Vliegtaks (31/3)

Mark Rutte (VVD) in Pauw & Witteman: de vliegtaks kost de Nederlandse samenleving 1,3 miljard euro.
Femke Halsema (GL), ook in Pauw & Witteman: die vliegtaks kost maar 11 euro per reis en dat bedrag, 1.3 miljard, komt van de belangenvereniging.
ANVR (persbericht): de vliegtaks kost de Nederlandse economie 1,3 miljard euro.
ElsevierFiscaal (13.3.09): “De SEO schat dat Nederland jaarlijks 1,3 miljard euro misloopt, als de vliegtaks blijft. Met name Nederlandse luchtvaartmaatschappijen (940 miljoen euro) en de reisbranche (300 miljoen euro) zullen dit merken.”
Pieter Hilhorst (Volkskrant) las het rapport waar Halsema en Rutte naar verwezen en schetst een heel ander beeld op basis van dat rapport. Het aantal reizigers in Schiphol is gedaald, maar het aantal reizigers in Eindhoven, Groningen en Maastricht is gestegen. Volgens het SEO heeft de krimp van Schiphol niet alleen te maken met de vliegtaks, maar ook met andere factoren.
Over de kosten, 1.3 miljard, melden de onderzoekers dat Frankfurt en Parijs ook krimpen. Bovendien werd het omzetverlies slechts berekend voor bepaalde sectoren. Het kan dus zijn dat er – Nederlandse – sectoren zijn die er dankzij de krimp wel op vooruit gaan.
Bovendien, zo merkt Hilhorst op, is Schiphol op één na de duurste luchthaven van Europa. Dat blijkt uit een overzicht in het NRC.
Analyse. Rutte, Haslsema, ANVR en ElsevierFiscaal lazen wat ze wilde lezen; Hilhorst las wat selectiever. Punt voor Hilhorst: in het rapport wordt inderdaad steeds gepraat over de effecten voor de “genoemde bedrijven”. Maar ook, anders dan Hilhorst suggereert, over de effecten van de vliegtaks: waar Hilhorst schrijft dat de krimp van Schiphol te maken heeft met meer dan één oorzaak (de vliegtaks), schrijft SEO óók dat de effecten van de vliegtaks aanzienlijk zijn. De daling is, anders dan Hilhorst schrijft, niet een volledige verrassing voor de onderzoekers: het kan te maken hebben met de prijsdaling van tickets én de niet volledig doorberekende olieprijzen (p. 19/20).
Mijn advies: lees het rapport zelf in plaats van af te gaan op derden.

Etty versus Mees & Benzakour (30/3)

Elsbeth Etty is onzuiver in haar kritiek op het artikel 'De fabeltjes over meisjesbesnijdenis', vinden Mees & Benzakour. “Natuurlijk vinden ook wij meisjesverminking weerzinwekkend. De portee van ons artikel betreft echter iets anders, namelijk dat de ronkende mediaberichten in geen verhouding staan tot de alledaagse Nederlandse werkelijkheid en dat de 'keiharde aanpak' van PvdA-staatssecretaris Bussemaker in de eerste plaats lijkt ingegeven door electorale overwegingen.”
Wat schreef Etty dan (NRC, 24.3.09)? “Heleen Mees en Mahommed Benzakour keerden zich vorige week in NRC Handelsblad tegen maatregelen van staatssecretaris Bussemaker om besnijdenis van meisjes te voorkomen. Volgens hen is haar optreden alleen maar bedoeld om de islam in een kwaad daglicht te stellen. „Hoe graag bepaalde politici het ook anders willen zien, clitoridectomie en infibulatie (dichtnaaien van de schaamlippen) vormen geen islamitisch gebruik.” Nou en? Moet het daarom niet verboden en bestreden worden? Ach, volgens Mees en Benzakour komt het helemaal niet zo vaak voor en wil de staatssecretaris alleen maar in de voetsporen treden van Ayaan Hirsi Ali (door Benzakour eerder als „erogeen geamputeerde VVD’er” betiteld).”De twee auteurs betogen volgens Etty dat het in de Koran vastgelegde recht op seksuele satisfactie van de vrouw voldoende garantie biedt tegen het uit oude culturen overgeleverde gebruik islamitische meisjes genitaal te verminken. “Wat zij niet begrijpen is dat het Bussemaker niet om een aanval op de islam gaat, maar om de verminking zélf, die uit identieke bronnen voortkomt als de maagdelijkheidsdwang en alle andere strijdwijzen tegen vrouwelijke promiscuïteit”, meent Etty. “Wie zich daartegen verzet is kennelijk anti-islam en dat mag niet.”
Analyse. Volgens Mees & Co is meisjesbesnijdenis geen islamitisch gebruik. “Nou en? Moet het daarom niet verboden en bestreden worden?”, vraagt Etty zich af. Maar Mees & Co stellen helemaal niet dat het niet verboden en bestreden moet worden. Zoals zij zelf zeggen gaat het om iets anders: “Natuurlijk vinden ook wij meisjesverminking weerzinwekkend. De portee van ons artikel betreft echter iets anders, namelijk dat de ronkende mediaberichten in geen verhouding staan tot de alledaagse Nederlandse werkelijkheid en dat de 'keiharde aanpak' van PvdA-staatssecretaris Bussemaker in de eerste plaats lijkt ingegeven door electorale overwegingen.” Dat laatste is dan weer een persoonlijke aanval jegens Bussemaker, maar feit blijft dat Etty het standpunt van Mees & Co vertekent.
Overigens zijn Mees & Co een stuk genuanceerder dan in hun reactie op Etty. Zij stellen dat als besnijdenis gekoppeld wordt aan de islam, het moeilijker wordt om die praktijk te bestrijden. Afrikaanse vrouwen die tegen de besnijdenis zijn, lopen namelijk daardoor de kans om als afvalligen te worden gezien. Ze worden uit de gemeenschap gezet.
De twee auteurs betogen volgens Etty dat het in de Koran vastgelegde recht op seksuele satisfactie van de vrouw voldoende garantie biedt tegen het uit oude culturen overgeleverde gebruik islamitische meisjes genitaal te verminken. Die bewering staat nergens in het betoog. Mees & Co stellen alleen dat die praktijk losstaat van de Islamitische leer.
Het gaat evenmin om het punt dat kritiek op de besnijdenis niet mag omdat dit anti-islam is, zoals Etty - alweer - ten onrechte stelt.
De conclusie dat de kritiek van Etty ‘onzuiver’ is, lijkt me volstrekt terecht, behalve waar het gaat om Spotvogel, het boek van Bouazza. Deze schrijver, zo merkt Etty terecht op, snijdt het thema 'meisjesbesnijdenis' helemaal niet aan.

Mees & Benzakour en post hoc ergo propter hoc (29/3)

Mees & Benzakour zijn bepaald niet te spreken over Bussemakers campagne tegen meisjesbesnijdenis. Die actie heeft namelijk niets opgeleverd. “Er is welgeteld één zaak aan het licht gebracht: een 29-jarige Marokkaan wordt ervan verdacht zijn dochtertje te hebben verminkt. Was het niet zo ernstig, dan zou je het uitproesten dat nu uitgerekend één Marokkaanse adolescent, kennelijk op het idee gebracht door Hirsi Ali en alle PvdA-gerelateerd mediakabaal, is opgesnord.” (NRC, 17.3.09).
Analyse. Na elkaar, dus door elkaar (in potjeslatijn: post hoc, ergo propter hoc). Eerst was er de campagne en daarna de verminking, Dus de campagne is de oorzaak.
Interessant is in dit verband de retorische toevoeging ‘kennelijk’. Dit bijwoord van modaliteit heeft twee betekenissen: (1). onbetwijfelbaar of onloochenbaar en (2). blijkbaar (naar men (2a) mag of (2b) moet aannemen). Opgevat in de zin van betekenis (1) en (2b) is er sprake van een rechtstreeks verband; opgevat in de zin van (2b) is er sprake van een indirect verband, in de zin dat men het verband redelijkerwijs mag veronderstellen. De strategie van de ‘maximaal redelijke interpretatie’ komt er op naar dat we uitgaan van de voor de auteurs (Mees & Benzakour) meest gunstige interpretatie, namelijk (2a). Ligt het voor de hand dat een islamiet zijn godsdienstige overtuiging gaat aanpassen (dus zijn dochter gaat besnijden) aan de overtuiging van Hirsi Ali en het mediakabaal? Zeker niet als die overtuiging ook nog eens volstrekt onjuist is.
(Wordt vervolgd.)

Politici & de kredietcrisis (28/3)

Kredietcrisis (cartoon van R. Ritzen)

Bij Pauw & Witteman mochten de oppositieleiders hun zegje doen over de plannen van het kabinet om de kredietcrisis te bezweren. Ik viel halverwege in het programma, dus ik zal wellicht een en ander hebben gemist. Wat viel op?
Allereerst de boze kijkers die in het programma het zoveelste bewijs zagen dat de omroepen het geluid van Wilders (PVV) negeren. Dus boze telefoontjes richting P&W, die vervolgens in het programma tekst en uitleg moesten geven over hun ‘linkse’ keuze. Die kon eenvoudig worden gegeven: Wilders was uitgenodigd, maar wilde niet.
Halsema (GL) bekritiseerde het afschaffen van de vliegtaks. Het ging maar om een luttel bedrag van elf euro. Onjuist: dat geldt alleen voor korte afstanden; voor de langere afstand geldt een tarief van 40 euro.
Rutte (VVD) wees erop dat de kosten van de taks vier keer zo hoog waren als de opbrensten. Halsema wees erop dat dit ‘feit’ door de reisbranche naar voren werd gebracht. Dat maakt volgens Rutte niet uit: De regering sprak die cijfers niet tegen, dus daarom mocht hij van die cijfers uitgaan. Hiermee ontdook hij de bewijslast. Het feit dat de regering die cijfers niet tegenspreekt, zegt vooralsnog niets over het waarheidsgehalte van die cijfers.
Pechtold (D66) verweet Wilders en de PVV dat ze helemaal niets over de kredietcrisis hebben gezegd. Hij maakte zich schuldig aan het ontkennen van een standpunt. Wilders heeft wel degelijk een plan gepresenteerd. Hij wil o.m. iedere Nederlander 400 euro geven.

