogelijkerwijs…, maar wellicht ook niet, hoewel het kan zijn dat…
Verder weet Heertje dat Van Cuilenburg sociale intelligentie mist (persoonlijke aanval) en dat wordt dan in één adem verbonden met het ‘feit’ dat de meeste geleerden op dit terrein beunhazen zijn. Deze opmerking valt overigens helemaal buiten de context van het onderwerp van zijn column, maar dit terzijde.
Van Cuilenburg blijkt nu ook niet geschikt te zijn als bestuurslid van het Commissariaat voor de Media. Waar die bewering vandaan komt, is volstrekt onduidelijk. Heertje past daarbij een retorische truc toe door vervolgens te stellen dat Van Cuilenburg blijkbaar niets weet van communicatiebeleid. Nog afgezien van het feit dat zijn positie in het Commissariaat helemaal niet ter discussie staat, is het houden van toezicht iets anders dan onderzoek dan op het gebied van communicatiebeleid. Kortom, een onjuiste analogie.
Dan blijkt uit Heertjes betoog dat Rochdale de formele karakteristieken van een criminele organisatie heeft. Van ‘een foute voorzitter’ wordt het stapje naar een dubieuze toezichthouder gemaakt, die een paar zinnen later al zowat veroordeeld is en uiteindelijk wordt het handelen van voorzitter & toezichthouder gelijk gesteld met de hele organisatie, die dan weer de formele karakteristieken van een criminele organisatie te hebben. Maar Heertje doet er vervolgens nog een schepje bovenop: “er is ook elders van alles aan de hand, dat het daglicht niet kan verdragen”. Waar dat dan weer vandaan komt en waar dat betrekking op heeft, blijft giswerk.
Wat had Heertje dan wel aan echte feiten kunnen vermelden? Dat de commissarissen van Rochdale hun falend toezicht erkend hebben en dat ze inmiddels zijn afgetreden. Of dat de aankoop van Van Cuilenburgs huis via Rochdale door een externe accountant werd onderzocht en dat die concludeerde dat ‘van enige onjuistheid’ niets zou zijn gebleken. Kennelijk ook niet interessant om dat te vermelden.
Al met al poneert Heertje poneert alleen maar en bewijst hij helemaal niets. Feiten die er wel zijn, worden weer niet vermeld.
Uit jurisprudentie (LJN: BD2957) blijkt dat in columns sprake mag zijn van overdrijving, scherpte en ridiculisering. In die zin verdienen Heertjes schrijfsels inderdaad de kwalificatie ‘column’.

Van der List en de simplificatie (5/2)

Vaticaanstad

“Veel te veel ophef om een ondiplomatieke paus”, vindt Van der List. Hij schrijft dat in zijn column voor Elsevier. De paus heeft onlangs een aantal bisschoppen gezuiverd en één van hen, de Brit Richard Williamson, meent dat de nazi’s slechts een handjevol Joden hebben vermoord.
Maar, zo gaat Van der List verder, praktisch iedereen in de katholieke kerk verwerpt de ontkenning van de Holocaust door de Britse bisschop. “De rehabilitatie van Richard Williamson door paus Benedictus XVI is nogal onhandig”, maar meer dan dat is het volgens Van der List niet.
Dat Jean-Pierre Wils naar aanleiding van dit voorval de kerk verlaat, maakt evenmin indruk op Van der List. “Dat moet even schrikken zijn voor het Vaticaan. Ook al heeft zelfs in Nederland bijna niemand van de goede man gehoord. Nu staat hij zomaar op Teletekst en de voorpagina van de Volkskrant en beleeft hij zijn 15 minuten roem. De reden? De hoogleraar theologische ethiek in Nijmegen is tot de ontdekking gekomen dat de katholieke kerk liberaal noch democratisch noch modern is.”
Bij het motief van Wils zet Van der List vraagtekens. “De al decennia door een roomse universiteit betaalde Wils is blijkbaar vrij traag van begrip. Want het Vaticaan pretendeert allesbehalve liberaal, democratisch en modern te zijn.” De aanleiding voor het vertrek noemt Van der List “nogal gezocht”.
Williamson is hooguit een bedrijfsongeval. Iedereen in de katholieke kerk heeft al luidruchtig afstand genomen van de ideeën van Williamson. Bovendien ontkent het Vaticaan de Holocaust niet en is evenmin antisemitisch.
Analyse. In de Volkskrant staat dat Wils al langer worstelde met de standpunten van het Vaticaan. “Het begon al te knagen toen eind jaren zeventig mijn theologiedocent zijn mandaat moest inleveren.” De reïntegratie van wat de Pius-X-beweging, die Wils een anti-democratische en fascistoïde groepering noemt, was voor hem de druppel die de emmer deed overlopen. De kerk is in zijn ogen steeds orthodoxer en anti-liberaler geworden. Van der List stelt het echter dat Wils ineens tot deze ontdekking gekomen is. Kortom, een vertekening van Wils’ standpunt.
“Wils is blijkbaar vrij traag van begrip. Want het Vaticaan pretendeert allesbehalve liberaal, democratisch en modern te zijn.” En Williams zou niet meer dan een bedrijfsongeval zijn. Wils wijst echter nadrukkelijk op een ontwikkeling, waardoor antisemitische geluiden in de kerk steeds meer ruimte krijgen. Drie Duitse hoogleraren theologie noemden de handreiking richting Williams zelfs een “keerpunt in de geschiedenis”, namelijk het eindpunt van het tweede Vaticaanse concilie (1962-1965). Ook de historicus Michael Wolffsohn ziet die omslag. Theoloog Hans Küng noemde deze paus de Bush van de katholieke kerk. De Hamburgse aartsbisschop Thissen, de Weense aartsbisschop Schönborn en bisschop Fürst uitten afgelopen week forse kritiek op de koers van het Vaticaan.
Kortom, volgens Wils e.a. is Williams géén bedrijfsongeval. Anders dan Van der List voorstelt, ging het Wils dus niet alleen om de rehabilitatie van Williams, maar om een bredere, door hem niet wenselijk geachte, ontwikkeling. Van der List simplificeert het standpunt van Wils.
“Ook al heeft zelfs in Nederland bijna niemand van de goede man gehoord” is de volgende drogreden. Of iemand van Wils, overigens een respectabel hoogleraar, gehoord heeft, is volstrekt irrelevant. Nationale bekendheid is volstrekt irrelevant voor deze discussie.

