Rutte en de vrijheid van meningsuiting 2 (31/5)

Het NRC maakt zich schuldig aan de vertekening van het standpunt van Rutte. In deze krant stond het volgende (NRC, 29.5.09):
‘Vandaag benadrukt Rutte dat er wel degelijk situaties denkbaar zijn waarin het ontkennen van de Holocaust strafbaar is: “Als een studeerkamergeleerde die van de weg is geraakt dat zegt, zonder enige bijbedoeling, terwijl bibliotheken vol staan met boeken die bewijzen dat het wel heeft plaatsgevonden, dan mag hij dat zeggen”, aldus Rutte vanmorgen. Maar omdat Holocaust-ontkenning volgens Rutte „bijna altijd plaatsvindt in de context van het aanzetten tot geweld”, zal het ook onder de door hem gewenste wetswijziging gewoon strafbaar blijven. De VVD wil de vrijheid van meningsuiting verruimen en het zogenaamde ‘haatzaai-artikel’ uit het Wetboek van strafrecht schrappen. Ook wil de VVD dat er strafvermeerdering komt voor hen die het vrije woord bedreigen.’
Analyse. Rutte benadrukt volgens het NRC dus dat er wel degelijk situaties denkbaar zijn waarin het ontkennen van de Holocaust strafbaar is. Maar uit het citaat blijkt dat Rutte de facto stelt dat Holocaust-ontkenning volgens hem bijna altijd plaatsvindt in de context van het aanzetten tot geweld en dus ook onder de door hem gewenste wetswijziging gewoon strafbaar blijft.
Met andere woorden, de correcte weergave van het standpunt van Rutte is, dat er situaties zijn waarin het ontkenning van de Holocaust niet strafbaar is.

Rutte en de vrijheid van meningsuiting (30/5)

“Het is verbazingwekkend hoe ook 'de vrienden' van Rutte, Hans Wiegel en Frans Weisglas meedoen aan deze hatelijke campagne tegen Mark Rutte”, aldus de Leidse hoogleraar Ellian (Elsevier, 29.5.09).
Analyse. De controverse wordt door de media breed uitgemeten, maar de vraag is of er wel sprake is van een echt meningsverschil. Gisteren schreef ik al dat de inconsistentie niet bestaat: “Hij (Van Baalen, RR.) zei op Radio 1 dat ontkenning van de Holocaust wel bestraft moet blijven worden als aanzetten tot haat. Dat is niet in tegenspraak met het voorstel van Rutte & Nicolaï. Dat blijkt uit zijn argumentatie. Anders dan Rutte, is hij van mening dat Holocaustontkenners het achterliggende doel kunnen hebben haat te zaaien en geweld te gebruiken tegen Joden. Maar als dat laatste inderdaad het geval is, dan zal ook Rutte niet principieel tegen een verbod zijn. De vrijheid van meningsuiting mag in de ogen van Rutte alleen worden beperkt als er wordt opgeroepen tot geweld of als er sprake is van een intentie tot het oproepen van geweld.”
Inmiddels heeft Rutte gereageerd: het ontkennen van de Holocaust moet strafbaar blijven als er sprake is van aanzetten tot geweld (NRC, 29.5.09). Het enige verschil is dat Van Baalen meent dat dit inherent is aan de ontkenning van de Holocaust en dat Rutte zich kan voorstellen dat er incidenteel een uitzondering kan zijn. Feitelijk is er geen tegenstelling tussen zijn standpunt en dat van Rutte. (Toevoeging: de inhoudelijke argumentatie van Wiegel en Weisglas ken ik niet. Weisglas is het met Van Baalen eens, meldt het AD.)

Rutte, Nicolaï en de vrijheid van meningsuiting (29/5)

Het voorstel van het Kamerlid Nicolaï (VVD) tot verruiming van de vrijheid van meningsuiting viel niet in goede aarde bij Trouw, getuige het Commentaar (27.5.09). “Nicolaï wil dat je in onze democratische samenleving alles moet kunnen zeggen, zolang je niet oproept tot geweld en zolang de uitspraken worden gedaan in het kader van het publieke debat. Ruim baan dus voor het vrije woord, en dat is volgens Nicolaï ook goed om de boel bij elkaar te houden. Het is volgens de liberaal niet (langer) nodig bevolkingsgroepen tegen belediging te beschermen en het aanzetten tot haat en discriminatie te verbieden.”
Alleen is het volgens Trouw nog maar de vraag of de liberalen zelf in staat zijn er consequent naar te handelen. Enkele weken terug stemde de fractie in de Tweede Kamer tegen de aanstelling van de moslim Ali Eddaoudi tot geestelijk verzorger in de krijgsmacht vanwege de ’foute opvattingen’ die hij in het verleden als columnist had verkondigd. “De fractie bedoelde daarmee opvattingen ’die strijdig zijn met de waarden en normen van onze rechtsstaat’. Hoe verhoudt zich dat stemgedrag met het voorstel van Nicolaï?”
Eerder pleitte de VVD voor vervolging van het orthodox-protestantse Kamerlid Van Dijke en de imam El Moumni wegens hun krachtig verwoorde afwijzing van homoseksualiteit. “De VVD wekt dus ten minste de indruk minder ruimhartig tegenover het vrije woord te staan zodra dit haar niet bevalt of dit althans kwetsend is jegens een bepaalde groep in de samenleving.”
“Waar zij zelf dus niet ongevoelig blijken voor het effect van woorden, is het verrassend dat de liberalen nu een bijna absolute uitingsvrijheid bepleiten. Dat moet je maar met droge ogen durven uitspreken als je zelf keer op keer blijk geeft van lange tenen.”
Analyse. Is er sprake van een inconsistentie? Ik denk van niet. De argumentatie van Rutte en De Krom is dat Eddaoudi weliswaar mag zeggen wat hij wilt, maar dat zijn functioneren als imam in het leger problematisch is. Dat is iets anders dan een pleidooi voor een strafrechtelijk verbod op het uiten van bepaalde meningen.
Namens de VVD zei Rijpstra in de kwestie-El Moumni dat de wet maar voor één uitleg vatbaar moet zijn: “Blijkbaar is het nu zo dat religie voor de rechter altijd geldt als hogere wetgeving. We moeten naar een grondwet die maar op één manier is uit te leggen: dat je een grens over gaat zodra je anderen schade berokkent. Zeggen wat je denkt of gelooft mag, zolang je anderen niet beledigt of discrimineert.” Maar dat was wel in 2001.
VVD-lijsttrekker bij de Europese verkiezingen Van Baalen is het evenmin eens met Rutte (Trouw, 28.5.09). Hij zei op Radio 1 dat ontkenning van de Holocaust wel bestraft moet blijven worden als aanzetten tot haat. Dat is niet in tegenspraak met het voorstel van Rutte & Nicolaï. Dat blijkt uit zijn argumentatie. Anders dan Rutte, is hij van mening dat Holocaustontkenners het achterliggende doel kunnen hebben haat te zaaien en geweld te gebruiken tegen Joden. Maar als dat laatste inderdaad het geval is, dan zal ook Rutte niet principieel tegen een verbod zijn. De vrijheid van meningsuiting mag in de ogen van Rutte alleen worden beperkt als er wordt opgeroepen tot geweld of als er sprake is van een intentie tot het oproepen van geweld.

Allochtonen geven meer dan autochtonen (28/5)

Allochtonen zijn guller dan autochtonen, meent Christine Carabain. Zij is deskundige op het gebied van etnische filantropie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Maar Lucas Meijs, hoogleraar vrijwilligerswerk aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, meent dat “geld geven aan een neefje in Marokko dat het moeilijk heeft, geen filantropie is” (Trouw, 28.5.09).
Carabain deed onderzoek naar het geefgedrag en concludeerde dat allochtonen in 2007 200 euro meer weggaven dan autochtonen. Zij vond dat de giften mee die allochtonen sturen naar familie, vrienden, geloofsgenoten en dorps- of stadgenoten in het land van herkomst ook onder filantropie vallen.
Carabain stelt dat het bij filantropie gaat "om geld dat je niet aan jezelf spendeert.”
Onjuist, meent econome Karen Maas, Zij is verbonden aan het Instituut voor Strategische Filantropie van de Erasmus Universiteit en vindt dat Carabain de grens te wijd heeft getrokken. Geven aan familieleden "is geen geven uit onbaatzuchtigheid. Je doet dat toch om er ook zelf beter van te worden. Je hoopt dat dat familielid jou helpt als jij onverhoopt geld nodig hebt.”
Ook hoogleraar Meijs is deze mening toegedaan: schenken aan familieleden of bekenden valt niet onder filantropie. Van filantropie is volgens hem alleen sprake als de gift ’ten algemene nutte’ is. Geven vanuit onbaatzuchtigheid bestaat volgens hem dan ook niet. "Dat is een eenzijdig standpunt. Sommige mensen slapen beter als ze geven. Van Moeder Teresa werd gezegd dat ze altruïstisch was, maar zij deed haar mooie werk misschien wel vooral omdat ze hoopte daardoor in de hemel te komen.”
Analyse. Carabain en Meijs & Maas definieren het begrip ‘filantropie’ elk op hun eigen wijze. Bij Carabain gaat het om geld, dat je niet aan jezelf spendeert; bij Meijs & Maas om het motief. De discussie tussen de wetenschappers kan niet worden beslecht met een verwijzing naar de empirische werkelijkheid. Het gaat om een conceptuele analyse: wat bedoelen we met het concept ‘filantropie’? Met name Meijs en Maas maken zich dan ook schuldig aan een categoriefout. Zij verwijzen naar die werkelijkheid om het ongelijk van Carabain aan te tonen. Zij hadden moeten verwijzen naar een conceptuele analyse. Maar dan nog staat het Carabain vrij om een eigen definitie te geven van het begrip.

Loth en de slapende rechter 2 (27/5)

“Een mislukt boek” was de kwalificatie van voormalig hoogleraar Marc Loth over het boek ‘De slapende rechter’ van Wagenaar, Van Koppen en Israels (NJB-blog). Loth, momenteel raadsheer is, vraagt aandacht “voor het fenomeen dat – juist vanuit psychologisch gezichtspunt – wijsheid achteraf echt iets anders is dan zelf voor de opgave staan om over bewijs te oordelen. Wie dat over het hoofd ziet, stelt zich op als de beste stuurman die per definitie aan de wal staat.”
Analyse. Loth maakt zich schuldig aan een enigszins verbloemde persoonlijke aanval met zijn ‘beste-stuurman’-opmerking.
Overigens heeft Van Koppen destijds met zijn boek over de Schiedammerparkmoord zijn kop aangetoond dat de bewijsvoering in de zaak van Kees B. niet deugde op het moment dat de echte dader, Wik H,, nog niet was opgepakt. Kortom, geen wijsheid achteraf, maar vooraf. De commissie-Posthumus bevestigde later Van Koppens analyse op zowat alle punten.

Ellian en het hellend vlak (26/5)

Het werkelijke probleem is dat Pechtold en de Haagse kliek doodsbang zijn om hun eigen volk te vertegenwoordigen, meent hoogleraar Ellian (Elsevier, 25.5.09). “Politiek van totale uitsluiting (van de PVV, RR.) leidt uiteindelijk tot een vijand-verklaring van de politieke tegenstanders. Wat zijn de volgende stappen na de vijand- verklaring? Geweld en criminalisering?” Na deze retorische vraag voegt Ellian er terloops aan toe, dat er al een cordon rond Wilders is en de strafrechtelijke vervolging ook al in werking is gezet.
Analyse. Ellian maakt zich schuldig aan een hellend vlak. Eerst willen de linkse politici niet met Wilders in een regering en dat mondt dan - uiteindelijk - uit in geweld en criminalisering.