Het analyseren van politieke opvattingen is altijd riskant. Een kritiek op een argumentatie wordt namelijk, zo merk ik meer dan eens, gezien als een politieke voorkeur. Dat is een onjuist. Kritiek op een argumentatie impliceert niet dat de conclusie niet deugt. Immers, op basis van andere premissen kan men tot dezelfde conclusie komen. Maar dit terzijde.

Huurman en de doping van Vroemen (27/3)

Moedwillig bedrog of kwaadsprekerij? Twee artsen gaven onlangs hun visie op de positieve dopingtest van atleet Simon Vroemen. Betekent die positieve uitslag dat hij doping gebruikt had of gaat die conclusie te ver?
Simon Vroemen, Europese recordhouder steeplechase, werd vorig jaar juni betrapt op doping. In zijn urine werd het verboden anabole middel metandiënon aangetroffen. Hij werd meteen geschorst en hij wacht nu af wat de behandeling van zijn zaak door het Instituut Sportrechtspraak zal brengen.
Vroemen zelf ontkent dat hij doping heeft gebruikt. Hij wees op het gebruik van ginsengthee en vervuild vlees als de oorzaak voor de aanwezigheid van de lichaamsvreemde stof. Later beweerde hij dat de uitslag van de test te wijten was aan restanten van een geneesmiddel tegen inspanningsastma.
De arts Jan Huurman denkt dat de atleet, die is gepromoveerd in de biochemie, zich moedwillig aan dopingcontroles heeft onttrokken om zich met behulp van verboden middelen te kunnen voorbereiden op olympische deelname.
Een andere arts, Nikkels, vindt dat alles slechts ‘kwaadsprekerij’, want een atleet heeft geen baat bij een middel als metandiënon.
Huurman heeft Vroemen nooit ontmoet of gesproken. “Kunt u deze beschuldigingen bewijzen?”, wilde de journalist van de Volkskrant weten (14.3.09). “Ik heb geen keihard bewijs, maar als je de feiten op een rij zet, is dit minstens zo aannemelijk als het verhaal dat hij is gestopt, toen is teruggekomen en als 39-jarige ontdekte dat hij een van 's werelds beste steeplelopers was, zonder veel training”, aldus Huurman.
Analyse. In eerste instantie beweert Huurman dat Vroemen doping heeft gebruikt. In zijn verdediging stelt Huurman dat die beschuldiging even aannemelijk is als de bewering dat Vroemen geen doping heeft gebruikt. De bewering in Huurmans betoog verschuift van ‘Vroemen heeft bewust doping gebruikt’ naar ‘het verhaal dat Vroemen heeft gebruikt, is even aannemelijk als het verhaal dat hij niet heeft gebruikt’. Dat zijn echter twee verschillende beweringen.
.
(Met dank aan Willem-Jan van Gendt, die mij op deze redenering wees.)

Heijman en het ontduiken van de bewijslast (26/3)

De Europese economie stagneert en in veel landen van de EU is zelfs sprake van een krimpende productie, zoals in Nederland. In de Verenigde Staten stimuleert de regering de economie door meer uit te geven, maar in Europa wordt er veel te weinig gedaan, meent Wim Heijman, hoogleraar Regionale Economie in Wageningen. Wil men het economisch herstel versnellen, dan moet men volgens Heijman ook in Europa een actief begrotingsbeleid voeren. “Alleen een gezamenlijke inspanning van alle eurolanden kan soelaas bieden.”
Op dit moment is er geen sprake van een gecoördineerd Europees begrotingsbeleid. Daardoor is de Europese economie volstrekt afhankelijk geworden van het economisch herstel elders in de wereld, met name in de VS.
“Het zal duidelijk zijn dat de geschetste situatie niet gewenst is”, aldus Heijman.
Analyse. “Het zal duidelijk zijn….”? Deze opmerking valt in de categorie ‘het ontduiken van de bewijslast’. Heijman heeft wel degelijk wat uit te leggen. Sommige economen zijn namelijk van mening dat er helemaal geen maatregelen moeten worden genomen. En eurosceptici kunnen wijzen op de overschrijdingen van het stabiliteitspact, enkele jaren geleden. Toen Zalm destijds op de harde afspraken wees, werd hij door zijn Duitse en Franse collega’s weggehoond. Duitsland en Frankrijk lapten de afspraken gewoon aan hun laars om de doodeenvoudige reden dat die hen – op nationaal niveau – even niet goed uitkwam. Welke garantie biedt Heijman dat een Europees begrotingsbeleid in eerste instantie niet gewoon een handig vehikel wordt van de Franse en Duitse nationale belangen? Kortom, zo duidelijk is het niet.

Zoektermen die bij deze site uitkomen (25/3)

Deze site heeft, voor wie het nog niet weet, een enorme sexy uitstraling. Wie meer wil weten over ‘De Vlaming en sex’ en ‘seksscène in theoretische context’ komt op deze site terecht. www. beffen.nl is kennelijk een synoniem voor deze site.
Ook blijkt deze site belangrijke informatie te bieden over slipjes. ‘In het slipje’ (wat?) en ‘Slipje wel tonen’ leiden naar deze site. Vooral dat ‘wel’ roept vragen.
Verder wilt iemand weten waar ‘www.ronritzen.nl’ te vinden is. Géén idee.
Grachtengordeltypes die zich afvragen ‘Waar liggen de manen van de hond’ komen ook op deze site terecht. Zo worden prof. Van Manen (mijn vroegere docent privaatrecht) en Maurice de Hond op een wel heel originele manier aan elkaar gekoppeld.
Heeft u vragen over ‘Haarmode heren kort volgens exameneisen’, drogredenen.nl geeft volgens Google ook daar prangende antwoorden op. En ook altijd handig om te weten is hoe het zit met de ‘subsidie woonisolatie’.
Mijn nieuwe slogan wordt daarom: Drogredenen.nl, voor (kennelijk) al uw vragen.

De Grauwe en de persoonlijke aanval (24/3)

De Leuvense topeconoom prof. De Grauwe is om: de overheidstekorten mogen oplopen om de kredietcrisis te bedwingen. Sterker nog, dat is dé oplossing. Als de oplossing zo duidelijk is, waarom doen dan zo weinig regeringen dat, wilde interviewster Caroline de Gruyter weten (NRC, 20.3.09).
“Ze hebben een mentaal probleem”, weet De Grauw. “Men is verblind door de eigen fobie. Als honden van Pavlov reageren ze zoals ze zo lang hebben gereageerd: overheidsschuld is slecht. Ze hebben een mentaal probleem. Men is verblind door de eigen fobie. Als honden van Pavlov reageren ze zoals ze zo lang hebben gereageerd: overheidsschuld is slecht.”
Analyse. Een fiks aantal andere topeconomen denkt in een heel andere richting dan De Grauw. Zo vanzelfsprekend is zijn oplossing dus ook weer niet. Om dan de regeringen een mentaal probleem aan te wrijven, is feitelijk niet meer dan een directe persoonlijke aanval.

Hall en een mix van drogredenen (23/3)