Stapert & Zwart over Wilders (4/2)

De vervolging van Wilders blijft het debat prikkelen. In Trouw deden advocaat Bart Stapert en Tom Zwart (hoogleraar mensenrechten, UU) een duit in het argumentatieve zakje. “De ontwikkelingen in het Amerikaanse en Europese recht tonen aan dat voor het strafrecht in dit soort zaken (vervolging van Wilders, RR.) geen plaats is. Het is in het belang van het publieke debat dat Wilders kan zeggen wat hij wil, hoe men ook over zijn uitspraken denkt. Hem tegenspreken verdient sterk de voorkeur boven hem de mond snoeren.”
Analyse. Kunnen de (feitelijke) ontwikkelingen in het recht aantonen dat er voor de vervolging van Wilders geen plaats is? Niet als we ‘geen plaats’ opvatten als een normatieve uitspraak. Gezien de zinnen die volgen op de hier aangehaalde zin, leid ik af dat we die uitspraak inderdaad als een normatieve uitspraak moeten opvatten en niet als een descriptieve, beschrijvende uitspraak. (Descriptief wil dan zeggen: vervolging ‘past’ niet bij het strafrecht, los van de vraag of dat nu wel of niet wenselijk is.)
De zinnen: “het is in het belang van het publieke debat dat Wilders kan zeggen wat hij wil, hoe men ook over zijn uitspraken denkt” en “hem tegenspreken verdient sterk de voorkeur boven hem de mond snoeren” zijn normatief. ‘De voorkeur verdienen’ drukt een normatieve preferentie uit. Indien dat laatste correct is, leiden Stapert en Zwart ten onrechte een normatieve conclusie uit een feitelijke ontwikkeling af.

Dendermonde, een boze Zinzen en de drogredenen van Goens (3/2)