Mees en alweer een persoonlijke aanval (25/5)

Russell Shorto: onwaarachtig en duidelijk een passant die zich geen zorgen hoeft te maken over Nederland. Met deze persoonlijke aanval bekritiseert Heleen Mees de Amerikaanse historicus, die zich onlangs in de ogen van Mees te positief uitliet over de Nederlandse verzorgingsstaat (NRC, 22.5.09).
Nederland kent sinds 2000 een explosie aan politiek geweld: de moord op Fortuyn en Van Gogh, de doodsbedreiging aan Ayaan in de brief op het lichaam van Van Gogh en Karst T. die het op de koninklijke familie voorzien had. En dat heeft, zo gaat Mees verder, alles te maken met de Nederlandse verzorgingsstaat.
Wie, zoals Shorto, het politieke geweld buiten beschouwing laat, is onwaarachtig.
Analyse. De explosie aan politiek geweld bewijst Mees aan de hand van de vier voorvallen: Van Gogh en de doodsbedreiging aan het adres van Ayaan vallen onder die categorie. Maar wat de verzorgingsstaat te maken heeft met Kars T. en de moord op Fortuyn, maakt Mees niet duidelijk.

Kluveld en de verschuiving van de bewijslast (24/5)

Amanda Kluveld bezocht onlangs het Nationaal Islam Congres gehouden (Vk, 22.5.09). Een van die sprekers was sjeik Khalid Yasin. “Hij gelooft dat de islam de macht in het Westen zal overnemen en in de Apollohal verheugde hij zich daar al zichtbaar op. De islam is volgens Yasin namelijk een superieur systeem van denken, geloven en leven dat niet voor niets in het Westen is neergestreken en wortel aan het schieten is. Westerlingen doen er verstandig aan om dit cadeau van Allah in dankbaarheid te omarmen.”
Zij volgde een workshop die de sjeik gaf ter empowerment van moslimvrouwen. “De aanwezige vrouwen werden door Yasin afgescheept met flauwe grapjes over homoseksualiteit, vrouwelijke premiers en mensen die een ander geloof aanhangen dan de islam. Aan het uitleggen van het ‘niet-moslims historisch paradigma’, dat hij op zijn PowerPoint had gezet en waar onder andere het feminisme, het vrouwenkiesrecht en de Verlichting toe werden gerekend, waagde hij zich niet. Yasin heeft op geen enkele manier duidelijk weten te maken waarom de islam goed zou zijn voor vrouwen. Maar de stelling dat de islam een superieur geloof is, heeft hij met zijn flauwe praatje bijzonder effectief ontkracht.”
Op het Nationaal Islam Congres confereerden orthodoxe islamieten die willen dat het Westen zich onderwerpt, vinden dat integreren een zwaktebod is, die de democratie als een inferieur systeem beschouwen en de sharia in Nederland willen invoeren. “Het is onbegrijpelijk en een teken van capitulatie dat de gemeente Amsterdam de Apollohal aan de organisatie van dit evenement heeft verhuurd.”
Haar conclusie: “niet de islam, maar de westerse cultuur is superieur”.
Analyse. Kluveld stelt dat de westerse cultuur superieur is. Haar argumentatie bestaat eruit dat ze wijst op het feit dat Yasin en een aantal andere orthodoxe islamieten, die op het congres aanwezig waren, niet konden duidelijk maken waarom de islam goed zou zijn voor vrouwen. Daarmee “heeft hij de stelling dat islam een superieur geloof is, (…) effectief ontkracht.” Dat is onjuist. Kluveld verschuift de bewijslast. Ook zij zal inhoudelijke argumenten moeten aandragen waarom de westerse cultuur superieur is. Het enkel verwijzen naar een gebrekkige argumentatie van iemand die tegengestelde mening is toegedaan, is onvoldoende.
Ook is haar betoog inconsistent waar het de passage “het is onbegrijpelijk (…) dat de gemeente Amsterdam de Apollohal aan de organisatie van dit evenement heeft verhuurd” betreft. De vrijheid van meningsuiting geldt kennelijk niet voor een opvatting die Kluveld niet zint. Maar om dan tegelijkertijd beweren dat de westerse waarden (zoals de vrijheid van menigsuiting) tot de laatste snik verdedigd moeten worden, is niet te rijmen met die passage (nog afgezien van het feit dat een weigering van de gemeente om de Appolozaal te verhuren onrechtmatig is (verg. HR 26 april 1996, NJ 1996, 728, Rasti Rostelli)).

Wilders vs. Bos (23/5)

Bos wil niet met Wilders en zijn PVV in een regering. De ideeën van de PVV zijn volgens te verschillend van de PvdA. “Angst, paniek en afgunst”, meent Wilders.
Analyse. Dit is een persoonlijke aanval van Wilders richting Bos. Waarom is het vreemd om te stellen dat de programma's van de PVV en PvdA zo verschillend zijn, dat een regering PVV/PvdA niet te realiseren is?

CRvB en de geweigerde handdruk 3 (22/5)

De Centrale Raad van Beroep, de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het burgerlijke en militaire ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht., heeft uitspraak gedaan in de zaak van de ontslagen docente economie van het Vader Rijn College te Utrecht, die geen handen meer wilde schudden van mannelijke collega's:
De betreffende docente had een tijdelijke aanstelling tot 1 augustus 2007. Op de eerste schooldag na de zomervakantie van 2006 heeft betrokkene ’s ochtends per e-mailbericht al haar collega’s laten weten dat zij vanwege haar geloofsovertuiging geen handen meer zal geven aan mannelijke collega’s. Als gevolg van de daardoor ontstane commotie is betrokkene geschorst en uiteindelijk vóór de afloop van haar tijdelijk dienstverband ontslagen. Die besluiten bleven bij de rechtbank in stand.
In hoger beroep heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling in deze zaak, te weten dat de school verboden indirect onderscheid maakt op grond van godsdienst bij de arbeidsomstandigheden door de eis te stellen dat docenten bij het begroeten een hand geven.
De school waarbij betrokkene in dienst was streeft een respectvolle omgang met elkaar na door het voorschrijven van een uniforme begroetingsregel eruit bestaande dat men elkaar bij gelegenheid een hand schudt. De openbare school wil openstaan voor een ieder en het propageren van de eigen levenovertuiging, godsdienstbeschouwing of politieke voorkeur acht de school niet gewenst. Voor de keuze van de begroetingsregel heeft de school aangesloten bij de in Nederland algemeen geaccepteerde fatsoens- en omgangsvormen.
De Centrale Raad overweegt nu in zijn uitspraak van 7 mei 2009, LJN: BI2440 dat het bij de vraag of de begroetingsregel zich verdraagt met het verbod van onderscheid naar godsdienst gaat om een afweging van belangen van de stichting en de school enerzijds en die van betrokkene, die zou moeten worden beschermd tegen ongelijke behandeling vanwege haar godsdienst anderzijds. Van belang acht de Centrale Raad daarbij dat de geloofsuiting waarvoor bescherming wordt verlangd zich in de openbaarheid manifesteert en dat daarbij anderen zijn betrokken, waaronder ook leerlingen, ouders en andere derden. De begroetingsregel ziet dus direct op de wijze van functievervulling. Het belang van de openbare school, gelegen in het voorkomen van segregatie en het bevorderen van de duidelijkheid in een multiculturele schoolgemeenschap weegt in de gegeven omstandigheden zo veel zwaarder dan het door betrokkene nagestreefde belang bij verscheidenheid, dat de Raad van oordeel is dat de voorgeschreven begroetingswijze, te weten het schudden van handen, passend en noodzakelijk is te achten. De school werd dus in het gelijk gesteld.
De uitspraak betekent dat de docente terecht is ontslagen.

Tot zover het persbericht van de Centrale Raad van Beroep. De relevante passages staan in rechtsoverweging 7.7 tot en met 7.10:

7.7. De Raad gaat met partijen ervan uit dat het niet geven van een hand in het openbaar aan een persoon van het andere geslacht een gedraging is waarmee iemand, mede gelet op het karakter en op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, rechtstreeks uiting kan geven aan zijn of haar islamitische geloofsovertuiging, hetgeen valt onder het begrip godsdienst, zoals bedoeld in de Awgb.

7.8. De stichting streeft op school een respectvolle omgang met elkaar na door het voorschrijven van een uniforme begroetingsregel, eruit bestaande dat men elkaar bij gelegenheid een hand schudt. Dat is volgens de stichting van belang omdat de school te maken heeft met een grote verscheidenheid aan medewerkers en leerlingen voor wat betreft culturele achtergrond, etniciteit en geloofsovertuiging. De (openbare) school wil openstaan voor een ieder, waarbij een ieder zich gerespecteerd moet voelen. Het actief propageren van de eigen levensovertuiging, godsdienstbeschouwing en politieke voorkeur acht de school niet gewenst, omdat dit segregatie in de hand werkt. Er moet, ook uit pedagogisch oogpunt, duidelijkheid bestaan over de omgangvormen. Voor de keuze van het uniforme begroetingsvoorschrift is aangesloten bij de in Nederland gebruikelijke algemeen geaccepteerde fatsoens- en omgangsvormen. De leerlingen worden immers voorbereid op deelname aan de Nederlandse arbeidsmarkt. Op deze wijze tracht de stichting niet alleen betekenis te geven aan het openbaar karakter van de school, maar ook aan de opdracht die artikel 17 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs aan haar stelt, waarbij onder meer actief burgerschap en sociale integratie door het onderwijs dienen te worden bevorderd.

7.9. De Raad is van oordeel dat de bedoelde begroetingsregel, nu deze hoofdzakelijk mensen met een bepaalde godsdienstige overtuiging raakt, een indirect onderscheid naar godsdienst oplevert en voorts dat het bijbrengen van respectvolle omgangsvormen zoals hiervoor beschreven een legitiem doel dient. Het middel - het hanteren van een uniforme begroetingsregel - is naar het oordeel van de Raad ook geschikt om dat legitieme doel te bereiken.

7.10. Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of het middel passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. Volgens de Raad gaat het daarbij om een afweging van de belangen van de stichting en de school en het belang van personen zoals betrokkene, die moeten worden beschermd tegen ongelijke behandeling vanwege hun godsdienst. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de geloofsuiting waarvoor bescherming wordt verlangd zich in de openbaarheid manifesteert en dat daarbij anderen zijn betrokken. De weigering om in voorkomende gevallen een hand te geven en de redengeving die betrokkene daarvoor geeft - zij ervaart het schudden van handen met volwassen mannen vanuit haar geloofsovertuiging als seksuele intimidatie - kan door de ander als confronterend en onaangenaam worden ervaren en de onderlinge relaties onder druk zetten. In het geval van betrokkene doet zich dit niet alleen voor bij mannelijke collega’s en bij leerlingen, voor wie betrokkene een voorbeeldfunctie heeft, maar ook extern, bij ouders en derden die bij de school zijn betrokken. Ten opzichte van deze laatste groepen is de leerkracht in de eerste plaats de vertegenwoordiging van de school en aldus bezien ziet de begroetingsregel direct op de wijze van functievervulling van de ambtenaar. In de gegeven omstandigheden is de Raad van oordeel dat een zo veel groter gewicht toekomt aan het belang van de school om ter voorkoming van segregatie en ter bevordering van de duidelijkheid in een multiculturele schoolgemeenschap uniformiteit op de wijze, zoals dat is gebeurd, te stellen boven diversiteit, dat de uniformiteit in begroetingswijze passend en noodzakelijk is te achten.