Het lijkt wel of in de afgelopen jaren de farmaceutische industrie constant in het nieuws is, en meestal met een negatief verhaal, meent dr. Athony Hall (NRC, 10.3.09). Hij is arts en werkt namens Contract Research Organization (CRO) voor de farmaceutische industrie. Dat is een commercieel farmaceutisch onderzoeksbureau.
Hall stoort zich aan de kritiek op de farmaceutische industrie. “Er zijn maar weinig mensen buiten de farmaceutische en biotechnologische industrie die enig idee hebben van wat de ontwikkeling van medicijnen werkelijk inhoudt en deze onwetendheid is er de oorzaak van dat een zelden gemaakte fout in de farmaceutische industrie al snel een gemakkelijk doelwit is voor sensationele journalistieke paniekzaaierij. Ik vind deze vorm van kritiek hoogst beledigend voor de duizenden mensen die werken in de klinische afdelingen van farmaceutische bedrijven, die ijverig en oprecht te werk gaan en die geen direct belang hebben in de commerciële aspecten van hun bedrijven.” De journalistieke paniekzaaierij komt voort uit onwetendheid.
Zo stoort hij zich aan een artikel in de wetenschapsbijlage van de NRC met de titel ‘Even slikken’. “Een professor in de wetenschapsfilosofie en -geschiedenis ventileerde haar slecht geïnformeerde gezichtspunten over een zaak die volgens mij al vijf jaar geleden grotendeels geregeld is: de zaak over het klinisch onderzoek van GSK met paroxetine in adolescenten. Sinds 2004 heeft GSK, mede als gevolg van de paroxetine zaak, de resultaten van al haar klinisch onderzoek publiekelijk toegankelijk gemaakt. Daarnaast staan de bijwerkingen van paroxetine (evenals de mogelijke effecten op suïcidaal gedrag in adolescenten) duidelijk vermeld in de bijsluiter, die ook te vinden is op internet. Een paar dagen na de verschijning van het artikel was er een debat op de tv in het programma ‘Rondom tien’ dat overigens niets bijdroeg aan de argumenten van de critici, noch aan het imago van de industrie.”
Hall erkent dat alle medicijnen bijwerkingen hebben. “Dat is de prijs die wij betalen voor de hedendaagse medische behandelingen die onze gezondheid verbeteren en die onze voorouders moesten ontberen. Het probleem is dat journalisten en andere critici dit niet willen zien. Daarnaast wordt er door de critici een ander belangrijk aspect over het hoofd gezien. Menselijke wezens zijn niet allemaal hetzelfde en een gegeven medicijn kan verschillende uitwerkingen hebben op verschillende mensen.”
Soms is het erg moeilijk vast te stellen of een specifiek symptoom (bijvoorbeeld zelfmoordgedachten bij depressieve jongeren) het gevolg is van het medicijn (als bijwerking) of hoort bij de onderliggende ziekte. Hall vindt het erg unfair van de pers om de farmaceutische industrie te bekritiseren voor het niet snel genoeg opmerken van deze neveneffecten. “Over het algemeen neemt de farmaceutische industrie zijn verantwoordelijkheden zeer serieus en handelt adequaat wanneer een onvoorziene bijwerking gesignaleerd wordt.”
Een ander kritiekpunt dat in de richting van de farmaceutische industrie wordt gelanceerd, soms zelfs door gerenommeerde medische tijdschriften, is dat klinisch onderzoek van minder waarde is als het wordt gesponsord door het bedrijfsleven. “Ik vraag me steeds weer af of de auteur van zo’n bewering wel werkelijk weet wat hij zegt, of dat hij misschien gewoon anderen napraat. Waarschijnlijk bedoelt zo iemand dat het betreffende klinisch onderzoek zo is opgezet met een vraagstelling waarbij het nieuwe geneesmiddel er per definitie goed uitkomt en dus niet zo betrouwbaar is. Maar je kunt dit aspect ook vanuit een andere ooghoek bekijken: het bedrijf dat het geneesmiddel ontwikkelt heeft de hoop dat dit nieuwe voordelen biedt voor de patiënt. Anders is het niet alleen zinloos om het geneesmiddel te ontwikkelen, maar ook onethisch. Daarom moet het onderzoek zo opgezet zijn dat als er daadwerkelijk een voordeel is, dit ook inderdaad te voorschijn komt in het klinisch onderzoek.”
Het onderzoek, zo stelt Hall, wordt speciaal ontworpen om die specifieke vraag te beantwoorden. Hij heeft inmiddels veel protocollen voor klinisch onderzoek voorbij zien komen die waren ontworpen door onafhankelijke onderzoekers, maar in afgelopen 15 jaar heeft Hall maar heel weinig goede protocollen gezien. “Heel vaak is de opzet van het onderzoek niet of onvoldoende gericht op de vraag die moet worden beantwoord, en in vele gevallen is het zelfs onuitvoerbaar. Het ontwerpen van een goed klinisch onderzoek is een complex en moeilijk proces dat veel ervaring vereist.”
Analyse. Hall bezondigt zich aan een fiks aantal drogredenen.
De persoonlijke aanval (1). Prof. Dehue is onderwerp van Halls kritiek (maar kennelijk gaat zij in Halls wereld door als de vrouw wier naam niet mag worden genoemd). Zij is slecht geïnformeerd “over een zaak die volgens mij (Hall, RR) al vijf jaar geleden grotendeels geregeld is”. Een merkwaardige passage. Waarover Dehue niet goed is geïnformeerd, vermeldt hij niet. Alleen weet hij te melden dat de zaak is geregeld, althans ‘volgens hem’.
De persoonlijke aanval (2). Journalisten willen eenvoudigweg niet zien dat medicijnen bijwerkingen hebben. Wie die journalisten zijn, vermeldt hij niet. Evenmin gaat hij in op specifieke beweringen. Het enige dat we te weten komen, is dat het journaille bevooroordeeld is.
Vaag taalgebruik. “Over het algemeen neemt de farmaceutische industrie zijn verantwoordelijkheden zeer serieus.” Over het algemeen… Kennelijk is er dus wel degelijk voer voor kritische journalisten.
De persoonlijke aanval (3). Als iemand (Dehue?) beweert dat klinisch onderzoek van minder waarde is als het gesponsord wordt, vraagt Hall zich af of de auteur van zo’n bewering wel werkelijk weet wat hij zegt, of dat hij misschien gewoon anderen napraat. (Zie verder het volgende punt.)
Het vertekenen van een standpunt. “Waarschijnlijk bedoelt zo iemand dat het betreffende klinisch onderzoek zo is opgezet met een vraagstelling waarbij het nieuwe geneesmiddel er per definitie goed uitkomt en dus niet zo betrouwbaar is.” ‘Minder waarde’ is echter wat anders dan ‘per definitie’. Het punt is dat je niet weet of het onderzoek betrouwbaar is. Het is niet per definitie onbetrouwbaar, maar je weet niet of het onbetrouwbaar is. Hall verdraait het standpunt en geeft vervolgens (goedkoop) commentaar.
Ignoratio elenchi. Vervolgens betoogt Hall iets heel anders. Namelijk dat het niet logisch en niet ethisch is om een ondeugdelijk geneesmiddel op de markt te brengen. Dat is echter niet een punt dat ter discussie staat. Het gaat om het gegeven dat het de facto gebeurt.
Onjuiste vergelijking. Aan deze discussie zit een ‘sein’- en een ‘sollen’-kant. De critici beschrijven een deel van de feitelijke kant (‘sein’); Hall stelt dat dat beeld niet klopt omdat het niet in overeenstemming is met de ideale kant (‘sollen’). Maar of een bepaalde handelswijze onlogisch en onethisch is, doet er niet toe. Het gaat er – wat de critici betreft – enkel om het gegeven dat het voorkomt.
Pathetische drogreden. De kritiek op een zelden gemaakte fout in de farmaceutische industrie acht Hall hoogst beledigend voor de duizenden mensen die werken in de klinische afdelingen van farmaceutische bedrijven, die ijverig en oprecht te werk gaan en die geen direct belang hebben in de commerciële aspecten van hun bedrijven. Het idee is duidelijk: noeste en hardwerkende idealisten worden beledigd door domme, onwetende en sensatiebeluste journalisten, die maar niet inzien dat een foutje kan voorkomen.
Wat had Hall – strikt argumentatief gezien - eigenlijk moeten doen? Hij had concreet moeten aangeven waar en hoe het journaille en DeHue in de fout gingen. In plaats daarvan komt met een aantal apriori-argumenten waarom de farmaceutische industrie niet onethisch kan handelen. Geen sterk betoog.

Naschrift: vandaag in De Standaard (23.3.09) een zelfde ontluisterend verhaal van de Frans de Smet over de ontmaskering van Scott.

Ellian en het kabinet van fanatici (22/3)

In zijn columns windt prof. Ellian zich gewoonlijk op over, ja…wat eigenlijk? Over alles, zeg maar. Op de laatste dag van de winter analyseerde hij de politieke rationaliteit van het kabinet over de kredietcrisis (Elsevier, 20.3.09). Zijn analyse resulteerde in de volgende vaststellingen: het kabinet bestaat uit fanatici; het is een club van duur betaalde egoïsten; de ChristenUnie is tenminste één dag in de week niet geïnteresseerd in het Nederlandse belang; op zondag geeft de ChristenUnie zijn regeringsverplichtingen op; de PvdA-kamerleden durven hun mond niet open te doen over de lakse houding van het kabinet, want ze zijn bang dat ze de verkiezingen zouden verliezen; het kabinet Balkenende veracht de allerhoogste waarde in een democratische rechtsorde: het algemeen belang.
Analyse. Lijkt me dat de zaak voor zich spreekt.

Mees en de grijze, duffe mannetjes (21/3)

New York vanaf de 78e van de Empire State Building
.
Een landelijk dagblad organiseert komend najaar een congres over de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs - negen vrouwen doen het woord. Het lijkt me uitgesloten dat de deelnemers aan dat congres op die manier iets zullen opsteken van het wel en wee van het onderwijs.
De kans is groot dat u wellicht verontwaardigd bent over deze politiek incorrecte alinea. De stelling wordt niet toegelicht en een of andere context ontbreekt.
Een en ander schijnt anders te zijn als de auteur een vrouw is, die in het deftige NRC slordig opgebouwde en in de regel slecht onderbouwde columns schrijft. Dan is het een gewaagde provocatie van de dekselse Heleen Mees, die aan de grijze, duffe mannetjes een paar speldenprikjes uitdeelt.
“Deze krant organiseert komend najaar een reis naar The Big Apple met prominente sprekers - negen blanke mannen van middelbare leeftijd. Het lijkt me uitgesloten dat de deelnemers aan de reis op die manier iets zullen opsteken van het leven in mijn stad.” Met deze alinea, die nauwelijks een relatie heeft met de rest van haar stuk, eindigde Mees haar column (NRC, 20.3.09). Wat er mis is met het programma, ontgaat mij overigens volledig. Kennelijk is het gegeven dat de sprekers penisdragend zijn in de ogen van Mees een absolute garantie voor falen. (Oordeel zelf maar.)

Van Hintum en de pornoficatie (20/3)

De angst voor de pornoficatie van de samenleving neemt toe. Maar leidt porno ook werkelijk tot gewelddadige en liefdeloze seks? Het is volgens een aantal seksuologen, die onlangs op een Vlaams-Nederlands congres in Antwerpen over pornoficatie spraken, niet bekend wat de gevolgen van pornoficatie zijn. Er wordt gevreesd dat door het grote aanbod van instrumentele seks (liefdeloze geslachtsgemeenschap, eventueel als beloning) vooral de jeugd dit als de norm zal gaan beschouwen, met intimiteitsproblemen en zelfs toenemend seksueel geweld tot gevolg. Want wie zal vrouwen nog met respect behandelen als ze als gewillig gebruiksvoorwerp worden gezien? In de Volkskrant stond een verslag over dat congres. Hieronder een paar puntjes uit het artikel.