“Het is ongetwijfeld uw goed recht om te vinden dat berichtgeving over een drama zoals in Dendermonde niet in een nieuwsuitzending of krant thuishoort.” Eric Goens, directeur informatie van VTM, reageerde boos op een klacht van Walter Zinzen. Deze gepensioneerd VRT-journalist vond dat de berichtgeving over de kwestie Dendermonde werd gekenmerkt door ‘professioneel geklungel’. “Honderdduizenden andere lezers en kijkers geven u ongelijk, maar dat zal u ongetwijfeld af- en wegwimpelen als een simplistisch argument”, ging Goens verder. “Wellicht heeft u niets dan intellectualistisch misprijzen voor al die mensen die wél willen geïnformeerd worden over feiten die hen raken tot in het diepste van hun hart, die vragen doen rijzen over de maatschappij waarin zij leven, en die antwoorden willen op al die vragen. U wil dat duidelijk niet. U gaat zó ver dat u stelt dat de maatschappelijke relevantie van dergelijke gebeurtenissen 'nul' is, omdat - ik citeer - 'gerecht en politie immers niets te verwijten viel'.”
Wat was de klacht van Zinzen eigenlijk? Hij stoorde zich onder meer aan het ‘brutale voyeurisme’ in de media. “Niet één foto, maar verscheidene. Niet klein, maar groot. Met lang haar, hoewel in de begeleidende teksten te lezen stond dat hij zijn haar nu geknipt heeft. Een kniesoor die daarop let. Vergelijk deze praktijk met de in Nederland gangbare. Daar heet de verdachte nog altijd Kim De G. In de meeste kranten zonder foto. Zijn de lezers, kijkers, luisteraars in Nederland daarom minder goed geïnformeerd dan wij?”
Zinzen verweet de Belgische redacties dat ze de schandpaal van stal gehaald hadden. Die hoort “niet meer thuis in ons justitieel systeem”. Alleen de rechter straffen mag uitspreken, aldus Zinzen. “Denkt niemand aan de gevolgen voor de omgeving van de verdachte? Waarom moeten ook de ouders en andere familieleden van de jonge man gestraft worden?”
Ook het verhaal over de psychische toestand van Kim de G. stoorde Zinzen. Buiten zijn advocaat had niemand de dader gesproken. “Maar we 'weten' nu wel dat hij lijdt aan een depressie. Of nee, toch niet, hij is schizofreen. Een paar citaten uit de vele stukken die daarover gisteren werden gepubliceerd : 'blijkbaar, er zijn aanwijzingen, voor zover we weten'. Genoeg voor gerechtspsychiater Chris Dillen om met grote stelligheid te beweren dat de 'stukjes van de puzzel langzaam in elkaar beginnen te vallen'. Klein detail: ook de heer Dillen heeft de patiënt noch gezien, noch gesproken.”
Het ging Zinzen niet alleen om het speculatieve karakter, maar ook pure verzinsels. “Zo werd dagenlang verkondigd dat de dader geschminkt was. En ook nu weer lieten de deskundigen zich eens goed gaan. Jef Vermassen slaagde erin om op basis van de schmink alleen een profiel te borstelen van deze uitzonderlijke seriemoordenaar. Toch heeft dokter Ignace Demeyer op de dag van de feiten al verklaard dat hij geen schmink gezien had. Op de Nederlandse televisie, kenschetsend genoeg, bij Pauw&Witteman. Demeyer had de dader onderzocht, hij sprak dus met kennis van zaken. Maar nee, in de Belgische media spookte het schminkverhaal nog dagen rond. Ongecontroleerd, niet geverifieerd. Uiteindelijk werd het rechtgezet, in een onopvallend bijzinnetje.”
Hetzelfde gold ook voor de moord op een bejaarde vrouw die de crèchemoordenaar een week eerder zou gepleegd hebben, aldus Zinzen. Volgens de meeste journalisten was dat een vaststaand feit. “Wat lezen we daarentegen in de Nederlandse Volkskrant? 'De jongeman heeft mogelijk eerder een bejaarde vrouw vermoord.' Dat voorbehoud hoefde voor de Belgische journalisten niet. In het huis van de vrouw was immers DNA-materiaal van de dader gevonden. Tot het gerecht formeel ontkende dat zulks het geval was. Er waren alleen aanwijzingen beschikbaar. Aanwijzingen, juist ja. Zo van die dingen die zelfs regeringen doen vallen. Maar geen feiten, laat staan bewijzen.”
Bovendien stoorde Zinzen zich aan het “onwaarschijnlijke en onbegrijpelijke gebrek aan schroom, discretie en elementair fatsoen als het gaat om de behandeling van de nabestaanden van de slachtoffers . Als gieren storten cameraploegen en fotografen zich op de ouders van de vermoorde en gewonde kinderen. Waar zijn onze journalistieke mores gebleven als het gerecht een oproep moet doen om die mensen met al hun verdriet met rust te laten?” Dit “brutale voyeurisme” heeft volgens hem niets te maken met datgene waarvoor de journalistiek is uitgevonden, namelijk het recht op informatie.
Maar volgens Goens zit Zinzen op een verkeerd spoor. De journalistiek is de voorbije jaren eindelijk meegeëvolueerd met de maatschappij waarin wij leven. “Een krant of een nieuwsuitzending wordt niet meer gemaakt vanuit de gezichtsvernauwende interessesfeer van de-journalist-met-het-vingertje, vanuit de heilige overtuiging dat die als een intellectueel opperwezen 'de mensen' moet opvoeden en terechtwijzen. (...) Voor elke zichzelf respecterende journalist, die géén misprijzen voor zijn lezer, luisteraar, of kijker heeft, is het zijn verdomde plicht over dit soort vreselijke gebeurtenissen te berichten, én uitgebreid te berichten. Door feitelijke berichtgeving, door duiding én debat, om zo in de mate van het mogelijke een antwoord te vinden op al die vragen.”
Goens vond de hele discussie niet de moeite waard. Sterker nog, de discussie was zelfs ongepast, want de lezers en luisteraars hadden en hebben wel iets anders aan hun hoofd dan de discussie die Zinzen heeft opgestart.
Analyse. Goens maakt zich schuldig aan een fiks aantal drogredenen. Hij wijst op honderdduizenden lezers en kijkers die Zinzen ongelijk geven. Een argumentum ad populum. Vervolgens verzint Goens het standpunt van Zinzen: het gaat de laatste niet om het feit dat mensen geïnformeerd willen worden, maar om het speculatieve karakter van (een deel van) de berichtgeving en de verzinsels (over het schminken en het DNA-materiaal dat gevonden zou zijn bij de overleden bejaarde vrouw). Zinzen verwacht meer waarheid en minder speculatie. De kop boven Goens' stuk (“wij hebben weinig of geen fouten gemaakt”) correspondeert niet echt met de inhoud van zijn betoog, aangezien hij niet ingaat op het concrete verwijt van Zinzen.
Ook wil Goens de discussie blokkeren: die zou niet alleen onbelangrijk zijn, maar zelfs ongepast. Met dit emotie-argument wil Goens Zinzen de mond snoeren, maar de laatste heeft het recht om een standpunt naar voren te brengen.