Analyse. Mijn stelling is dat de Raad niet adequaat argumenteert. In rechtsoverweging 7.9 stelt de raad enerzijds dat de bedoelde begroetingsregel inderdaad een indirect onderscheid naar godsdienst oplevert en anderzijds dat het bijbrengen van respectvolle omgangsvormen een legitiem doel dient. In r.o. 7.10 stelt de raad dat in de gegeven omstandigheden een groter gewicht toekomt aan het belang van de school dan aan het belang van de docente. Maar een reden waarom de balans in de richting van de school doorslaat, geeft de raad niet: beide opvattingen, zo erkent de raad, hebben hun ratio, maar één opvatting weegt zwaarder. De redenen die de raad geeft, hebben uitsluitend betrekking op de ratio van de opvattingen. De afweging, dus welke opvatting zwaarder weegt, vereist een andere soort argumentatie.
Het enige argument dat de opvatting van de school prevaleert, is dat de raad dit nu eenmaal zo vindt. Kortom, een autoriteitsargument.
Vanuit een juridische optiek is daar wat voor te zeggen. We hebben in Nederland de traditie dat bij een geschil een onafhankelijk derde (de rechter) de knoop doorhakt en een bindende beslissing neemt. Maar vanuit een argumentatieve optiek is deze handelswijze te mager.

CRvB over de geweigerde handdruk 2 (21/5)

Ook Ellian wond zich op over de uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) in de zaak van de ontslagen docente economie van het Vader Rijn College te Utrecht, die geen handen meer wilde schudden van mannelijke collegae (Elsevier, 15.5.09). De CGB stelde de (reborn) moslima in het gelijk: de school mag niet indirect onderscheid maken op grond van godsdienst bij de arbeidsomstandigheden door de eis te stellen dat docenten bij het begroeten een hand moeten geven.
Nog even de feiten. Op de eerste schooldag, na de zomervakantie van 2006, stuurde zij een e-mail al haar collega’s dat zij vanwege haar geloofsovertuiging geen handen meer zou geven aan mannelijke collegae. Vervolgens werd zij door de schoolleiding geschorst en uiteindelijk, kort vóór de afloop van haar tijdelijk dienstverband, ontslagen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) gaf de school gelijk.
Onder het kopje ‘Argumentatie’ geeft Ellian aan waarom het oordeel van de CRvB een goede uitspraak is. Hoe bouwt de Leidse hoogleraar zijn argumentatie op? Als volgt:
1. Het standpunt van de CGB:
De Commissie Gelijke Behandeling stelde de (reborn) moslima in het gelijk: de school mag niet indirect onderscheid maken op grond van godsdienst bij de arbeidsomstandigheden door de eis te stellen dat docenten bij het begroeten een hand moeten geven.
2. Standpunt van de leidinggevenden van de school:
De leidinggevenden stelden het volgende: “De school waarbij betrokkene in dienst was, streeft een respectvolle omgang met elkaar na door het voorschrijven van een uniforme begroetingsregel eruit bestaande dat men elkaar bij gelegenheid een hand schudt. De openbare school wil openstaan voor een ieder en het propageren van de eigen levenovertuiging, godsdienstbeschouwing of politieke voorkeur acht de school niet gewenst. Voor de keuze van de begroetingsregel heeft de school zich aangesloten bij de in Nederland algemeen geaccepteerde fatsoens- en omgangsvormen.”
3. Weergave van het conflict:
Er is sprake van twee botsende belangen: de begroetingsregel versus de godsdienstige overtuiging.
4. Analyse van het conflict:
Allereerst stelde de rechter vast dat deze geloofsuiting zich in de openbaarheid manifesteert. Dat is belangrijk. Want het zou anders zijn als dit in de privésfeer gebeurde. Een geloofsuiting in de openbaarheid richt zich namelijk ook tot leerlingen, ouders en anderen. Hier ontstaat het probleem: ouders en hun kinderen wensen dat de normale normen en waarden in acht worden in genomen.
5. Standpunt van de rechter (CRvB):
De begroetingsregel is daarom, aldus de rechter, direct gerelateerd aan de functievervulling:
‘Het belang van de openbare school, gelegen in het voorkomen van segregatie en het bevorderen van de duidelijkheid in een multiculturele schoolgemeenschap, weegt in de gegeven omstandigheden zo veel zwaarder dan het door betrokkene nagestreefde belang bij verscheidenheid, dat de Raad van oordeel is dat de voorgeschreven begroetingswijze, te weten het schudden van handen, passend en noodzakelijk is te achten.’ De school werd dus in het gelijk gesteld.

6. Oordeel over het standpunt van de rechter:
Dit noem ik pas argumentatie en een juiste redenering.
7. Praktische gevolgen van de uitspraak:
Nu moet de Commissie Gelijke Behandeling zich aanpassen aan het geldende recht, namelijk deze uitspraak. En wat die moslima moet doen? Wees eerlijk, zoals de orthodoxe joden. Aanvaard de prijs van het zelfgekozen strenge islamitische geloof in een vrije samenleving.
Analyse. Het gaat mij met name om het zesde punt. Ellian is het eens met het standpunt van de CRvB, maar een toelichting ontbreekt. In het door Ellian aangehaalde oordeel is er, strikt argumentatief gezien, geen sprake van een afweging tussen de overweging van de school enerzijds en de overweging van de ontslagen docente anderzijds. Dat betekent overigens niet dat Ellian zich schuldig maakt aan een drogreden, maar een argumentatie geeft hij niet.

(Morgen zal ik nader ingaan op de argumentatie van de uitspraak van de Raad zelf.)

CRvB over de geweigerde handdruk 1 (20/5)

Justitia in Praag

Mag een openbare middelbare school een jonge islamitische docente schorsen en ontslaan, die na de zomervakantie haar collega’s e-mailt dat ze mannen geen handen meer wil geven vanwege haar geloof. Nee, zei de Commissie Gelijke Behandeling. Ja, zegt de Centrale Raad van Beroep.
De docente vindt dat de schoolregel haar godsdienstvrijheid beperkt. Ze meent dat er ook op andere manieren respectvol kan worden gegroet zonder lichaamscontact. Maar de school is van mening dat ‘in Nederland geldende en gangbare respectvolle omgangsvormen’ moeten worden uitgedragen. Deze leerlingen moeten op de (Nederlandse) arbeidsmarkt worden voorbereid en dan is ‘uniformiteit’ belangrijker dan ‘diversiteit’.
Het indirect onderscheid maken is wettelijk wel toegestaan mits het doel legitiem is. De maatregel moet beantwoorden aan een werkelijke behoefte; er mag geen sprake zijn van een ‘discriminerend oogmerk’; en het middel (’schudplicht’) moet ook passend (geschikt) en noodzakelijk (evenredig) zijn.
“Wat vond de CGB? De Commissie Gelijke behandeling (CGB) wees de schoolregel af. Weliswaar is het doel in orde en is er geen sprake van opzettelijke discriminatie. Alleen is het middel niet geschikt. Handen geven vinden sommige moslims immers niet respectvol, terwijl de school dat respect juist wil bevorderen. De school schond dus de wet door verboden indirect onderscheid te maken op grond van godsdienst”, aldus NRC-redacteur Jensma.
De Raad vindt het doel van de schudplicht legitiem: de arbeidsmarkt, pedagogische duidelijkheid, aansluiten bij gebruikelijke omgangsvormen, integratie etc. De docente moet tegen discriminatie worden beschermd, meent hoogleraar staatsrecht Van der Vlies, maar de opstelling van de docente is te ‘confronterend en onaangenaam’ en zet de onderlinge relaties onder druk. “Zij heeft een voorbeeldfunctie, zowel binnen de school als erbuiten. Bovendien vertegenwoordigt ze de school als ambtenaar. Er komt dus een ‘veel groter gewicht’ toe aan het belang van de school (uniformiteit) dan aan de docente (diversiteit). Dan is een begroetingsregel ‘passend en noodzakelijk’. Conclusie: het ontslag was gepast en op de juiste gronden.”
Van der Vlies meent dat de commissie uitdrukkelijk haar eigen opvatting volgt die ertoe dient discriminatie naar godsdienst (als naar elk grondrecht) zoveel mogelijk te voorkomen (NRC, 11.5.09). Maar is met dit ontslag dan sprake van godsdienstdiscriminatie? “In beginsel wel, de uniforme begroetingsregel levert een indirect onderscheid naar godsdienst op omdat zij een bepaalde godsdienst in het bijzonder raakt. Maar als de uniforme regel een passend en noodzakelijk middel om het doel (goede voorbereiding op de arbeidsmarkt) te bereiken, dan is zij toch toegestaan. De vrijheid van godsdienst wordt geplaatst tegenover het belang van de school om ter voorkoming van segregatie en ter bevordering van de duidelijkheid in een multiculturele schoolgemeenschap uniformiteit te stellen boven diversiteit, waarbij het gaat om het groetgedrag op een openbare school. Welke uniformiteit is gekozen? Die in Nederland gebruikelijk is.”
Als een docent een hand weigert, dan wordt dit volgens rechter op school als confronterend ervaren en ook door de externen, als de ouders, die de lerares de hand zou moeten drukken. Het gaat er volgens Van der Vlies om dat “de wijze waarop een ambtenaar haar functie vervult en die moet niet onnodig tot ophef leiden. De rechter laat het belang van de school om segregatie te voorkomen op de door haar gekozen wijze voorgaan, onder respectering van de keuze van de vrouw. Beide gaan echter niet samen.” Zij meent dat de rechter door de overwegingen zo principieel te formuleren voor de verhoudingen op scholen voor openbaar onderwijs een duidelijke en goed gemotiveerde uitspraak heeft gedaan.
Analyse. Duidelijk is de uitspraak wel, maar is er ook sprake van een goed gemotiveerde uitspraak?” Er is een conflict en de CRvB heeft een knoop doorgehakt. De vrijheid van godsdienst wordt geplaatst tegenover het belang van de school om - ter voorkoming van segregatie en ter bevordering van de duidelijkheid in een multiculturele schoolgemeenschap -uniformiteit te stellen boven diversiteit. Concreet: als een docent een hand weigert, dan kan dit als confronterend worden ervaren door collega’s, ouders (die de lerares die deze hand zou moeten drukken) en anderen.
Voor beide opvattingen is wat te zeggen en de CRvB heeft voor één van de opvattingen gekozen. De Raad geeft argumenten waarom ze opteert voor die opvatting, maar dat impliceert nog niet dat vrijheid van godsdienst dus in deze casus niet prevaleert. Strikt argumentatief kan men hooguit zeggen dat de keuze van de CRvB anders is dan die van de CGB.
De opmerking van Van der Vlies dat de commissie uitdrukkelijk haar eigen opvatting volgt die ertoe dient om discriminatie naar godsdienst (als naar elk grondrecht) zoveel mogelijk te voorkomen, is dan ook wat te gemakkelijk. Eigenlijk is het een - lichte - beschuldiging van vooringenomenheid, die Van der Vlies niet hard maakt.

Loth over Slapende rechters 1 (19/5)

“Een mislukt boek” was de kwalificatie van oud hoogleraar Marc Loth over het boek ‘De slapende rechter’ van Wagenaar, Van Koppen en Israels (NJB-blog). Loth, momenteel raadsheer “In verschillende hoofdstukken stuit de lezer op passages als: ‘een van ons kent dit dossier zeer goed doordat hij in opdracht van de rechter-commissaris als deskundige een uitgebreid rapport heeft geschreven’ (p. 22), ‘de ontoelaatbaarheid kan de rechters niet zijn ontgaan, want in het rapport van Wagenaar en Soppe was daar uitvoerig op gewezen’ (p. 42), ‘daarmee negeert het hof niet alleen een rapport van ons, maar …’ (p. 74), ‘de schriftelijke deskundigenverklaring (uitgebracht door een van de auteurs van dit boek)’ (p. 95), etcetera, etcetera. Voor auteurs die er zo kien op zijn om bij anderen belangenverstrengeling te ontwaren, is hier de zelfkritiek opmerkelijk afwezig. Hebben zij in deze zaken geadviseerd? Heeft de rechter hun deskundigenrapport niet gevolgd? Heeft dat tot frustraties geleid, worden hier rekeningen vereffend? Ik durf het niet aan te nemen en ik weet het echt niet, maar ik zou het wel zo wetenschappelijk hebben gevonden wanneer hier meer openheid en verantwoording was geboden.”
Analyse. Loth maakt zich schuldig aan een indirecte persoonlijke aanval: de rapporten van de auteurs zijn destijds door de rechtbank genegeerd en nu halen de drie wetenschappers hun gram. Weliswaar formuleert Loth zijn kritiek in de vorm van vragen (...heeft dat tot frustratie geleid…), maar dat is louter retoriek. Als hij het echt niet zou weten en hij het echt niet durfde aan te nemen, hoefde hij zijn kritiek ook niet te formuleren.
Deze retorische vraag vervangt het inhoudelijke argument en daarmee is het bij uitstek een drogreden.