Deze vrees voor instrumentele seks en respectloze behandeling van vrouwen is volgens de seksuologen vooral ideologisch van aard. Dertig jaar internationaal onderzoek naar de effecten van pornoconsumptie heeft namelijk nooit steekhoudend bewijs opgeleverd dat porno in het algemeen een negatieve invloed heeft op het seksleven. Porno is ook niet de belangrijkste factor als het gaat om seksuele problemen. Belangrijke(re?) risicofactoren zijn het opgroeien in een slechte thuissituatie, het ontbreken van vrienden, het te maken krijgen met (seksueel) geweld, het verkeren in een omgeving waarin weinig respect is voor vrouwen en weinig openheid is over seks en allerlei andere problemen. Er zijn zelfs aanwijzingen dat seksueel geweld afneemt naarmate porno meer geaccepteerd wordt. Uit onderzoek blijkt dat in landen waar porno toegankelijk was, het aantal seksuele geweldsdelicten zoals verkrachting en aanranding constant bleef of daalde het zelfs. In landen waar pornogebruik aan banden werd gelegd, steeg het seksuele geweld.Uit de recente onderzoeken van Štulhofer naar het effect van porno op de seksuele gezondheid blijkt dat mainstream pornogebruik meestal geen problemen oplevert. Gebruikers beseffen dat de seksscènes niet realistisch zijn en ze hebben niet vaker intimiteitsproblemen dan niet-gebruikers. Dat verhaal gaat niet op voor porno waarin, SM, bondage, fetisjisme, bestialiteit en vooral geweld centraal staat. Gebruikers vervelen zich sneller bij hun eigen partner en voelen minder emotie tijdens seks. Maar ook hier is niet duidelijk om gebruikers zich eerst verveelden en daarom porno gingen bekijken, of dat ze eerst porno gingen kijken en zich daarna verveelden met hun partner In Zweden wordt opvallend veel aan anale seks gedaan, ook onder jongeren en dat blijkt vooral een kwestie van nieuwsgierigheid te zijn naar nieuwe vormen van seks. ”Seksuoloog Alexander Witpas kan zich behoorlijk ergeren aan de anti-porno beweging. ‘Porno kijken is net als autorijden. Een auto is een potentieel gevaarlijk ding, waar je gedegen in moet leren rijden en waarvan je goed op de hoogte moet zijn van de risico’s. Lukt dat, dan is er niets aan de hand.’ Hij ziet de angst voor pornoficatie vooral voortkomen uit een verschil in visie van wat seks moet zijn. ‘Er is al jaren een normalisering van seks gaande. Het wordt steeds meer beschouwd als een fenomeen waar je openlijk over kunt praten, wat in het lesprogramma op school zit en wat bij het leven hoort. Net als eten, drinken en slapen. Maar er is een stroming die seks als iets heel speciaals wil blijven betitelen. En die ziet porno als het symbool voor de normalisering van seks.’”Op zich is er niets tegen de aanklacht van Myrthe Hilkens tegen de afhaal-McSex, en het manifest ‘Seks als haute couture’, maar het kijken naar porno staat een gezonde seksuele ontwikkeling niet in de weg. ‘Meestal gaan jongens vanaf een jaar of tien op zoek naar porno, wat later en in mindere mate gevolgd door meisjes. Die interesse daalt weer behoorlijk tegen de tijd dat ze twintig zijn. Bij meisjes stijgt die interesse wat als ze ouder worden, maar het blijft veel minder dan bij jongens.’ Van porno wordt wel vaak een karikatuur gemaakt: alsof het alleen maar over strakke twintigjarigen met nepborsten en strakke schaamlippen gaat. “Maar in porno kom je juist veel diversiteit tegen; van dik tot dun, en kaal tot zwaarbehaard. Dat is een stuk realistischer dan romantische komedies, waar iedereen even mooi is”, aldus Witpas.
Porno kan wel (relatie)problemen opleveren als de een graag naar porno kijkt en de ander een hekel heeft aan het kijken als porno. Die problemen zijn van dezelfde aard als alleen uitgaan, flirten met anderen en geld uitgeven of kinderen. Er is maar weinig onderzoek gedaan naar het Nederlandse pornogebruik. De Rutgers Nisso Groep heeft onlangs samen met de IKON een verkennend onderzoek gedaan. “Niet representatief, maar wel illustratief, want het blijkt dat porno ook in Nederland niet tot grote problemen leidt. Van de 1.350 geënquêteerden gebruikt 86 procent van de mannen enige vorm van porno, vooral via internet, tegen 48 procent van de vrouwen. Hardcore beelden zijn het meest populair, ook bij vrouwen. Het seksuele gedrag verschilt niet veel tussen pornokijkers en niet pornogebruikers, alleen pornotypische gedragingen als anale seks en ejaculatie in het gezicht komen iets vaker voor bij pornoliefhebbers. Verbanden tussen pornogebruik en seksuele problemen of tevredenheid werden niet gevonden, alhoewel vrouwen iets vaker kort voorspel en pijn rapporteren als hun partner porno kijkt. Voor mannen wordt seks met porno alleen maar beter.”

Van Hintum is duidelijk niet gecharmeerd van de standpunten van de seksuologen.
Met name die laatste opmerking was aanleiding voor een stukje. “ ‘Verbanden tussen pornogebruik en seksuele problemen of tevredenheid werden niet gevonden, al hoewel vrouwen iets vaker kort voorspel en pijn rapporteren als hun partner porno kijkt. Voor mannen wordt seks met porno alleen maar beter.’ Het zijn conclusies uit een onderzoek van de Rutgers Nisso Groep en de IKON. Lees het citaat nog eens een keer, en lees wat er eigenlijk staat: dat porno mannen aanzet tot egoïstische seks.”
Analyse. Een niet-representatief onderzoek wordt verheven tot onderzoek met de grote ‘O’. Bovendien, zo konden we eerder lezen, is het niet bekend wat de gevolgen zijn. Dit punt schuift Van Hintum zonder nadere argumenten van tafel.
Dat porno volgens dit onderzoek leidt tot betere seks beter wordt, impliceert volgens Van Hintum dat het mannen aanzet egoïstische seks. Twee verschijnselen worden hier zonder meer na elkaar gezet en vervolgens is er dan – in de ogen van Van Hintum - een causaal verband.

Volgens de onderzoekers is de vrees voor instrumentele seks en respectloze behandeling van vrouwen vooral ideologisch van aard. Dertig jaar internationaal onderzoek naar de effecten van pornoconsumptie heeft namelijk nooit een steekhoudend bewijs opgeleverd dat porno in het algemeen een negatieve invloed heeft op het seksleven. Maar volgens van Hintum deugt porno niet. Het “is masturberen met je partner als hulpstuk: een kort voorspel en pijn bij de vrouw, plezier bij de man. Porno reduceert seks tot een orgasmegerichte individuele handeling, waarbij het niet de vrouw is die de ogen sluit, maar de man: voor de behoeften van zijn partner.”
Analyse. Het standpunt van de onderzoekers is dus volgens Van Hintum incorrect. Het argument is dat zij hanteert, is dat ze het aangevallen standpunt eenvoudigweg herhaalt. Dat is een cirkelredenering.
Uit onderzoek blijkt dat er geen verband is tussen porno en instrumentele seks.
Dat onderzoek is onjuist, want er is een verband tussen porno en instrumentele seks.

Witpas stelt dat bezwaren tegen porno komen ‘van een stroming die seks als iets heel speciaals wil blijven betitelen’. Hij stelt vervolgens dat seks is net zo gewoon als eten, drinken en slapen, maar volgens Van Hintum is dat onjuist. “Je leest toch maar zelden opgewonden verhalen over slapen. Die gaan hooguit over slapen met iemand, en dus niet over slapen, maar over seks.”
Analyse. Witpas stelt nu juist dat seks in onze samenleving door bepaalde groeperingen als iets bijzonders gepromoot wordt. Volgens Van Hintum is het bewijs dat seks iets bijzonders is, omdat je bijv. opgewonden verhalen leest over seks, maar niet over eten en slapen. Volgens Witpas is dat nu juist een bewijs dat bepaalde groeperingen seks als iets bijzonders beschouwen (en dat de samenleving daar maar moeilijk van los komt).

Nog meer missers... (19/3)

Hafid Bouazza kreeg alleen geld van zijn uitgever als hij op korte termijn een manuscript zou indienen, zo blijkt een tv-reportage over deze schrijver. “Bouazza flanste er die laatste week nog gauw een meisjesverminking aan vast”, aldus Heleen Mees en Mohammed Benzakour (NRC, 17.3.09). In hun artikel bekritiseren ze de mythevorming over meisjesbesnijdenis en kennelijk maakt Bouazza zich daar ook schuldig aan.
Analyse. Mees & Benzakour maken zich schuldig aan een persoonlijke aanval. Bouazza stond onder druk en flanste daarom een meisjesverminking in zijn boek. Enig bewijs geven Mees & co niet.
Sterker nog, er is in het boek helemaal niets te vinden over meisjesbesnijdenis. Wel wordt een meisje mishandeld (p. 113-114), maar dat had te maken met een verboden liefde.

Missers & Blunders van Mees & Benzakour (18/3)

Sinds 23 januari staan de kranten bol van verhalen over genitale verminking, vaak vergezeld van levensgrote foto's van messen en scharen, beweren Heleen Mees en Mohammed Benzakour (NRC, 17.3.09). “Toch ontbreekt ieder bewijs, zowel voor Hirsi Ali's beweringen als voor de wilde schattingen van de GGD.”
Vervolgens beweren de auteurs dat vijf jaar intensieve media-aandacht en miljoenen euro's aan subsidies helemaal niets heeft opgeleverd. “Er is welgeteld één zaak aan het licht gebracht: een 29-jarige Marokkaan wordt ervan verdacht zijn dochtertje te hebben verminkt.”
Dat ene geval is volgens de auteurs banaal. “Was het niet zo ernstig, dan zou je het uitproesten dat nu uitgerekend één Marokkaanse adolescent, kennelijk op het idee gebracht door Hirsi Ali en alle PvdA-gerelateerd mediakabaal, is opgesnord.”
Maar dankzij de staatssecretaris ligt nu voor de eeuwigheid vast dat Marokkanen meisjes besnijden. Zo worden tradities geboren en mythes in stand gehouden.

Analyse. Er ontbreken kennelijk cijfers voor de inschattingen van Hirsi Ali en de GGD. Op welke grond kunnen de auteurs dan beweren dat de media-aandacht en de subsidies helemaal niets hebben opgeleverd? Als er geen cijfers voorhanden zijn, kunnen we geen conclusies trekken over de effecten van de media-aandacht en subsidies. Mees & Benzakour beweren in het begin van hun stuk namelijk niet dat de beweringen van Hirsi Ali en de GGD worden tegengesproken door cijfers, maar enkel dat deze niet onderbouwd worden door cijfers.

Het artikel kopt met “De fabeltjes over meisjesbesnijdenis; Dankzij de overheidscampagne worden Marokkanen op een idee gebracht”. Dat is een heldere stelling en die roept de vraag op hoe deze stelling wordt onderbouwd. Het antwoord: niet. In het betoog lezen we vervolgens dat één Marokkaanse adolescent kennelijk op het idee is gebracht door Hirsi Ali en alle PvdA-gerelateerd mediakabaal. En daarmee is het bewijs geleverd. Waar dat ‘kennelijk’ vandaan komt, beargumenteren de auteurs niet. De auteurs poneren enkel en onderbouwen niets.