Plasterk vs Rutte (2/2)

VVD-leider Rutte wilde naar aanleiding van de zaak-Wilders de beperkingen voor de vrijheid van meningsuiting terugbrengen. PvdA-minister Plasterk vond dat Rutte helemaal niets had mogen zeggen over een zaak die onder de rechter is (Buitenhof, 27.1.09). Rutte is immers medewetgever.
Later kreeg Plasterk bijval van premier Balkenende, Alexander Pechtold (D66) en Femke Halsema (GroenLinks). Halsema stelde: ‘wanneer de rechter spreekt, zwijgt de politiek!’
Analyse. Feitelijk proberen Plasterk, Balkenende, Pechtold en Halsema de VVD-leider het zwijgen op te leggen. Niet door intimidatie of door te dreigen met geweld, maar op grond van een uitleg van een staatsrechterlijke principe. Politici dienen terughoudend te zijn over zaken nog moet voorkomen bij de rechter.
Het punt is dat dit principe onjuist is. Rechtsonderzoeker Hendrik Gommer (UvT) stelt: “dat politici zich niet zouden mogen uitlaten over zaken die onder de rechter zijn, ís helemaal geen fundament van ons staatsbestel. Eerder een modegril van de laatste twintig jaar.” De rollen van de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht lopen in meer of mindere mate door elkaar heen. De machten controleren ook elkáár.
‘De regering heeft bij ons ook veel wetgevende bevoegdheden, bijvoorbeeld een Algemene Maatregel van Bestuur, of de ministeriële regeling. Zelfs ambtenaren, uitvoerders bij uitstek, bereiden in de praktijk vaak wetsvoorstellen voor. Dan de rechtspraak: in de praktijk vormen al die uitspraken in individuele zaken precedenten en hebben zo rechtsvormende werking. Zéker de uitspraken van de Hoge Raad. In gevallen als euthanasie, abortus en stakingsrecht nam de Tweede Kamer rechterlijke uitspraken over. Dus wie maakt nou de wet?”
Daarom is het volgens Gommer geen punt als parlementariërs zich bemoeien met rechterlijke uitspraken. “Als het hele land erover praat, kunnen zij niet stil blijven. Rechters kunnen daar ook heel goed mee omgaan, wees mijn onderzoek uit. Ze worden door van alles en nog wat beïnvloed, en dat is juist gezond. Zolang ze maar belangeloos en vrij kunnen oordelen en niet voor hun financiële positie en status hoeft te vrezen.” Maar de uiteindelijke beslissing in een individuele zaak blijft een onaantastbare bevoegdheid van een rechter en een rechter alleen, aldus Gommer.

Pinto, Tillie en de vertekening van een standpunt (1/2)

“Tillie is overigens de man die onlangs op grond van ‘onderzoek’ in opdracht van de Gemeente Amsterdam tot de conclusie kwam dat we ‘nog meer thee moeten drinken’.” Prof. Pinto reageerde op de kwestie ‘Wilders’ en verwees en passant even naar een onderzoek van Jean Tillie, hoogleraar electorale politiek en adjunct-directeur van het IMES (VK, 23.1.09).
Analyse. Tillie en andere onderzoekers deden uitgebreid onderzoek naar radicaliserende moslims en wees op een aantal strategieën om radicalisering te voorkomen. En van die strategieën is in gesprek blijven. Pinto brengt dit hele onderzoek inclusief de aanbevelingen terug tot meer thee drinken, een uit het verband getrokken zinsdeel. Kortom, een (kennelijk grappig bedoelde?) vertekening van een standpunt.
(Tillie heeft zijn visie onlangs nog eens helder verwoord in het zeer toegankelijk geschreven boek ‘Gedeeld Land’ (Meulenhoff, Amsterdam 2008).)