Verbrugge, Bakker & Klinkert over onderwijs (18/5)

Ritz

Het gaat niet goed met het Nederlandse onderwijs. Dat was zo'n beetje de strekking van een discussie over het Nederlandse onderwijs in het programma 'Het Buitenhof' (17.5.09). Het is in het kader van deze site aardig eens naar de achterliggende argumenten te kijken. (Het programma is hier te zien.)

Docente Hanneke Klinkert stelde dat de kwaliteit is gedaald. Ze kreeg bijval van Ad Verbrugge, voorzitter van BON. De taalvaardigheid van leerlingen is slecht en dat heeft te maken met het onderwijs.
Commentaar. Het is nog maar de vraag of er sprake is van een causaal verband tussen het (slechte) onderwijs en de gebrekkige taalvaardigheid van leerlingen. Volgens de taalkundige Neijt is sinds de laatste twee spellingwijzigingen (1995 en 2005) de Nederlandse spelling er niet logischer op is geworden. Voor spelling gelden twee logische principes: fonologie, in de zin van schrijven wat je hoort, en morfologie, in de zin van zorgen voor een constant woordbeeld. Vanwege de morfologie houden we vast aan de ‘d’ in hond omdat de meervoudsvorm ‘honden’ is.
Maar in de nieuwste regeling is de etymologie, het kiezen van een spelling op grond van de herkomst van woorden, belangrijker geworden. Neijts punt is dat soms voor de ene, dan weer voor de andere oplossing gekozen werd. Maar die gulden middenweg valt niet meer uit te leggen. Bovendien zijn er ook veel details vastgelegd. Het gevolg is dat door die regeldrift de Nederlandse spelling het karakter heeft van een opzoekspelletje. De belangrijkste eis is volgens haar dat je spellingregels moet kunnen uitleggen. Bij de laatste twee wijzigingen is daar te weinig rekening mee gehouden.
Omdat de spelling zelf feitelijk onlogischer, en dus moeilijker, is geworden, kun je de meetmomenten niet meer met elkaar vergelijken, want een vergelijking vooronderstelt in elk geval dat de spelling zelf niet is veranderd. En dat laatste, de veranderde spelling, is volgens Neijt precies wat er is gebeurd.
Als de spelling dankzij de hervormingen in 1995 en 2005 inderdaad moeilijker is geworden, dan impliceert dit dat we niet zinvol kunnen spreken van een ‘daling van het spellingsniveau’. De lagere prestaties kunnen ook te wijten zijn aan het eenvoudige feit dat de spelling moeilijker is geworden.
Ook toen de spelling nog niet werd veranderd, gingen leerlingen steeds slechter spellen. Dat was althans de conclusie van een Nederlandse onderzoeker die in 1956 op dit onderwerp promoveerde. Hij constateerde dat schoolkinderen buitengewoon veel spellingsfouten maakten. Die fouten kon men niet bijschrijven op het conto van de spellingshervorming in 1955.
De taalhistoricus Van der Horst doet in dit verband een interessante observatie, namelijk dat ook in Duitsland, Frankrijk en Engeland leerlingen steeds slechter gaan spellen. Zo liet men Franse leerlingen in 1970 en 1971 een dictee maken dat men eerder had gebruikt in 1950 en 1951. De uitslag was verassend. Leerlingen die in 1950 en 1951 het dictee hadden gemaakt, hadden een voldoende: in 1950 had 44 van 59 leerlingen het dictee goed gemaakt. In 1970 en 1971 lagen de cijfers heel anders. In 1970 haalden slechts 28 van de 84 leerlingen een voldoende voor het dictee en in 1971 was het resultaat nog slechter: 25 van de 98 leerlingen. De onderzoekers Désirat en Hordé spraken dan ook van een spellingscrisis.
Maar volgens Van der Horst heeft het slechte spellen te maken met het feit de taalnorm, die in de renaissance dominant werd, maar die nu tanende is. Hij stelt dat onze ideeën over taal, spelling, grammatica en taalonderwijs in de Renaissance zijn ontstaan. Die taalcultuur loopt op een einde en dat proces is in de vorige eeuw, zo rond 1970, al begonnen.
Hoewel men rond 1300 de eerste manifestaties van de taalcultuur van de Renaissance in Italië bij Dante kan waarnemen, komt die taalcultuur pas in de zestiende eeuw volledig tot ontplooiing. In die cultuur gaat men veel belang hechten aan de volkstaal. Deze wordt gezien als de eigen taal en men gaat die gebruiken in situaties waar eerder alleen Latijn werd gebruikt. Bovendien wordt die eigen taal voorzien van regels en normen voor het correcte taalgebruik. Het streven is variatie en onduidelijkheden in de taal uit te sluiten.
In de periode 1600-1860 komt de renaissance tot volle bloei. De geschreven taal wordt het uitgangspunt en de standaardtaal, de taal die wordt gebruikt door het schrijvende deel van de bevolking, is strikt gebonden aan de normen en regels. Men wil daarmee de eigen taal zuiver houden en voorkomen dat ze zou verloederen. Bovendien wordt taal zo een nationale aangelegenheid. Ook de norm wordt steeds strakker.
Maar na 1860 zien we steeds meer tekenen dat de gesproken taal weer belangrijker wordt. Die tendens wordt in de twintigste eeuw alleen maar sterker.
Van der Horst verduidelijkt zijn stelling onder meer aan de hand van de ontwikkeling van het Algemeen Beschaafd Nederlands. Dat bestaat nog maar net honderd jaar. Het werd zo rond 1900 gesproken door twee à drie procent van de bevolking, de maatschappelijke elite. Het ABN van de elite functioneerde als een onderscheidingsmiddel. Na 1920 voltrekken zich volgens Van der Horst een grote politieke, sociale en demografische veranderingen (leerplicht, het algemeen kiesrecht, radio, telefoon, toename mobiliteit). Dit alles heeft vérstrekkende gevolgen voor de taal. ABN wordt de toegangspoort tot sociale vooruitgang. Iedereen (middenstanders, arbeiders, dialectsprekers) gaat in toenemende mate beschaafd – lees ABN - praten. De taalnorm wordt steeds strenger en eenduidig. Zo rond 1970 wordt het ABN door veertig à vijftig procent gesproken. Het ABN wordt een middel voor sociale vooruitgang. “Eerst netjes praten, en dan krijg je ook wel een groot huis, een auto, een dienstbode”. Dat is geen illusie; het heeft volgens VAN der Horst voor velen ook echt zo gewerkt. Generatie na generatie klimt op, op de maatschappelijke ladder.
Maar vanaf ongeveer 1970 verandert er iets: er is sprake van voortgaande democratisering van de samenleving, en van het onderwijs, van toegenomen welvaart en mobiliteit. En – in dit verband wellicht nog belangrijker – ook de mondigheid neemt toe. Maar de verdere opmars van het ABN, zo stelt Van der Horst, hapert. “Zo succesvol als het ABN tot 1970 was geweest - steeds meer sprekers, een steeds eenduidiger norm - zo miserabel gaat het ermee na 1970. De eenduidige norm is weg, of eigenlijk: er zijn nu verschillende normen naast elkaar. Misschien is het aantal sprekers van het ABN vergeleken met 1950 niet eens erg afgenomen. Alleen, die andere zestig procent, die vroeger zweeg in het openbare leven, zwijgt niet langer. Die kun je nu ook dagelijks op tv horen, in de politiek, in de scholen en in de universiteiten.” Democratisering, zo stelt hij, is hoorbaar.
Als Van der Horst gelijk heeft, dan is niet meer zinvol om te spreken over de bewering ‘het spellingsniveau is te laag’. Omdat er nu meerdere taalnormen zijn, kunnen we hooguit zeggen dat volgens de norm die in 1950 dominant was, er nu (waarschijnlijk) slechter wordt gespeld.
Overigens blijft het verder nog de vraag hoe belangrijk ‘spelling’ op zich is, zelfs al is er sprake van verloedering. Iemand als de taalkundige Tops stelt dat er veel te veel belang wordt gehecht aan spelling en spelfouten.

Een andere gast in het programma was Koen Bakker. Hij is directeur van een particuliere school en verklaart het succes van het particulier onderwijs door te wijzen op het feit dat particuliere scholen kleine klassen hebben, veel lessen geven, veel aandacht hebben voor kinderen en goed personeel in dienst hebben. Dat de onderwijsinspectie veel kritiek had op deze scholen, heeft te maken met de ‘parameters’ van de inspectie. Ouders en leerlingen zijn enthousiast.
Commentaar: ouders en leerlingen hebben andere belangen dan de onderwijsinspectie. Het feit dat leerlingen slagen, is voor zowel ouders (die tussen de twaalf- en veertienduizend euro neertellen) als leerlingen een pre; voor de inspectie is dat juist geen pre vanwege het feit dat het slagingspercentage omhoog wordt gekrikt door hogere punten voor toetsen die de school zelf afneemt. Bakker doet de kritiek van de inspectie af als een kwestie van ‘parameters’, maar dat is geen inhoudelijke kritiek.

Wat het systeem van toetsing betreft, wijst Verbrugge op een systeemfout. Een slecht cijfer op een centraal schriftelijk kan men compenseren door een hoog cijfer voor schoolonderzoeken (die de school zelf afneemt). Er kan en wordt gesjoemeld. De gemiddelden voor schoolonderzoeken liggen doorgaans hoger dan het gemiddelde op het centraal schriftelijk. Dat is volgens Verbrugge “gewoon cijfermatig onderzocht”. Als de cijfers van het schoolonderzoek op het niveau van het centraal schriftelijk liggen, dan zou 20 % van de leerlingen zakken. Klinkert wees er echter op dat op het schoolexamen andere kennis en vaardigheden worden getoetst als op het centraal schriftelijk. Die cijfers kun je dus niet één op één met elkaar vergelijken. Ook verwees zij naar een artikel van Dronkers in het NRC, die wees op het effect dat allochtone leerlingen hebben op de cijfers.
Commentaar: Verbrugge wees op de mogelijkheid dat er gecompenseerd kan worden. Of er op het schriftelijk examen inhoudelijk gezien andere zaken aan bod komen dan op de schoolexamen, doet er in dit verband niet toe.

Volgens Bakker zit er slechts 0.2 à 0.3 punt verschil, dus het probleem wordt aanzienlijk overtrokken.
Commentaar: waarom worden de problemen overtrokken? Omdat 0.2 of 0.3 te weinig is? Bovendien is het verschil is voor het vwo is 0.45 procent.

Verbrugge wil alle toetsen centraliseren, volgens Bakker.
Commentaar: Maar dat zei Verbrugge nergens. Hij wil meer toezicht van de inspectie, ook bij toetsen.

Bakker meent dat als er kleinere klassen komen, andere problemen als sneeuw voor de zon verdwijnen.
Commentaar: Bakker doet een bewering die hij in de verste verte niet kan waar maken. Er is geen éénduidig empirisch bewijs voor de stelling dat (alle?) problemen verdwijnen met kleinere klassen. De Onderwijsraad, het hoogste onderwijsadviesorgaan van het kabinet, waarschuwde begin van deze eeuw al dat kleinere klassen niet automatisch tot betere prestaties leiden. Een onderzoek uit 2002 van promovendus Levin bevestigt dit. In een Mckinsey-rapport uit 2007 werden 112 studies bekeken. Negen lieten een positief effect zijn, maar uit 103 studies bleek dat er geen verschil of zelfs slechtere resultaten behaald werden na klassenverkleining. De positieve effecten blijken dus slechts uit een handjevol studies, maar het gros van het onderzoek wijst in een andere richting.