De kranten zouden sinds 23 januari bol staan van verhalen over genitale verminking, aldus de auteurs. Is dat zo? Laten we de berichtgeving van vijf kranten (NRC, Volkskrant, Trouw, AD en het Parool) eens bekijken.
Het eerste feit: er verschenen sinds 23 januari 19 artikelen over meisjesbesnijdenissen. Het onderwerp ‘meisjesbesnijdenis’ komt in één artikel terloops aan bod. In een ander geval gaat het om een stukje van 41 woorden en in nog een ander geval betreft het een ingezonden brief. Als we deze stukken niet meetellen, dan betekent dit dat er ongeveer drie artikelen per krant verschenen - in bijna twee maanden - over een nieuw plan van de regering.
Is dat veel? Absoluut niet.
En dan hebben we het nog niet over de inhoud van de berichtgeving gehad. Zo konden we in het NRC lezen dat het onbekend is hoe vaak meisjesbesnijdenis voorkomt (NRC, 14.2.09).
In Trouw (9.2.09) stond bijvoorbeeld het volgende in een artikel: “Opmerkelijk is ook dat het hier om een relatief jonge vader van 29 gaat. Volgens verschillende organisaties komt meisjesbesnijdenis bij allochtonen van de tweede generatie nauwelijks voor. Dat geldt ook voor Marokkanen.”
In het NRC stond een aantal dagen later (14.2.09) een artikel waarvan de strekking is dat
meisjesbesnijdenis “in Marokko niet voorkomt”. Nog enkele passages uit dat stuk: “ ‘Het is on-mo-ge-lijk dat het hier om een besnijdenis gaat’, zegt kinderarts Nordine Dahhan.” Ene Saadia Daouaeri komt aan het woord: “Het bestaat niet in Marokko.” Ook Sadik Harchaoui kent het niet uit Marokko.
Tevens wordt er in het NRC ingegaan op het verband tussen de islam en besnijdenis. “Soms wordt ten onrechte geloofd dat het een islamitisch voorschrift is."

Mees en Benzakour schetsen dan ook een regelrechte karikatuur van media-aandacht over meisjesbesnijdenis waar het de kranten betreft. Er is bij de genoemde kranten sprake van een evenwichtige en afgewogen berichtgeving over deze kwestie. Bovendien bevatte het stuk van de auteurs geen enkel nieuw punt, want de informatie in het stuk van Mees en Benzakour was in meerdere kranten te lezen.
Conclusie: de argumentatie in het betoog van Mees & Benzakour is benedenmaats: er is sprake van een contradictie waar het de cijfers betreft, er is sprake van een vertekening van de berichtgeving en er is sprake van het louter poneren in plaats van argumenteren.
En Marcel van Dam? Die vond het stuk van Mees & Co prachtig.

Decoster en de onjuiste vergelijking (17/3)

Waarom krijgen we zo veel verschillende economische adviezen, vraagt André Decoster zich af. Hij is hoogleraar Publieke Financiën aan KU Leuven, Volgens hem zijn daar drie redenen voor (DS, 16.3.09).

De eerste reden is dat economie een sociale wetenschap is, die het gedrag van mensen bestudeert en probeert te verklaren. Daarvoor hanteert men modellen, die noodgedwongen een vereenvoudiging van de werkelijkheid impliceren. “Zo hoort het ook: als we niets vereenvoudigen dupliceren we gewoon de wereld en zijn we geen stap verder. Een stafkaart is een model van de wereld. Een kaart van Europa is dat ook. Maar het zijn wel twee heel verschillende modellen, net omdat ze gebruikt worden voor verschillende doeleinden (een wandeling of een autorit). De vereenvoudigingen van de werkelijkheid op de kaart van Europa zijn hinderlijk als je een stafkaart nodig hebt, en omgekeerd. Net zo maken ook economische modellen verschillende veronderstellingen, bijvoorbeeld omdat ze verschillende vragen willen beantwoorden.” Dan is het niet onlogisch dat ze tot verschillende conclusies komen.
Analyse. Heeft Decoster een punt? De vergelijking met de kaarten van Europa gaat niet op. Je hebt de keuze tussen verschillende kaarten, afhankelijk van het doel. En al die kaarten hebben hun waarde in de praktijk inmiddels al bewezen om al die verschillende doelen te bereiken.
En dat is precies het verschil met de economische wetenschap, waar het de kredietcrisis betreft: met de economische wetenschap kun je alle kanten op. Er zijn bij wijze van spreken tientallen kaarten om dat éne doel, het oplossen van de kredietcrisis, te bereiken, waarbij het maar afwachten is of dat doel te bereikt wordt. De praktische waarde van deze wetenschap is op dit moment ver te zoeken, terwijl de praktische waarde van de kaarten van Europa evident is.

De tweede reden is dat theoretische modellen zijn uitstekende en broodnodige keurslijven om geen logische denkfouten te maken. Maar om waardevol te zijn bij toepassing in – bijvoorbeeld - het beleid, moeten ze ook empirisch ingevuld worden. “Het inschatten van die effecten gebeurt met data (gegevens) die bewerkt moeten worden, veranderen, upgedate worden. En dus worden onze inzichten voortdurend bijgesteld, verfijnd, en ja, zelfs opnieuw in vraag gesteld. Het blijft vreemd dat dit voor wetenschappers zelf evident is, maar dat we dit maar niet verkocht krijgen aan het grote publiek. Misschien moeten we dus ook daar een grotere inspanning leveren om de verwachtingen bij te stellen: verwacht toch asjeblief geen ‘waarheid’.”
Analyse. Tegelijkertijd staat het stuk van Decoster vol met empirische beweringen, waarbij ‘dé waarheid’ wel degelijk het uitgangspunt is. Hier zit toch een contradictie in het betoog van Decoster.

De derde reden voor meningsverschillen is volgens Decoster de meest essentiële. “Temeer omdat het eigenlijk geen echt meningsverschil meer is. Deze verschillen zijn onvermijdelijk én onproblematisch omdat het ‘waarden’ betreft. Als sociale wetenschap leent economie zich makkelijk tot beschrijven, evalueren of adviseren van ‘beleid’. Juist daarom moeten we blijven waarschuwen voor de (gevaarlijke) illusie dat een sociale ‘wetenschap’ in de plaats zou kunnen treden van ‘politiek’. Eén van de pijlers van het economische paradigma is het onderscheid dat gemaakt wordt tussen doeleinden en middelen. Economie analyseert met welke middelen (hoe ‘efficiënt’) bepaalde doelstellingen kunnen bereikt worden. Maar eens de kosten van doelstellingen bekend zijn heeft dezelfde econoom heeft zich niet te moeien met de afweging van de doeleinden zelf. Hij zal dat als econoom ook niet doen, wel als burger. De uiteindelijke afweging én keuze over doeleinden blijft altijd essentieel normatief.”
Analyse. Mee eens. Zie mijn stuk van gisteren.

Het CD&V ontmaskerd? (15/3)

Deed Servais Verherstraeten zijn werk in de onderzoekscommissie goed? Hij was één van de leden die moest onderzoeken wie wat gezegd had in de Fortisbank-affaire. Het gaat daarbij om de vraag of de politiek de rechterlijke macht onder druk had gezet om te voorkomen dat de deal tussen de Fortisbank en het Franse BNP in de prullenbak zou verdwijnen.
Deed Verstraeten wat hij moest doen of was hij uit om de politici Leterme en Vandeurzen, partijgenoten van Verherstraeten, wit te wassen? Leterme, voormalig premier, en Vandeurzen, voormalig minister van justitie, hadden naar aanleiding van deze kwestie eind 2008 hun ontslag aangeboden bij de koning.
Jean-Marie Dedecker, oud-judoca en lijsttrekker van Lijst Dedecker, mocht het antwoord geven op de Vlaamse televisie (12.3.09). Hij was lovend over Verherstraeten. Nog voor dat de interviewster stijl achterover kon vallen, voegde hij er fijntjes aan toe dat Verherstraeten zijn partijgenoten keurig uit de wind had gehouden en dat die opzet geslaagd was. Daarmee gaf hij op subtiele (?) wijze nog eens zijn visie op de werkzaamheden: die waren in zijn ogen vanaf de eerste minuut meer dan verdacht.
Kom dan met bewijzen, beet Verherstraeten hem toe en voegde er meteen aan toe dat hij, Dedecker dus, die niet had.
Eén dag eerder schreef Marc Hooghe, hoogleraar politieke wetenschappen (KU Leuven), dat de CD&V-leden van de commissie er op gebrand waren om hun eigen ministers wit te wassen (DS, 11.3.09). Verherstraeten mag dan wel veel lof ontvangen voor zijn ondervragingstechniek, maar hij miste dossierkennis. In elk geval was de dubbele agenda van de CD&V-leden opvallend.
Analyse. Maakten Dedecker en Hooghe zich schuldig aan een persoonlijke aanval? Ja, want allebei verzuimden ze hun beschuldiging te onderbouwen met enig bewijs. De vraag is dan of het redelijk is zo’n bewijs te eisen? Kan zoiets bewezen worden? Het antwoord is bevestigend. In De Standaard werd dat bewijs namelijk wel geleverd. Verherstraeten, zo stond de Vlaamse kwaliteitskrant, paste zijn scherpe ondervragingstechniek selectief toe. Alleen daar waar CD&V er beter van kon worden, was Verherstraeten scherp. Toegegeven, de toevoeging “…leek het…” ondermijnde de kritiek weer enigszins. Leek het alleen maar zo?
De andere CD&V-ers, Becq en Kindermans, leverden geen bijdrage die van belang was, aldus Samyn en Verschelden.