Verbrugge eindigde het debat met de constatering dat iedereen er van overtuigd is dat er een probleem is met de kwaliteit van het onderwijs.
Commentaar: Verbrugge suggereert een consensus die er niet is. Niet iedereen is overtuigd van de daling van de kwaliteit van het onderwijs.

Joosten over Nederland als gidsland (17/5)

“Europarlementariërs en Gordon zijn aanmatigend”, meent Elsevierjournaliste Carla Joosten (Elsevier, 15.5.09). Zanger Gordon en enkele Nederlandse europarlementariërs willen in Moskou tegen de homofobie in Rusland protesteren. Geen goede zaak, meent Joosten: “Revoluties van buitenaf opdringen, levert weinig goeds op. Als het niet van onderop komt, gedijt het niet, zou je vermoeden.”
Ze vindt het wel logisch om respect voor mensenrechten te eisen van bedrijven waarmee je zaken doet. “En het zou mooi zijn als de EU alleen verdragen zou sluiten met landen die de democratie en mensenrechten respecteren. Maar moet de EU Rusland vertellen hoe het met homo’s om moet gaan? Het is toch wat aanmatigend om je eigen normen op te leggen aan anderen. Het tijdperk van het gidsland met het opgeheven vingertje is allang voorbij.”
Analyse. Weliswaar staan er in het stuk van Joosten geen drogredenen, maar de argumentatie is wel interessant. Het eerste probleem is dat Joosten in dit verband verwijst naar Nederland als gidsland. Gordon en de twee europarlementariërs hebben geen mandaat om namens de Nederlandse gemeenschap te spreken. Zij spreken m.i. dan ook namens zichzelf en hooguit namens de mensen die hen gekozen hebben.
“Nederlandse ambassades voeren zelfs een actief homobeleid. Andere lidstaten vinden dat maar raar”, aldus Joosten. Maar wie de link 'homobeleid' activeert, leest helemaal niets over ambassades en vindt ook geen onderbouwing van haar standpunt dat andere landen Nederland op dit punt vreemd vinden. Het woord ‘ambassade’ komt in die link helemaal niet voor.
En is het typisch Nederlands om op te komen voor de rechten van mensenrechten in het buitenland? De Belgische minister Karel de Gucht (Open VLD) hield een dag na het stuk van Joosten een pleidooi waarin hij de universaliteit van de mensenrechten verdedigde: “op het punt van de universele mensenrechten zal onze mentaliteit er desnoods een zijn van 'over mijn lijk'.” (DS, 16.5.09).
Op 18 december 2008 werd op initiatief van Nederland en Frankrijk én 64 andere lidstaten in de Algemene Vergadering een verklaring gepresenteerd die oproept een een einde te maken aan de strafbaarstelling van homoseksualiteit. Nederland was slechts één van de 66 initiatiefnemers. Typisch Nederlands?
Ook Joostens opmerking dat het geen pas heeft je eigen normen op te leggen aan Rusland, is interessant. Er zijn ook homo’s en wellicht een paar hetero’s in Rusland die net zo denken over homofobie in Rusland als Gordon en de twee europarlementariërs. Is het dan een kwestie van het opdringen van eigen waarden als de genoemde drie aansluiten bij waarden die ook in Rusland, zij het in een kleine minderheid, leven. In landen als Iran, Saoedie-Arabië en Sudan (waar op homoseksualiteit de doodstraf staat) zullen de ter dood veroordeelden hun staf niet als legitiem ervaren. ‘Opleggen’ in Joostens betoog impliceert dat als een meerderheid van de inwoners van een land vindt dat homo’s ter dood veroordeeld moeten worden, een protestactie tegen deze veroordelingen het opdringen van de eigen waarden is. Daardoor krijgt het begrip ‘opdringen’ een merkwaardige connotatie, namelijk aansluiten bij de ideeën van de minderheid.

De Hart over debilisering (16/5)

Een alarmerende brief van C. de Hart, oud-voorzitter van het college van de bestuur van de TU Delft De Hart, verscheen onlangs in het NRC (9.5.09):
“Op de Opiniepagina van 23 april geeft professor Zwalve een verklaring voor de debilisering van het hoger onderwijs. Het komt volgens hem door de bestuurders die zijn gefixeerd op de input/outputfinanciering en daarom zoveel mogelijk studenten willen aantrekken. Dat werkt kwaliteitsverlagend. Ik heb een andere verklaring, namelijk het stilzwijgen van veel docenten. In de jaren zeventig was het aan een aantal universiteiten verboden om aan studenten handboeken voor te schrijven in een vreemde taal. Ik protesteerde. Ik bleek elitair. Docenten zwegen. In die jaren bleek dat aan een bouwkundefaculteit ingenieursdiploma's werden afgegeven waarop een eerstegraads bevoegdheid in de wiskunde was aangetekend, terwijl studenten geen daarvoor toereikend wiskundeonderwijs hadden genoten. Ik verbood dat, maar kreeg felle weerstand. Docenten zwegen. Ook werd door vrijwel alle bestuurders, maar gelukkig ook door een aantal docenten, gepleit voor versterking van het vwo en zelfs voor selectie aan de poort, omdat het wetenschappelijk onderwijs er niet was om de deficiënties van het vwo weg te werken. Het werd niet in dank afgenomen. Het was niet democratisch. Er werd toch indringend aandacht voor gevraagd van de politiek. De toenmalige Adviesraad voor het Hoger Onderwijs, waarvan ik voorzitter was, schreef er adviezen over waarbij aandacht werd gevraagd voor de zorgen over de kwaliteit van het wo. Verder bleef het stil in de universitaire wereld. Vorig jaar werd alles nog eens op een rijtje gezet door de commissie-Dijsselbloem; opnieuw indrukwekkende stilte in de universitaire wereld. Zwalve geeft een gemakkelijke en eenzijdige verklaring voor de ontstane situatie. Misschien moet ook bij docenten een deficiëntie worden weggewerkt.”
Analyse. De Hart, oud-voorzitter van het college van bestuur van de TU Delft, zet twee verklaringen tegenover elkaar. De verklaring van prof. Zwalve doet hij af als ‘gemakkelijk’ en ‘eenzijdig’, maar een nadere toelichting én argumentatie ontbreekt. (Nu mag een ingezonden brief maximaal 250 woorden bevatten en die limiet is heel snel bereikt.)
Maar ondanks die beperking blijft de vraag wat De Hart nu eigenlijk heeft beargumenteerd. Feitelijk niets. Hij geeft een verklaring, die Zwalves verklaring niet uitsluit. Bovendien bleef het niet stil in de universitaire wereld. Ruim 10 jaar geleden riep een Utrechtse rector magnicus dat het vwo gekenmerkt werd door een sluipend kwaliteitsverlies. Begin 2007 schreef Vincent Icke in het NRC: “Ik durf een eerstejaars tentamen van tien jaar geleden niet meer aan de huidige eerstejaars voor te leggen zonder voorafgaande oplapcursus.” Floris van Laanen (UvT): “Met alle waardering voor de tomeloze inzet van vwo-collega’s: de vraag waarop het vwo eigenlijk voorbereidt, kan ik niet beantwoorden.” Dat de universitaire wereld indrukkend hard stil bleef is een gemakkelijke en eenzijdige verklaring voor de ontstane situatie. Misschien moet ook bij bestuurders een deficiëntie worden weggewerkt. ;)

Nummer 500: Ad Verbrugge en de persoonlijke aanval (15/5)

“Veel te timide.” Dat is het oordeel van Ad Verbrugge, en voorzitter van BON, over de inspectie. Die club zou veel vaker zelf onderzoek moeten initiëren en zelf meer misstanden op de agenda moeten zetten. Verbrugge: “Zij hebben de expertise, maar je hoort ze nooit, tenzij het ministerie daarmee instemt.” (NRC, 9.5.09)
Volgens de inspectie is dit beeld onjuist. Leon Henkens, hoofdinspecteur primair onderwijs, stelt dat de inspectie jaarlijks in het jaarwerkplan vaststelt welke onderzoeken er worden uitgevoerd. En dat plan wordt besproken met de Tweede Kamer.
Verbrugge geeft ook een verklaring voor het feit dat de inspectie zo weinig kritiek uit op de onderwijskwaliteit. Het onderwijs is een baantjesfabriek geworden en een carrière loopt van leerkracht, schooldirecteur, inspecteur, schoolbestuurder en de baas van een onderwijskoepel naar het ministerie, aldus Verbrugge. “Het lijkt wel of iedereen daarom niet te kritisch is over het onderwijs. Anders kun je je carrière wel vergeten.”
Analyse. Verbrugge maakt zich schuldig aan een persoonlijke aanval. Dat deed hij aan de vooravond van het verschijnen van ‘De staat van het onderwijs. Onderwijsverslag 2007/2008’, een onderwijsverslag van de Inspectie van het Onderwijs. Een kleine bloemlezing van een club die in de ogen van Verbrugge te timide is en niet kritisch is over het onderwijs:
- Middelbare scholen, roc's, hogescholen en universiteiten blijken er keer op keer moeite mee te hebben goede toetsen en examens af te nemen.
- De inspectie "acht het van het grootste belang dat elke sector met voortvarendheid verbeteringen doorvoert". Een van de aanbevelingen luidt dat "aansturing door het management" nodig is om ervoor te zorgen dat scholen de gewenste maatregelen voor toetsing en examinering nemen.
- Een op de vijf examens in het mbo heeft onvoldoende kwaliteit. De inspectie kondigt nader onderzoek aan en verwacht dat deze conclusie "eerder te optimistisch dan te pessimistisch" is.
- Op middelbare scholen is de kwaliteit van het door scholen zelf samengestelde schoolexamen onvoldoende gewaarborgd; de resultaten van het schoolexamen verschillen te veel met het centraal exame; de kwaliteit van de toetsen wordt niet extern gecontroleerd; de rechtsgelijkheid van leerlingen en de betrouwbaarheid van diploma’s staan onder druk.
- In het hoger onderwijs "schiet het interne toezicht op de kwaliteit van de toetsing vaak tekort en gaan examencommissies zelden na of docenten competent zijn om te toetsen”.
- De kwaliteit van de toetsen die docenten zelf ontwikkelen, is "vrijwel zonder uitzondering zeer veel lager dan van externe toetsen".
- In het beroepsgerichte vmbo leeft slechts 4 procent van de examinatoren de voorschriften voor afname van examens volledig na. De bestaande praktijk voor het 'centraal schriftelijk en praktisch examen' kan volgens de inspectie niet door de beugel.
Eerder bracht de inspectie aan het licht dat er op islamitische scholen op grote schaal wordt gesjoemeld met overheidsgeld (2008); dat een kwart van de basisscholen rekenzwak is (2008); dat relatief veel 'vrije scholen' zwak zijn (2007), en dat dit ook voor relatief veel plattelandsscholen geldt (2009) ook.
Timide? Niet kritisch?

Inspectierapport vs. prof Dronkers (14/5)

De Onderwijsinspectie wees er onlangs op dat het verschil tussen het schoolexamen en het centraal examen te groot is. De Inspectie noemt zelfs een getal: bij 40 procent van de vwo-scholen is dat verschil groter dan de Inspectie verantwoord vindt.
Schoolexamens, die in de loop van het jaar door de scholen zelf afgenomen, worden gemiddeld met de cijfers van het centraal examen en dat leidt dan tot het eindexamencijfer van een schoolvak.
De socioloog Dronkers merkt op dat de Inspectie de indruk wekt dat bij scholen met grote verschillen tussen beide cijfers vooral het schoolexamencijfer te hoog zou zijn. Dat is niet juist, stelt hij. Het punt is dat in de meeste gevallen de schoolexamencijfers op deze scholen niet veel hoger dan op scholen met kleine verschillen.
Maar in het Onderwijsverslag richt de Inspectie zich bijna uitsluitend op het schoolexamen. Daarvan gaat een verkeerde suggestie uit. Namleijk dat er wordt gesjoemeld. Het gaat niet om “gesjoemel bij het schoolexamen, maar om een daling in de cijfers bij het centraal examen. De Centrale Examencommissie heeft dat al in 2006 gezegd, maar zo zachtjes dat bijna niemand het opmerkte.”
De verschillen tussen het schoolexamen en het centraal examen zijn volgens Dronkers in “het vwo tussen 2005 en 2008 toegenomen van 0,39 naar 0,45 punt. Bij havo en vmbo zijn de verschillen kleiner. In het Onderwijsrapport worden de verschillen van de drie schooltypes tegelijk besproken. Daardoor mist de Inspectie een verklaring voor de problemen bij het vwo: de invoering van het studiehuis, achteruitgang van het onderwijsaanbod, afname van het aantal werkelijke lesuren (aangevuld met ophokuren) en het tekort aan gekwalificeerde leraren.”
Analyse. In het Inspectieverslag wordt volgens Dronkers een verkeerde vergelijking gemaakt. Er wordt gewezen op een verschil tussen schoolexamens en het centraal examen, waarbij de laatste indicator als absolute maatstaf wordt gehanteerd. Een discrepantie tussen schoolexamens en centraal examen wordt uitgelegd als 'scholen die ten onrechte de resultaten opkrikken'.

Relatief versus absoluut (5/13)

De kleinschalige school

Beloon scholen niet langer voor fusies, was de hartenkreet van Jan Willem Lackamp, rector van een middelbare school in Oss (NRC, 11.5.09). Scholen die niet wensen uit te dijen door de theoretische leerweg aan te vullen met een praktische leerweg, lopen volgens hem inkomsten mis. Voor de school van de rector betekent dat een inkomstenderving van maar liefst acht procent. “Elk jaar 8 procent minder krijgen dan je toekomt, betekent dat je structureel minder docenten kunt aanstellen. Als je niet wilt beknibbelen op de kwaliteit van het onderwijs, dan kan dat alleen door leraren meer lessen te laten geven of de klassen groter te maken. En vergroot je de werkdruk van docenten.” Een fusie met een school die beroepsgericht onderwijs aanbiedt, levert hem weliswaar zes ton op, maar kost hem de zelfstandigheid. En dat is spijtig, aldus de rector.
Analyse. Een vreemde redenering. Omdat zijn school niet is gefuseerd, loopt hij inkomsten mis. Maar die inkomsten had hij vroeger evenmin. De vraag is dan waarom zijn docenten meer lessen moeten geven of de klassen vergroot moeten worden. De bewering van Lackamp, dat hij niet aan de kwaliteit van het onderwijs wil tornen, is dan ook volstrekt onbegrijpelijk.
De feitelijke situatie is dat op zijn school docenten hetzelfde aantal lesuren zijn blijven geven en dat de klassengrootte niet gewijzigd is. Gefuseerde scholen krijgen, door die fusie, verhoudingsgewijs meer geld en kunnen eventueel hun klassen verkleinen. In verhouding tot de gefuseerde scholen wordt de school van de rector armer, maar absoluut gezien, blijven de inkomsten constant.
Het ministerie in 2005 deze ongelijkheid wilde herstellen door gefuseerde scholen evenveel te geven als niet-gefuseerde scholen. En niet, zoals de rector wilde, niet-gefuseerde scholen evenveel te geven als gefuseerde scholen. (In het eerste geval krijgen gefuseerde scholen minder en in het tweede geval krijgen niet-gefuseerde scholen meer.)
De rector verwart een relatieve met een absolute vergelijking. Relatief krijgt zijn school minder, maar absoluut gezien krijgt hij hetzelfde.
Dit misverstand zien we ook op een andere manier terug in het betoog van deze rector. Anders dan de rector betoogt, krijgt hij niet elk jaar 8 procent minder, maar hij krijgt jaarlijks 8 procent minder dan gefuseerde scholen.

Heertje over Apeldoorn (12/5)

“Denken in termen van waarschijnlijkheden ligt onze landgenoten niet”, meent emeritus hoogleraar Arnold Heertje (RTL.z). “Dat er altijd ook een kans is dat het onwaarschijnlijke gebeurt valt helemaal buiten het gezichtveld.” De gebeurtenissen in Apeldoorn op Koninginnendag 2009 illustreren dat.
De burgemeester van Apeldoorn verklaarde dat deze handelingen niet zijn te voorkomen en dat het draaiboek voor de beveiliging precies is opgevolgd. Beide uitspraken vindt Heertje erg voorbarig. “Vermoedelijk is geen inventarisatie gemaakt van gebeurtenissen met een kleine kans, zodat ook het afwegen van voor- en nadelen van specifieke veiligheidsmaatregelen ook niet heeft plaatsgevonden.”
Bovendien verbaast het hem niet indien een onafhankelijk onderzoek leert dat er een ernstige beoordelingsfout ten aanzien van de beveiliging in Apeldoorn.
Analyse. Wat bewijst Heertje vanuit zijn leunstoel eigenlijk? Feitelijk helemaal niets. “Vermoedelijk is er geen inventarisatie….” en “het verbaast me niet indien…” De logicus Van Bendegem heeft ooit eens een interessante suggestie gedaan hoe je dit soort pseudowetenschappelijke praat kunt neutraliseren, namelijk door met dezelfde strategie te opponeren.
Dus bij dezen volg ik zijn raad op: ‘vermoedelijk heeft Heertje helemaal geen zin gehad om iets uit te zoeken en het zou me dan ook niet verbazen als een onafhankelijk onderzoek leert dat Heertje een ernstige beoordelingsfout heeft gemaakt ten aanzien van bijna alles waarover hij schrijft’.

Nicolai en zijn drogredenen (11/5)

Paleis van Justitie in Den Bosch
“Vrijheid van meningsuiting is voor mij het allerbelangrijkste”. Deze ontboezeming kwam uit de mond van VVD-kamerlid Nicolai. Hij heeft een wetsvoorstel ingediend om deze vrijheid te verruimen. In het Buitenhof (10.5.09) mocht hij uitleggen waarom.
Hij maakt zich grote zorgen over een ontwikkeling in Nederland: iedereen wordt steeds banger om te zeggen wat hij wil zeggen. Politici, cabaretiers en andere mensen worden steeds vaker bedreigd en dat hebben we sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer gezien.
Sommige mensen erkennen dat en anderen niet, maar ook die houden zich toch steeds meer in. Daarover zegt hij in de uitzending het volgende: “We zien een ontwikkeling van mensen – en dat is grotendeels veroorzaakt door de immigranten en mensen met een islamitische achtergrond ook niet gewend zijn om op die manier met de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van het woord om te gaan (…) Je ziet dat mensen die dat uit hun herkomstlanden niet gewend zijn, veel sneller zich ook echt bedreigd voelen, misschien, en ook niet gewend zijn als iemand (van hen door) jou beledigd (wordt), kan je twee dingen doen: of scherp terug praten of je kan het negeren. Maar je grijpt niet naar het mes. Je gaat niet iemand reëel bedreigen.” (…)
“De wet geeft de ruimte voor Openbaar Ministerie om een cartoonist van zijn bed te halen. Gregorius Nekschot, die is gewoon, die schrijft cartoons, die maakt cartoons en die is van zijn bed gelicht omdat dat beledigend zou zijn. We hebben de uitspraak van het Hof in Amsterdam gezien dat Wilders vervolgd moet worden, omdat volgens het Hof in Amsterdam de wet zegt ‘ook als je iemands geloof beledigt, beledig je die mensen en dan moet je vervolgd worden.’” Wilders is niet veroordeeld, stelde de interviewer. “Deze stappen zijn in ieder geval genomen. Ik maak me daar grote zorgen over.”
Haatzaaien zonder aan te zetten tot geweld moet volgens Nicolai niet strafbaar worden gesteld. Als grove uitspraken worden gedaan in het kader van het maatschappelijk debat, dan mag dat geen aanleiding zijn voor een strafrechterlijke veroordeling. De uitspraak ‘Islamieten zijn een gevaar voor de samenleving’ moet kunnen, mits deze uitspraak niet aanzet tot geweld. “Als je ziet als de rechter 'hij zegt dit en eigenlijk wil hij daarmee ook mensen aanzetten tot het belagen van moslims', dan mag het niet”.
‘Joden zijn gevaarlijk’ en ‘homo’s zijn varkens’ mogen dus, zo gaf Nicolai toe. Dat een dominee op basis van de vrijheid van godsdienst van de rechter mag zeggen dat homoseksualiteit een vieze vuile zonde is, vindt Nicolai een schandelijke redenering van de rechter, want waarom zou je op basis van je levensovertuiging meer mogen zeggen dan iemand anders. De Hoge Raad heeft deze uitspraak volgens Nicolai dan ook terecht gewijzigd: de dominee mocht dit zeggen op basis van de vrijheid van meningsuiting. En als je geen link kunt leggen met geweld, dan mag een kwetsende uitspraak niet verboden worden.
Discriminatie in woord moet kunnen. Nicolai vindt alleen discriminatie in daad strafbaar.
Maar, zo vroeg de interviewer zich af, leiden woorden niet uiteindelijk tot daden. “Je blijft altijd verantwoordelijk voor je eigen handelen. Maar zolang je niet kunt zien dat zo’n uitspraak aanleiding is tot geweld, vind ik dat dit moet kunnen.”
Analyse. Het betoog van Nicolai verschuift tot driemaal toe. Eerst mogen alle uitspraken tenzij deze uitspraken aanzetten tot geweld. Maar later blijkt het niet louter om het aanzetten tot geweld te gaan, maar om de intentie om aan te zetten. In die zin zwakt Nicolai zijn criterium af (maar bemoeilijkt de bewijsvoering). Weer later blijkt dat beledigingen in het kader van een maatschappelijk debat moeten kunnen. In het betoog wordt niet duidelijk hoe de drie criteria zich tot elkaar verhouden.
De voorbeelden, die Nicolai aanhaalt, zijn irrelevant. Noch Nekschot, noch Wilders zijn veroordeeld. Waar Nicolai tegen ageert, is feitelijk de handelswijze van het OM. Het is nog maar de vraag of het OM conform de wet vervolgd. Maar, en dat is belangrijker, ‘vervolgen’ is iets anders dan ‘veroordelen’. Omdat hij het vervolgen door het OM niet wenselijk acht, wil hij de wet veranderen waarop een rechter oordeelt. Dit zijn echter twee verschillende zaken.
Bovendien is er volgens mij sprake van een overhaaste generalisatie in de volgende redenering: “Je ziet dat mensen die dat uit hun herkomstlanden niet gewend zijn, veel sneller zich ook echt bedreigd voelen misschien, en ook niet gewend zijn als iemand jou beledigd, kan je twee dingen doen: of scherp terug praten of je kan het negeren. Maar je grijpt niet naar het mes. Je gaat niet iemand reëel bedreigen.” Islamieten die zich beledigd voelen, grijpen naar het mes. (Niet alle islamieten behoren tot de Wahabi’s.)
Ook mensen die de noodzaak van zijn wetsvoorstel niet erkennen, zeggen volgens Nicolai minder dan voorheen. Op deze wijze haalt Nicolai zijn gelijk wel erg makkelijk binnen. Nicolai ontduikt de bewijslast.
De redenering ‘een dominee op basis van de vrijheid van godsdienst van de rechter mag zeggen dat homoseksualiteit een zonde is, impliceert dat iemand op basis van zijn levensovertuiging meer mag zeggen dan iemand anders’ is onjuist. Een vrijspraak op basis van de vrijheid van godsdienst impliceert niet een veroordeling van iemand die zich niet kan beroepen op de vrijheid van godsdienst. Hij kan op basis van de vrijheid van meningsuiting worden vrijgesproken.
N.b.: wat mij opviel, is het slechte taalgebruik van Nicolai. Als je iemand letterlijk weergeeft, lopen zinnen vaak niet. Dat is op zich genomen niet bijzonder, maar bij Nicolai viel het wel erg op.