Heleen Mees en het populisme (14/3)

Veel vooraanstaande economen erkennen dat de asymmetrische bonussen mede de oorzaak zijn van de huidige economische crisis, beweert columniste Heleen Mees (NRC, 6.3.09). Toch lees je dat zelden. Maar Mees weet haarfijn uit te leggen waarom dat zo is. “Ze gaan nog niet zo ver om te zeggen dat de overheid moet ingrijpen door de bonussen voor alle managers wettelijk te beperken, bang als ze zijn om voor populist te worden aangezien.”
Analyse. Het maakt voor Mees niet uit wat de economen zeggen. Zij weet wat deze economen zouden zeggen als het niet ze bang waren voor hun reputatie. Maar op deze manier kun je alles ‘bewijzen’.
(Zie ook: Mees over besnijdenis)

Zwagerman (13/3)

Zwagerman meent dat ook Dijsselbloem door de linkse kerk werd weggezet als Hitler (Hilter in de polder, p. 18). Hij spreekt van de zachte variant van incriminatie, en – toegegeven – dat bekt beter, maar dat komt op hetzelfde neer.
Het kan natuurlijk dat Zwagerman gelijk heeft. Eén citaat en het bewijs is geleverd. Maar dat citaatje gaf Zwagerman niet. Hij kwam op de proppen met een ingewikkelde constructie. Marcel van Dam noemde Dijsselbloem de Geert Wilders van de PvdA. Wilders wordt door anderen vergeleken met Hitler. Ergo: het nazisme heeft in de persoon van Dijsselbloem in de PvdA een plek gekregen.
De toevoeging “ik verzin het niet, ik geef slechts een overzicht” moest de lezer geruststellen.
Analyse. Die geruststelling lukte wat mij betreft niet echt. Op deze wijze kunnen alle eindjes wel aan elkaar geknoopt worden. Een voorbeeld. Ik heb kritiek op Freud. De nazi’s hebben kritiek op Freud. Dus vindt Heertje – met zoveel woorden - dat ik een nazi ben (vanwege het feit dat men in de jaren er in Duitsland ook zo over dacht). Op de wijze kun je alles met alles bewijzen.

Tonkens en het gebrek aan logica (12/3)

De afgelopen twee dagen stond het penisdragend deel van onze natie centraal en vandaag deed de doorgaans zeer genuanceerde Evelien Tonkens, die naast hoogleraar ook senator en columniste is, een duit een het zakje.
Naar aanleiding van het onderzoek waaruit blijkt dat vrouwelijke managers niet anders managen dan mannelijke, blijkt de fout toch in de mannelijke hoek te liggen. In haar column (VK, 11.3.09) laat ze daarover geen enkel misverstand verstaan. “Arme topmannen van Nederland, arme verslaggevers van deze krant. Zo kinderlijk teleurgesteld. Vrouwen blijken gewone mensen. Kinderlijk hoge verwachtingen hadden ze van vrouwelijk leiderschap. De ideale bestuurder is volgens hen iemand met 'vermogen tot zelfreflectie, die zich bewust is van signalen uit de omgeving, die makkelijk verbindingen aan kan gaan, besluitvaardig is en een heldere visie heeft'. De geënquêteerde topbestuurders 'kennen niemand die al deze eigenschappen bezit. Maar opvallend is dat de ervaringen met vrouwen in de top aanzienlijk slechter zijn dan verwacht'.”
Wat is er mis met het onderzoek en de berichtgeving (van mannen) daarover: vrouwen moeten het beeld van de ideale leider levend houden en als we in vrouwen geen ideale mensen meer zien, moeten we erkennen dat iedereen maar een mens is. “Dat is te hoog gegrepen voor de kinderlijke geest. Dus blijft men van vrouwen verlangen dat ze ideaal zijn en straft men ze als ze maar gewone mensen blijken.”
De topbestuurders geven hier en daar wat adviesjes over do’s en don’ts, maar ook dat schiet in Tonkens verkeerde keelgat. “Onder het kopje 'wel doen' wordt geadviseerd: 'Neem kinderen. Het opvoeden van kinderen versterkt je leiderschapskwaliteiten'. Maar onder 'niet doen' lezen we: 'Neem nooit ouderschapsverlof op: dit heeft een negatieve invloed op je loopbaan.' 'Zorg dat je minimaal 57 uur beschikbaar bent.' Dus wel kinderen opvoeden, want opvoeden is zo goed voor je leiderschapskwaliteiten. Maar ook: geen kinderen opvoeden, want je moet 12 uur per dag werken.” Dit roept bij Tonkens een prangende vraag op: “Kunnen deze veertig van de tweehonderd machtigste Nederlanders echt niet logisch denken?”
Analyse. Het gebrek aan logica komt, vrees ik, voor rekening van Evelien Tonkens. Uit het feit dat de groep managers een advies geeft (wel kinderen / geen kinderen), kan niet afgeleid worden dat alle afzonderlijke individuen van die groep van mening zijn dat je wel én geen kinderen moet nemen. Tonkens maakt zich schuldig aan een categoriefout.
Bovendien legt Tonkens wel erg makkelijk de bal bij ‘mannen’, in dit geval de topondernemers. Alsof alleen de categorie ‘topmanagers’ en ‘journalisten van de Volkskrant’ kinderlijk hoge verwachtingen hadden. Sent, hoogleraar én vrouw, riep onlangs nog dat wetenschappelijk bewezen is dat vrouwen (en vrouwelijke waarden) borg staan voor een beter bedrijfsresultaat in stabiele tijden. Volgens Janka Stoker, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen, worden vooral mannelijke managers gegrepen door self entitlement. "Vrouwelijke managers zetten hun eigen belang niet voorop en denken ethischer", zegt Stoker. Vrouwelijke managers zijn eerlijker dan mannen, schreef de onlangs gepromoveerde Yuping Jia, onderzoekster van de Universiteit van Tilburg. En de lijst kan nog veel langer worden.
Kortom, die kinderlijk hoge verwachtingen werden en worden als 'wetenschappelijk' bewezen feiten gepresenteerd door vrouwelijke hoogleraren en vrouwelijke promovendi.
Uit de wereld van topondernemers konden we afgelopen week Tóth bij Pauw & Witteman horen beweren dat met vrouwen aan het stuur er helemaal geen kredietcrisis geweest zou zijn ("absoluut"). Kinderlijke verwachtingen? Dan mag Evelien Tonkens ook met een bestraffend vingertje in de richting van haar vrouwelijke collega's in de wetenschap wijzen. En naar Tóth. Absoluut!

Weber en de mannetjes (11/3)

Ceylan Weber mocht als een ware Freudiaanse Nietzschiaan (bestaan die eigenlijk?) tegenstanders van hoofddoekjes plat analyseren (VK, 9.3.09). Het zijn “mannen van middelbare leeftijd, veelal uit conservatieve hoek, die zich opwerpen als de beschermers van moslimvrouwen om van hen eerbare vrije vrouwen te maken.”
Met een “...Ga ik nu te ver als ik me afvraag of deze galante ridderlijkheid mede wordt ingegeven door het verlies van traditionele mannelijke posities en de daarbij behorende privileges tijdens de tweede feministische golf?...” freudianiseerde zij er vrolijk op los.
Analyse. Klinkt heel bescheiden, zo’n vraag aan de lezer. Maar zelf had zij het antwoord al lang gegeven: “Tegelijk vermoed ik dat de hevige oproep om te ontsluieren veel te maken heeft met vergelijkbare fantasieën en behoeften van veel autochtone mannen. Onder meer Stine Jensen en Sunny Bergman hebben gewezen op de dwingende wijze waarop vrouwen een ideaalbeeld van hun uiterlijk krijgen voorgeschoteld.” Niks vraag dus.
Het is een grote ad-hominem-argumentatie: oudere mannen, die meer bloot van vrouwen willen zien, eisen dat vrouwen hun hoofddoek afzetten en op deze wijze kunnen ze hun aangetaste mannelijkheid weer een beetje laten gelden. Met dit soort persoonlijke aanvallen hoeft Weber geen enkel argument inhoudelijk meer te bespreken. Het gaat immers om de frustaties van een paar oudjes en die hoef je niet serieus te nemen.
Handig ook om vooral zo vaag te blijven. “Ik vermoed…..”, “…heeft veel te maken…” en “…mede ingegeven...” bieden uitstekende papieren om elke kritiek te pareren met ‘dat zei ik niet…’. Daarmee houdt zij allerlei zaken open, maar tegelijkertijd is het een lege huls. Want, zoals ik al zei, argumenten komen niet aan bod.

Tóth over generalisaties (10/3)

Haar boek over ondernemen

Tóth is boos. In een artikel in de Volkskrant wordt een onderzoek aangehaald waar uit blijkt dat vrouwelijke topmanagers niet anders zijn, handelen en managen dan mannelijke topmanagers. “Vrouwen stellen teleur.”
“Daar word ik al heel erg boos om”, zei deze topondernemer in Pauw & Witteman (9.3.09). “Want dat generaliseren vind ik trouwens iets heel doms.”
Vervolgens slingerde ze de ene generalisatie na de andere de ether in. “De kredietcrisis is niet de schuld van vrouwen, maar daar zitten mannen.” Als er vrouwelijke bankiers waren geweest, was er geen crisis geweest. “Absoluut niet.” “Vrouwen zijn voorzichtiger met investeren.” Meteen daarna: “Vrouwen twijfelen meer aan zichzelf.” Niet veel later: “Vrouwen nemen minder risico.”
Weer een paar seconden later flipte uit haar mond: “Russen gedragen zich niet zo netjes als gemiddelde beschaafde mensen.”
Analyse. Als anderen generaliseren, is dat dom en wordt Tóth zelfs boos. Als zij generalisatie, gelden andere maatstaven. Tóth meent dat de bezwering “...als ik dan toch even mag generaliseren…” een vrijbrief is om dat dan ook maar om de drie seconden te doen. Maar de verontschuldiging, voorafgaande aan de generalisatie, zegt helemaal niets. Een generalisatie is en blijft een generalisatie en een ‘als-ik-toch-even-mag-generaliseren’ doet daar niets aan af.

Ellian en de kluts van Verhagen (9/3)

Het debat over de Britse weigering om Wilders toe te laten, was volgens prof. Ellian spannend en zinvol (Elsevier, 20.2.09).Verhagen, de minister van Buitenlandse Zaken, was volgens de Leidse hoogleraar, net als het gehele CDA de kluts kwijt. “Verhagen is het oneens met de Britten. Toch was Verhagen van mening dat het hier om de Britse openbare orde ging. Volgens Verhagen ging het hier niet om de vrijheid van meningsuiting. Kamerleden hadden hier terecht opgemerkt dat Wilders toch niet werd geweigerd wegens zijn kapsel. Nee. Het ging om zijn opvattingen.”
Analyse. Een curieuze passage. Verhagen is het oneens met de Britten, maar toch is hij van mening dat het om de openbare orde gaat. Wat daar vreemd aan is, snap ik niet. Men kan het oneens zijn met het standpunt van de Britse regering om Wilders te weigeren en tegelijkertijd van mening zijn dat de openbare orde in het geding is. Verhagen meent dat de bedreiging van de Britse openbare orde niet van dien aard is dat Wilders geweigerd had mogen worden.