Ellian over Zijderveld: opblazen van een standpunt 2 (10/5)

Oud-hoogleraar Anton Zijderveld heeft niet al te warme banden met de democratie, meent de Leidse hoogleraar Ellian (Elsevier, 8.5.09). “Een keer per vier jaar stemmen, vindt hij al ruim voldoende. En daarna moeten de regeerders doen wat hen goed dunkt. Hij kiest voor het regeren bij decreten, omdat hij niet gelooft in de democratie waarbij hij de medemens en zijn partijgenoten van zijn standpunten moet trachten te overtuigen.”
Zijderveld verliet het CDA vanwege het lonken van die partij naar de PVV.
Analyse. Nergens in zijn boek pleit Zijderveld ervoor dat de regeerders maar moeten doen wat hen goeddunkt. Zijderveld pleit tegen het populisme en tegen een politiek die zich laat leiden door het populisme.

Ellian over Zijderveld: opblazen van een standpunt (9/5)

“Wat wil Zijderveld?”, vraagt de Leidse hoogleraar Ellian zich af (Elsevier, 8.5.09). “Toenadering tot de islam. Het CDA moet toenadering zoeken tot de islam. Is dat niet pas een echt griezelig idee? Waarom moet een regeringspartij toenadering zoeken tot de islam? Wat verstaat Zijderveld onder ‘de islam’? Is dat de toepassing van de sharia? Moet de islam tot de staatsreligie worden verheven?”
Analyse. Dit is een voorbeeld van het opblazen van een standpunt: ‘toenadering zoeken’ impliceert in de ogen van Ellian het toepassen van de sharia en het verheffen van de islam tot staatsreligie.

Separatie (8/5)

Nederland scoort in Europa het hoogst als het gaat om separatie, eenzame opsluiting van psychiatrische patiënten, aldus Tineke Abma, Guy Widdershoven, Elleke Landeweer en Yolande Voskes van het Metamedica/EMGO instituut (Trouw, 20.4.09). Het gaat dan per jaar gemiddeld om dertig ernstig zieke mensen zijn die langer dan een jaar zijn opgesloten.
Separatie is een noodmaatregel en mag slechts bij hoge uitzondering worden toegepast, menen deze vier. “Bekend is namelijk dat cliënten na verloop van tijd in een isoleercel het besef van tijd, omgeving en zichzelf verliezen. Zij keren in zichzelf, stemmen en wanen worden steeds dominanter. De verveling en eenzaamheid maken dat gevoel van verantwoordelijkheid en perspectief verdwijnen.”
Een van de oorzaken van het hoge aantal separaties is de tekortschietende zorg en begeleiding van cliënten in de wijk en buurt. Ze pleiten dan ook voor een gespecialiseerde afdeling, waardoor je ernstig zieke cliënten (verward, fysiek zwak, veel medicatie) op kunt opvangen. Een dergelijke ontwikkeling zal het vak meer status geven en daardoor ook beter gekwalificeerd personeel aantrekken.
In de huidige situatie houdt de lage personeelbezetting direct verband met het aantal separaties. Bovendien is het contact met de verpleegkundigen en de psychiater is vaak onpersoonlijk en beperkt en cliënten geïrriteerd en onrustig door elkaar. Kleinschaliger opvang zou veel problemen voorkomen.
Elnathan Prinsen, psychiater in opleiding, stelt dat de berichtgeving over het toepassen van separatie vaak zeer eenzijdig en ongenuanceerd is (Trouw, 1.5.09)). Dat is geldt ook voor het hierboven besproken artikel van de drie beleidsmedewerkers en de filosoof. Separatie wordt binnen alleen in crisissituaties toegepast om onmiddellijk gevaar van de patiënt voor zichzelf of anderen af te wenden en alleen in het kader van de wet. Het is met andere woorden onderdeel van een behandeling waaraan al een juridische basis ten grondslag ligt.
Abma c.s. stellen dat ’eenzame opsluiting’ niet meer van deze tijd is en dat de politiek maatregelen moet afdwingen om separeren uit te bannen. Deze stelling suggereert volgens Prinsen dat de beroepsgroep zelf geen problemen heeft met het toepassen van dwang en dat er te gemakkelijk toe wordt overgegaan. Deze suggestieve aanklacht naar de gehele geestelijke gezondheidszorg is onterecht en draagt ook in het geheel niet bij aan een betere zorg voor patiënten in de psychiatrie. “Separatie, evenals andere vormen van dwang, worden niet als straf of voor de lol toegepast. Dwangmaatregelen worden in uiterste gevallen toegepast binnen het kader van een medische behandeling.”
In het buitenland wordt meer gebruikt gemaakt van fysieke-, mechanische- en chemische fixatie (vasthouden, vastbinden of platspuiten). Of die maatregelen beter of slechter (of veiliger of menselijker) zijn dan separatie is volgens Prinsen nooit aangetoond en hierover is ook geen consensus onder de beroepsgroepen binnen de geestelijke gezondheidszorg. Ook de mening van patiënten over de verschillende maatregelen is verre van eenduidig, want uit onderzoek blijkt lang niet alle patiënten negatief te zijn over separatie.
Het streven binnen de psychiatrie is om zo min mogelijk dwang toe te passen. “Maar agressie komt nu eenmaal voor als onderdeel van psychiatrische stoornissen. Er zal toch een manier gevonden moeten worden om patiënten, die een acuut gevaar voor zichzelf of anderen vormen binnen een afdeling, zo goed mogelijk te behandelen en het gevaar zo snel mogelijk af te wenden”, aldus Prinsen.
Bij enkele zeer ernstig zieke patiënten die niet reageren op welke behandeling dan ook, kan het voorkomen dat een langdurige dwangmaatregel nodig is.
Analyse. Prinsen gaat wel erg gemakkelijk aan de argumentatie van de anderen voorbij:

“Separatie wordt binnen alleen in crisissituaties toegepast om onmiddellijk gevaar van de patiënt voor zichzelf of anderen af te wenden en alleen in het kader van de wet.”, schrijft zij.
Waar komen dan de cijfers van Abma e.a. vandaan? Zij wijzen op het onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidzorg. Uit dat onderzoek blijkt dat er gemiddeld jaarlijks dertig ernstig zieke mensen zijn die langer dan een jaar zijn opgesloten. Bij eenderde van de instellingen schiet de eerste opvang van de patiënten tekort. Omdat tal van zaken organisatorisch niet goed geregeld zijn, leidt tot dit onnodige separatie.
Maar welke bron Prinsen hanteert, wordt niet duidelijk.

“Separatie, evenals andere vormen van dwang, worden niet als straf of voor de lol toegepast.” Dat beweren Abma e.a. ook nergens. Ze wijzen onder meer op organisatorische zaken.

“…drie beleidsmedewerkers en een filosoof …”
Eigenlijk een retorische truc om het - vermeend - gebrek aan autoriteit aan de orde te stellen.

“Abma c.s. stellen dat ’eenzame opsluiting’ niet meer van deze tijd is en dat de politiek maatregelen moet afdwingen om separeren uit te bannen. Deze stelling suggereert dat de beroepsgroep zelf geen problemen heeft met het toepassen van dwang en dat er te gemakkelijk toe wordt overgegaan.”
De suggestie dat de beroepsgroep zelf geen problemen met separatie heeft, zit niet in het artikel van de vier. De auteurs geven namelijk aan wat de oorzaken van de separatie zijn en daarbij hoort niet dat de beroepsgroep geen enkel probleem heeft met separatie.

In het buitenland wordt meer gebruikt gemaakt van fysieke-, mechanische- en chemische fixatie (vasthouden, vastbinden of platspuiten). Of die maatregelen beter of slechter (of veiliger of menselijker) zijn dan separatie is nooit aangetoond en hierover is ook geen consensus onder de beroepsgroepen binnen de geestelijke gezondheidszorg.
Dit is een 'false dilemma' in de zin dat niet een kwestie is van òf platspuiten, òf separeren. De auteurs staat in elk geval een andere behandelwijze voor ogen en dit in een kleinschalige organisatie.

Lieben over Zijderveld (7/5)

“Een CDA-ideoloog neemt afstand van zijn partij omdat Wilders niet verketterd wordt. Vreemd, heb hem nooit gehoord toen het CDA opzichtig tegen Fortuyn aanschurkte. Wil de socioloog soms een IDA (Islamitisch Democratisch Appel) oprichten”, vraagt Elsevier-columnist Paul Lieben zich af.
Analyse. CDA-prominent en emeritus-hoogleraar sociologie Anton Zijderveld heeft het lidmaatschap van zijn partij opgezegd, omdat zijn partij volgens hem te weinig afstand nam van de 'islamofobie' en het ‘polulisme’van PVV-leider Geert Wilders. ‘Afstand nemen’ is in de ogen van Lieben ‘verketteren’.

Heertje over Wilders (6/5)

In de peilingen is Geert Wilders nu de grootste politieke partij in Nederland. De nervositeit onder de Haagse politici, zo merkt Heertje op, is groot (RTLz, 4.5.09). De aandacht richt zich daarbij overwegend op het debat over de sluipende islamisering van de wereld. Ten onrechte, want volgens hem “vervult dit (welk?) debat dat de onvrede van de Nederlandse kiezer over de gevestigde politieke orde aan andere bronnen ontspruit.” Hij noemt de volgende bronnen.
De eerste bron is de excessieve en opzichtige beloningen van managers in het bedrijfsleven. Die roepen machteloze woede op van mensen op de werkvloer, die het werk moeten uitvoeren.
De tweede bron is de minachting in het onderwijs voor de belangen van leerlingen en studenten van de zijde van bestuurders, die grootschalige onderwijsinstellingen op grote afstand van docenten en onderwijzers managen.
De derde bron is de aanhoudende stroom van incidenten in de woningcorporaties, die alle neerkomen op het behartigen van vulgaire, egoïstische belangen. Het lijkt erop dat de sociale woningbouw verdwijnt.Heertje wijst op de benoeming van Calon.
De vierde bron is een stichting die een kasteel heeft gekocht ten behoeve van de zorg voor geestelijk gehandicapten.
De vijfde bron is de Anne Frank Stichting zich heeft ontwikkeld tot een voertuig voor grootscheepse beleggingen in vastgoed geeft in deze meidagen te denken.
De zesde bron is de Zuidas en de Noord-Zuidlijn in Amsterdam. Die staan bol van mismanagement.Heertje sluit zijn column af met de conclusie dat Wilders de onvrede in de samenleving over al deze wantoestanden belichaamt.
Analyse. Wat heeft Heertje nu eigenlijk beargumenteerd? Feitelijk helemaal niets. Hij zet een zestal feiten op een rij en poneert vervolgens dat de onvrede van de Nederlandse kiezer een andere bron heeft dan de islamisering. Daarmee is kennelijk het punt gemaakt, maar strikt argumentatief gezien raakt zijn betoog kant noch wal.