Etty versus Rutte 2 (8/3)

Rutte meent dat de vrijheid van meningsuiting in ons land te veel aan banden wordt gelegd. Hij wil dan ook dat art. 137c Wetboek van Strafrecht, het verbod van haat zaaien en discriminatie, en de daarop volgende artikelen, op de schop moeten.
Etty zag een vreemde gedachtenkronkel bij Rutte. Hij “verwijst hiervoor maar weer eens naar de Verenigde Staten, alsof daar geen beperkingen zouden gelden. Dat klopt niet: in de VS geldt het criterium dat uitingen zijn verboden als deze een ‘clear and present danger’ vormen. Of van een dergelijk gevaar sprake is, staat óók in de VS ter beoordeling aan de rechterlijke macht.
De ironie wil dat in de zaak-Wilders het gerechtshof in Amsterdam nu juist het Amerikaanse gevaarscriterium hanteert. Volgens het hof zijn de klagers in deze zaak ontvankelijk, omdat individuele burgers er een concreet belang bij hebben „dat een gevaarlijke verstoring van het maatschappelijk leven en het publieke debat dient te worden afgewend”.”
Analyse. Etty verwijst ten onrechte naar een Amerikaans criterium om de vrijheid van meningsuiting te beperken, namelijk dat uitingen zijn verboden als deze een ‘clear and present danger’ vormen. Dit criterium, dat we voor het eerst nadrukkelijk tegenkomen in Schenck v. United States (250 US 616, 1919) werd echter in Brandenburg v. Ohio (395 US 444, 1969) vervangen door een criterium dat een ruimere bescherming biedt. Alleen wanneer sprake is van ‘incitement to imminent lawless action’ kan de overheid ingrijpen. Het Brandenburg-criterium is strenger dan het ‘clear and present danger’-criterium
Hoe streng dat criterium is, bewijst CP of Indiana v. Whitcomb (414 US 449, 1974): het grondrecht beschermt uitdrukkelijk zelfs de verkondiging van de leer dat de overheid omvergeworpen moet worden.
Waar schuilt de door Etty gesignaleerde ironie in? Ruttes verwijzing naar de rechtspraak in de VS is niet vreemd. Als Rutte zou zeggen dat er in de VS principieel geen enkele beperking geldt, dan is dat inderdaad onjuist. Rutte zei echter iets anders: “In Amerika weegt de vrijheid van meningsuiting zwaarder dan de inhoudelijke waardering voor de uitgesproken boodschap.” (Elsevier, 25.1.09) Als er geen beperking zou zijn, valt er ook niets af te wegen.

Etty versus Rutte (7/3)

Elsbeth Etty richtte in het NRC haar pijlen op Rutte, die vindt dat de vrijheid van meningsuiting in ons land te veel aan banden wordt gelegd. Art. 137c Wetboek van Strafrecht, het verbod van haat zaaien en discriminatie, en de daarop volgende artikelen, moeten van Rutte daarom op de schop. Vervolgens nam Etty de lijsttrekker van de VVD op de schop: “Rutte verwijst hiervoor maar weer eens naar de Verenigde Staten, alsof daar geen beperkingen (voor de vrijheid van meningsuiting, RR.) zouden gelden. Dat klopt niet: in de VS geldt het criterium dat uitingen zijn verboden als deze een ‘clear and present danger’ vormen. Of van een dergelijk gevaar sprake is, staat óók in de VS ter beoordeling aan de rechterlijke macht. De ironie wil dat in de zaak-Wilders het gerechtshof in Amsterdam nu juist het Amerikaanse gevaarscriterium hanteert. Volgens het hof zijn de klagers in deze zaak ontvankelijk, omdat individuele burgers er een concreet belang bij hebben „dat een gevaarlijke verstoring van het maatschappelijk leven en het publieke debat dient te worden afgewend”.”
Rutte liet het daar niet bij zitten: “Zo schreef Elsbeth Etty dat “een gevaarlijke verstoring van het maatschappelijk leven en het publieke debat dient te worden afgewend”.” (NRC, 21.2.09)
Etty klom op haar beurt weer achter de pc: “Mark Rutte en Atzo Nicolaï schreven zaterdag in de bijlage Opinie & Debat aan mij de mening toe dat een strafvervolging van Wilders wenselijk is omdat „een gevaarlijke verstoring van het maatschappelijk leven en het publieke debat dient te worden afgewend”. Dit is echter niet mijn mening, maar een citaat uit het arrest van het Gerechtshof Amsterdam.” (NRC, 24.2.09).
Analyse. Etty wees op een contradictie in het betoog van Rutte en illustreerde dit met een duidelijk herkenbaar citaat uit het arrest. Rutte en Nicolaï vertekenden het standpunt van Etty.

Heertje en de inconsistentie (6/3)

Truijens schreef met instemming over de conclusie van de commissie-Rinnooy Kan: “het niveau van de docenten moet omhoog; academici moeten weer behoorlijk worden betaald” (Volkskrant, 24.2.09).
Heertje is hier lovend over (RTLz, 4.3.09). “Terecht wil Aleid Truyens van de nood van de kredietcrisis een deugd voor het onderwijs maken door de toestromende academici rechtstreeks op niveau te salariëren.”
Maar toen de hoogleraren Wim Groot en Henriette Maassen van den Brink in De Volkskrant van 9 augustus 2007 een zelfde soort pleidooi hielden, kregen ze van Heertje de wind van voren: “Het idee dat wij betere leraren krijgen, indien wij de salarissen verhogen is grotesk.” Een kwestie van blikvernauwing, beet Heertje de beide hoogleraren op 3 september 2007 in Trouw toe (in een artikel dat overigens bijna identiek was aan het stuk in de Volkskrant).
Analyse. Heertje meet met twee maten. Weinig consistent.
.

Prick en het gebrek aan keuze (5/3)

Leo Prick maakt zich zorgen over de 'verplichte spreiding' van leerlingen die Nijmegen zou gaan hanteren (NRC, Opiniepagina, 19.2.09). Maar hij kan gerust zijn, verzekeren Hannie Kunst (wethouder Onderwijs Nijmegen), Rini Braat (algemeen directeur Stichting Josephscholen Nijmegen) en Jack van de Logt (voorzitter college van bestuur Stichting Conexus). “Het nieuwe centrale aanmeldpunt voor basisonderwijs biedt ouders nog altijd een vrije keuze. Van inperking van de keuzevrijheid is geen sprake. Wel leidt het tot een eerlijker kans voor alle kinderen op plaatsing op een school van voorkeur. Ouders kunnen bij het centrale aanmeldpunt zes scholen kiezen. Ze mogen zelf bepalen wat voor signatuur die hebben. Het mogen ook scholen zijn die zich in andere delen van de stad bevinden.” aldus het drietal in een ingezonden brief in het NRC (23.2.09).
De brief krijgt een vreemde wending: “Het aanmeldpunt probeert vervolgens het kind op de favoriete school van de ouders te plaatsen.” Nadat eerst verzekerd is, dat er geen sprake is van een inperking van de keuze, blijkt de vork net iets anders in de steel te zitten: “wel moeten ouders er rekening mee houden dat de schaarste eerlijker wordt verdeeld. Kinderen die al een broertje of zusje op de school hebben of in de buurt wonen, krijgen voorrang. In de meeste gevallen zullen ouders weinig merken van deze voorrangsregels, want op de meeste scholen in Nijmegen is voldoende plek. Als er onverhoopt geen plek is op school nummer 1, probeert het aanmeldpunt het kind op school nummer 2 van het voorkeurslijstje te plaatsen. Mocht dat niet lukken, dan zijn er nog altijd vier andere opgegeven scholen waar het kind terecht kan.”
Het drietal stelt de ouders nog even gerust: “ouders houden alle vrijheid om zelf een school te kiezen. En ja, de schoolbesturen zijn niet van plan om nog langer schoollokalen bij te bouwen, terwijl op andere scholen die net zulk goed onderwijs bieden (van dezelfde signatuur) lokalen leeg staan. Scholen steken hun geld liever in goed onderwijs dan in bakstenen.”
Analyse. Zat Prick er dus naast met zijn kritiek? Ouders kunnen inderdaad in vrijheid kiezen. Zes scholen! Het punt is alleen dat hun keuze niet – altijd? vaak? soms? – gehonoreerd wordt. Kortom, geen sterk argument. Kiezen en het honoreren van die keuze zijn inderdaad twee verschillende zaken, maar daarmee is ook alles gezegd. De facto is er wel degelijk sprake van een inperking van de keuzevrijheid.

Gastblog van Karel Frielink: Wouter Bos en de wens die de vader van de gedachte is (4/3)

De Prooi” van Jeroen Smit heeft veel opzien gebaard. Het boek schetst een ontluisterend beeld van het (niet) functioneren van het bestuur en de raad van commissarissen van ABN AMRO Bank.

Minister van Financiën Wouter Bos heeft het boek ook gelezen. In zijn blog op de website van de PvdA schrijft hij: “Ter ontspanning ben ik DE PROOI van Jeroen Smit over opkomst en ondergang van ABN Amro gaan lezen. Vanaf nu verplichte kost voor alle Financiën ambtenaren die zich met de toekomst van die bank bezig houden. En voor Gerrit Zalm. En als er zich nog ooit hier een bankier of een baas uit het bedrijfsleven durft te melden die geringschattend durft te doen over de kwaliteit van de besluitvorming in politiek en overheid en hoog opgeeft over ratio en strategie in het bedrijfsleven......ik zal ze met dat boek in de hand het pand uitwerken want het is werkelijk ten hemel schreiend wat een onvermogen en chaos je in dat boek honderden pagina's achter elkaar tegen komt. Kortom, heel ontspannend! “

De Minister trekt twee algemene conclusies. De eerste is dat het met de kwaliteit van de besluitvorming in de politiek en bij de overheid wel snor zit. Hij geeft immers aan kritiek daarop niet te accepteren, waarbij hij zich op “De Prooi” beroept. Of Wouter Bos gelijk heeft weten we niet. Wat we wel weten is dat deze conclusie niet gebaseerd kan zijn op het boek van Jeroen Smit. De wens is hier bij de Minister de vader van de gedachte.

De tweede conclusie van Wouter Bos is dat het (in vergelijking met de politiek en de overheid) nogal zwak is gesteld met ‘ratio en strategie in het bedrijfsleven’ (dus niet alleen bij de ABN AMRO Bank). Een dergelijke conclusie van algemene strekking is niet op basis van het boek te trekken. Maar als behalve naar “De Prooi” ook wordt gekeken naar de berichtgeving in diverse media in binnen- en buitenland alsmede naar andere boeken over tal van grote affaires, dan is het plaatsen van vraagtekens bij de kwaliteit van de besluitvorming in het bankwezen en bedrijfsleven zonder meer op zijn plaats. Maar bij de ‘redeneerkunst’ van de Minister moeten ook vraagtekens worden geplaatst.

Karel Frielink

Rozendaal als Glaxo-knuffel (3/3)

Een dikke onvoldoende voor Trouw: namelijk een 3,1. En Elsevier was het slimste jongetje in de klas met een 8,6. In het programma ‘De leugen regeert’ (27.2.09) mochten Luc Debruyne (directeur van GlaxoSmithKline), Simon Rozendaal (uit de Elsevierstal) en Joop Bouma (Trouw) tekst en uitleg geven over dezew rapportcijfers.... van de farma-industrie. Rozendaal deed de aftrap: hij haalde zijn schouders op over het compliment. “Het gaat om de waarheid!”
Linksigheid is de oorzaak van de slechte berichtgeving over de farmacie, meende Debruyne. Rozendaal was een positieve uitzondering. Maar, zo verklaarde de GSK-topman, “dié heeft heel veel tijd geïnvesteerd”.
Debruyne kreeg bijval van Rozendaal. “Een hoop journalisten, en Joop (Bouma, RR.) heeft daar soms ook een handje van, die gaan op pad met het plan om een buitengewoon negatief verhaal te schrijven. Dat staat van te voren vast. En op het laatst wordt nog even iemand van het bedrijf gebeld. En die komt dan met een of twee zinnetjes erin.”
Joop Bouma reageerde kalm: “Ik vraag me af hoe jij weet dat ik daar een handje van heb?”
Rozendaal: “Ik vermoed dat.”
Vervolgens kwam de vraag aan de orde of een journalist niet alle schijn van partijdigheid moet vermijden. De gezichten keken in de richting van Rozendaal, die ooit de Glaxo-award in ontvangst nam. Die prijs werd destijds gesponsord door een farmaceutisch bedrijf. “Inmiddels bestaat die niet meer”, verdedigde Rozendaal zich. “Het is een algemene journalistieke prijs uitgereikt door een bedrijf, zoals een hoop prijzen door een bedrijf wordt betaald.” Bovendien meldde Rozendaal dat hij trots op die prijs was.
En toen was Rozendaal (“Hou toch op!”) boos.
Debruyne was overigens tevreden over de schrijvende pers. De afgelopen drie weken had hij elke week een interview. “Maar dan ging het om de toekomst van de farmaceutische industrie en de impact van de kredietcrisis.” Alleen die vervelende Bouma. Die was volgens hem te weinig geïnteresseerd in de farmaceutische industrie. Hij stelde de verkeerde vragen, vond Debruyne.
Analyse. Rozendaal maakte zich schuldig aan een directe persoonlijke aanval met zijn bewering dat Bouma bevooroordeeld is. Die bewering presenteerde hij eerst als feit, maar moest later bekennen dat hij alleen maar een vermoeden had. Hij nam zich zelfs niet de moeite om aan te geven waar dat vermoeden dan opgebaseerd was. Kortom, het was niet meer dan een flauwe persoonlijke aanval.
Rozendaal was ook niet wars van een contradictie. Eerst beweerde hij dat hij geen enkele boodschap aan complimenten van de farmaceutische industrie had, maar even later bekende hij trots te zijn op de prijs die hij van Glaxo gekregen had. Dat die prijs niet meer bestaat – Rozendaals eerste verweer – is volstrekt irrelevant. Dat zoveel prijzen door een bedrijf worden uitgereikt, is in dit verband ook irrelevant. Het ging en gaat er om dat een journalist alle schijn van belangenverstrengeling moet vermijden.
Het boze ‘hou-toch-op’ van Rozendaal is een emotie-argument. Het verving in de discussie het inhoudelijke antwoord op een terecht gestelde vraag: moet een journalist niet elke schijn van belangenverstrengeling vermijden?
Ook Debruyne lanceerde een persoonlijke aanval: Bouma is niet geïnteresseerd. Het argument dat Bouma zijn werk niet goed doet, omdat hij andere vragen moet stellen, was – wat mij betreft – het absolute dieptepunt in deze discussie. Bouma heeft het recht de vragen te stellen die hij als onderzoeksjournalist wil - en m.i. ook moet - stellen.
Verder werd de kritische pers afgedaan als ‘linksigheid’. Daarmee kon in de ogen van Debruyne alle kritiek als irrelevant worden afgedaan.
En Bouma? Die deed gewoon wat hij moest doen: inhoudelijk antwoord geven.

Ellian maakt er weer een potje van (2/3)

Prof. Afshin Ellian is erg te spreken over het pamflet van de schrijver Joost Zwagerman. De laatste reconstrueerde in zijn pamflet ‘Hitler in de polder en Vrij van God’ de discussie rond de islam in Nederland (Elsevier, 25.2.09). “Een scherp en polemisch pamflet”, vond Ellian. Hij citeerde de eerste alinea uit Zwagermans boek: “Als je sommigen mag geloven, zijn er de afgelopen vijftien jaar al heel wat nazi's de landspolitiek binnen gemarcheerd. Goebbels, Göring, Eichmann en Hitler zelf; postuum spreken ze een hartig woordje mee, met mensen als Frits Bolkestein, Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders als vermeende buikspreekpoppen.”
Wat vervolgens niet uit Ellians verdere bespreking blijkt, is dat niet alleen rechtse politici (als Bolkestein, Hirsi Ali en Wilders) zo worden neergezet, maar ook linkse politici. Zwagerman verwees naar Jeroen Dijsselbloem (PvdA), Paul Scheffer (links) en Wouter Bos (PvdA).

Het was Geert Mak die Submission en daarmee de makers ervan, Ayaan Hirsi Ali en Theo van Gogh, met de film van Gobbels (Der Ewige Jude) vergeleek. Nooit heeft hij publiekelijk afstand genomen van deze verwerpelijke kwalificatie.”
Een verwerpelijke kwalificatie, aldus Ellian. De vraag is dan hoe dit standpunt te rijmen is met zijn eigen reactie op de advertentie van Harry de Winter. Ellian schreef letterlijk: “Dit is een mooi voorbeeld van de demagogie waarin sommige Duitsers in de jaren dertig meester waren.” Een verwerpelijke kwalificatie, behalve als die uit de mond van Ellian komt. De Leidse hoogleraar meet met twee maten.

Die verbijstering sprak Mak ook uit in zijn tv-serie over Silvio Berlusconi. Zijn historische bron is een YouTube-filmpje van extreemlinkse Italiaanse groepen. Daarin is een grote menigte te zien, tijdens een toespraak van Berlusconi. Inderdaad, een paar mensen uit dat publiek gedroegen zich als nazi’s.
Dit rekent Mak Berlusconi aan. Dat Berlusconi nooit en te nimmer die personen heeft kunnen zien, interesseert Mak niet. Mak schrijft
geen geschiedenis maar propaganda, waarbij Berlusconi een herhaling van het fascisme en massa belichaamt.”
Wie de Italiaanse politiek volgt, is niet verbaasd over de populariteit van het fascisme in de kringen van Berlusconi (PdL). De partijgenoot Giuseppe Ciarrapico zei onomwonden: “Sono fascista . Ma in senso culturale e non politico. È una questione di memoria. Di cuore. Di storia personale. Di ideali” (Corriere della Sera, 11.3.08). Overigens voegde hij er meteen aan toe: “Non sono antisemita” (ik ben geen antisemiet). Een echt handige uitspraak is dat niet, maar je komt er mee weg. In de algemene verkiezingen van 2008 stelde Ciarrapico zich op verzoek van Berlusconi (en ondanks het protest van de Aleanza Nazionale) kandidaat voor de Senaat van de Republiek voor de PdL. Hij werd gekozen, ondanks (en misschien wel dankzij) zijn uitspraken.
Ignazio La Russa, de Italiaanse minister van Defensie (PdL), heeft “respect voor de vaderlandsliefde” van de soldaten die in de Tweede Wereldoorlog aan de zijde van de Duce vochten. En Gianni Alemanno (PdL), de burgemeester van Rome, zei: “Fascisme is niet het absolute kwaad".
Zoveel afstand heeft Berlusconi dus ook weer niet.

Mak schrijft geen geschiedenis maar propaganda”, aldus Ellian. En hij verwijst met een hyperlink naar de kritiek van Melching (waarover ik vorig jaar al iets schreef). Melching bekritiseerde Mak echter helemaal niet vanwege een of ander propagandistisch karakter. Mak en zijn redactie maakte volgens de historicus een (fiks) aantal fouten: het ging om historische onjuistheden. Het verwijt van propaganda was niet aan de orde. Ellian suggereert dat met zijn link nadrukkelijk.

Deze oude elite wil niet met pensioen gaan. Ze zijn eigenlijk ook niet meer van belang voor het publieke debat. Als dit waar is, dan is dit erg schrikbarend. De oude elite handelt dus niet op grond van een weloverwogen analyse.”
Uit de premissen: (1). De oude elite wil geen plaats maken; (2). De oude elite is niet (meer) van belang voor het publieke debat; en (3). Als premisse (2) waar is, dan is dat schrikbarend, leidt Ellian de conclusie af dat de oude elite dus niet op grond van een weloverwogen analyse handelt. De logica van deze redenering is volledig zoek.