Recensie 'Tussen hebzucht en verlangen' van Heleen Mees

Boekbespreking van: Heleen Mees, Tussen hebzucht en verlangen. De wereld en het grote geld. Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2009. E 16,95
‘Ik vind het niet erg mensen op de kast te jagen’, liet Heleen Mees zich in een interview ontvallen. En inderdaad, ook in haar meest recente boek schuwt ze de provocatie niet. Bos is volgens Mees bang. Hoogleraar Kleinknecht moet van haar maar eens ophouden met het schrijven van intellectueel luie stukjes. En eerder wist ze veel vrouwen tegen zich in het harnas te jagen met uitspraken als in deeltijd werkende vrouwen “zijn lui, bang om hun nek uit te steken en gemakzuchtig. Ze zijn een totale verkwisting”.
Mees, de rijzende ster in de PvdA, heeft in korte tijd een behoorlijke reputatie opgebouwd. Het lukte de veertigjarige juriste en econome om zich zonder kruiwagen als zelfstandig adviseur voor bedrijven te vestigen in New York. Maar ook verscheen ze in de maand dat ik dit stuk schreef maar liefst vijf keer op televisie. Wie de tv meed, kwam haar in dezelfde maand tegen in de Volkskrant en Vrij Nederland en kon haar columns lezen in het NRC en Opzij. Ook publiceert zij volgens de achterflap van haar boek in de International Herald Tribune, Le Monde en de Financial Times.
Sinds kort is ze nu ook regelmatig te zien in het tv-programma ‘Vrouw en Paard’, dat overigens ook haar initiatief is. Mensen als Willem Vermeend, Rick van der Ploeg en Neelie Kroes zijn lovend over haar. Als er op iemand de kwalificatie ‘sterke vrouw’ van toepassing is, dan is dat ongetwijfeld op de goedgebekte Mees.
Haar visie is helder. Kort gezegd komt die neer op het volgende. Arbeidsparticipatie is de sleutel tot maatschappelijk succes en dankzij de kosten van de verzorgingsstaat krijgen immigranten in Nederland geen kans op de arbeidsmarkt. In New York is er ook wel armoede, maar de groep armen verandert voortdurend. Mensen kunnen zich opwerken en doen dat ook. Anders dan in Nederland. Mensen moeten ook een baan kunnen krijgen met een loon van 5 of 6 euro en uitkeringen moeten verlaagd worden, maar de arbeidsmarkt zit op slot.
Het graaigedrag aan de top moet met wettelijke maatregelen bestreden worden. De olieverslaving moet ingeperkt worden en Europa moet het antwoord worden op de oosterse uitdaging. Fukuyama’s lofrede op het liberalisme is en was niet het antwoord op de crisis.
Echt origineel of spectaculair zijn haar opvattingen niet en dat roept meteen de vraag op waar haar populariteit eigenlijk op is gebaseerd? De columns die zij in ‘Tussen hebzucht en verlangen’ heeft gebundeld, zijn vaak warrig. Ze schieten vaak alle kanten op. Zelfs in één alinea wisselt soms het thema. Ook de disproportioneel veel aandacht die zij aan de politicoloog Fukuyama besteedt, komt wat merkwaardig over gezien de matige belangstelling die deze auteur nog maar trekt. Maar veel storender is haar argumentatie. Die is – op z’n zachts gezegd – gebrekkig.
Zo houdt ze een vlammend pleidooi om de verzorgingsstaat in te ruilen voor een kansenmaatschappij. Haar devies is meer arbeidsparticipatie. Het langdurig afhankelijk zijn van een uitkering werkt vervreemding en apathie in de hand, weet Mees te melden. Een uitzichtloze uitkeringssituatie leidt niet tot stilstand. Die leidt tot terugval. De Nederlandse verzorgingsstaat maakt mensen passief en leidt tot een overschot aan laagopgeleiden. In vergelijking met New York legt Amsterdam het dan ook op alle punten af.
Ook wat betreft de misdaad: de nieuwe, op arbeidsparticipatie gerichte aanpak van criminaliteit leidde ertoe dat New York – ooit berucht vanwege de onveiligheid op straat – de veiligste stad werd van alle grote steden in de Verenigde Staten, aldus Mees.
Maar het enkele feit dat de criminaliteit in New York terugliep na de aanpak, betekent nog niet dat de criminaliteit terugliep door die aanpak. Dat verband is alles behalve vanzelfsprekend. Levitt, hoogleraar economie aan de universiteit van Chicago, heeft een heel andere verklaring dan Mees. Uit zijn onderzoek blijkt dat door de verruiming van de abortuswetgeving de criminaliteit daalde als gevolg van het feit dat het aantal geborenen in kansarme éénoudergezinnen afnam. Er was dan wel sprake van een interval van dertien jaar. Dat heeft te maken met het gegeven dat de criminele carrière van kansarme jongeren min of meer op dertienjarige leeftijd start. Een abortus bij een zestienjarig meisje (dat als jonge moeder zelf de kost moet gaan verdienen) betekent dertien jaar later één potentiële crimineel minder. Steden die bleven vasthouden aan een verbod op abortus, maar net als New York een zero-tolerancebeleid voerden, lieten slechts een marginale daling van de criminaliteit zien.
Kritiek op haar opvatting over de relatie tussen criminaliteit en arbeidsparticipatie wimpelt Mees af met de mededeling dat enkele brievenschrijfsters schande spraken van haar pleidooi om de verzorgingsstaat om te vormen naar een kansenmaatschappij naar New Yorks model.
Maar de kern van de kritiek had wel degelijk meer om het lijf dan Mees in haar boek doet voorkomen. Junger-Tas, emeritus hoogleraar criminologie, vond het betoog oppervlakkig en wees op een aantal onjuistheden op basis van wetenschappelijk onderzoek naar criminaliteit. Kerstholt (UvT) wees erop dat er geen algemeen verband tussen enerzijds de omvang van de verzorgingsstaat en anderzijds economische groei en andere welzijnsindicatoren. Het is dus niet een kwestie van ‘schande’, zoals Mees beweerde, maar een kwestie van strijd met wetenschappelijke inzichten.
Dat Mees niet schroomt om op de man te spelen, blijkt uit haar bespreking van een lezing die Wouter Bos begin 2008 hield. “Het is jammer dat zijn teksten lijken te zijn overgenomen uit een verouderde jaargang van het weekblad The Economist.” Lijkt? Dus niet echt? Maar waarom dan die opmerking, als hij die teksten niet echt heeft overgenomen? De nare bijsmaak van dubieuze schatplichtigheid van de kant van Bos blijft bestaan zonder dat Mees daar een eenduidige uitspraak over doet.
Vervolgens blijkt dat Bos zijn vak niet bijhoudt. Als hij het recente nummer van The Economist had gelezen, had hij volgens Mees kunnen betogen dat de topbestuurders verantwoordelijk zijn voor de economische crisis. Ongetwijfeld, maar Bos had het in zijn lezing niet over de crisis, maar over de globalisering.
Mees refereert in haar kritiek op Bos naar een artikel dat op de website Economist.com verscheen. Daarin werd gesteld dat het huidige systeem topmanagers beloont als ze grote risico’s nemen, terwijl er geen enkele financiële straf op staat als blijkt dat ze verkeerd hebben gegokt. Deze informatie past precies in het straatje van Mees, maar er stond nog veel meer in datzelfde artikel, namelijk dat de realiteit veel genuanceerder is. En die nuancering levert een heel ander beeld op dan Mees schetst. “Begin eens met de vette bonussenpot van vijf Wall Street-ondernemingen. De banken eindigden het jaar met rode cijfers, maar de eerste helft van 2007 was geweldig goed. Het gevolg was dat het aantal medewerkers schommelde. Als de bonussen die het laatste jaar zijn uitgekeerd, gedeeld worden door het aantal medewerkers, dan duikelt de gemiddelde bonus.” Zelfs de term ‘gemiddelde’ is misleidend. “De succesvollen halen grotere bonussen binnen; anderen zien hun gedeelte van de taart slinken”, aldus het artikel in de Economist. Dat laatste past dus niet in het straatje van Mees en dat laat ze dan ook maar weg.
Het verwijt dat Bos een stuk uit de economist herkauwde, komt wat vreemd over als we Mees stuk over de oliebubbel bekijken. Want Mees zelf herkauwde ook een stuk, namelijk dat van The New York Times-columnist Paul Krugman. Hij ageerde tegen de idee van een oliebubbel. Die bubbel, aldus Krugman, is er niet. Opvallend is dat de opbouw en de inhoud van Mees' stuk op de eerste en de laatste vijf alinea’s na nagenoeg dezelfde is als die van de column van Krugman.
Maar zelfs dat herkauwen deugt niet. Als Krugman in neutrale termen het gedrag van een aantal mensen beschrijft, maakt Mees daar ‘het verdachte motief van de deskundigen’ van. Waar Krugman ‘wishful thinking’ ontwaart, stelt Mees dat conservatieven niet (echt) van het besparen van energie houden. Waar Krugmans ‘…suggest…’ hanteert, komt Mees op de proppen met ‘…kan alleen maar concluderen…’. Allemaal subtiele vertekeningen, die leiden tot een andere strekking van het verhaal.
Ook met haar argumentatie slaat ze regelmatig de plank mis. De volgende redenering is evident onjuist: alle mensen zijn sterfelijk. Jan is geen mens (maar een cavia), dus Jan is onsterfelijk. Ik neem aan dat ook Mees niet gelooft in de onsterfelijkheid van de cavia, maar regelmatig zet ze een soortgelijke redenering op. Zo weet Mees te melden dat wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat naarmate de bonussen voor het topmanagement van een onderneming hoger zijn, de kans groter is dat er binnen die onderneming fraude wordt gepleegd. “Als voormalig Ahold-topman Cees van der Hoeven geen aandelenopties had gehad, was er waarschijnlijk geen boekhoudschandaal bij Ahold geweest.” Bonussen leiden tot fraude, dus als er geen bonussen zijn, is er ook geen fraude.
Dat is geen eenmalige uitschuiver. In het stuk waarin ze de econoom Kleinknecht sommeert op te houden met het schrijven van ‘intellectueel luie’ stukjes, maakt ze dezelfde fout. Als vrouwen te weinig in het arbeidsproces participeren (omdat ze in deeltijd werken), dan kunnen werkloze laagopgeleide allochtonen niet (voldoende) in het arbeidsproces participeren. Als die vrouwen fulltime gaan werken, dan zal er werk zijn voor werkloze laagopgeleide allochtonen. Ook hier zien we weer de caviafout terug: als vrouwen in deeltijd werken, leidt dat tot minder arbeidsparticipatie van allochtonen. Dus als vrouwen niet in deeltijd werken, leidt dat tot meer arbeidsparticipatie.
Soms loopt de argumentatie helemaal uit de rails. “De topmanagers van frauderende bedrijven laten zich financieel goed bedienen, concluderen Fennema en Heems­kerk”. Mees is het daar niet mee eens. “Volgens mij is de causa­liteit precies andersom: de varia­bele beloningen lokken de fraude uit.”, schreef ze oorspronkelijk in het NRC. De kromme formulering is in haar boek aangepast, maar de kromme argumentatie blijft overeind. Want Fennema en Heemskerk wijzen helemaal niet op een causaal verband, maar op een correlatie. Mees schuift de twee dus feitelijk de onzinnige bewering in de schoenen dat fraude variabele beloningen uitlokt.
Mees komt bijna altijd met haar ontsporingen en vertekeningen weg. Incidenteel klimt iemand in de pen, zoals de officier van justitie Ditz die betrokken was bij de rechtzaak tegen Van der Hoeven. In de oorspronkelijke versie was Ditz naïef en beperkt. In een boze brief adviseerde ze Mees om gewoon eens het requisitoir te lezen en nu komen we Ditz niet meer tegen in haar boek.
Toch blijft Mees' succes een raadsel en dat wordt door dit boek nog eens nadrukkelijk bevestigd. Zij weet een niet al te originele boodschap met argumentatieve uitglijders, vertekeningen van standpunten en persoonlijke aanvallen te mixen tot een eclatant succes.

Andere recente argumentatiefouten: hier, hier en daar.

Vanvelthoven versus Leterme (4/5)

Peter Vanvelthoven, de Belgische Wouter Bos

Ontspoorde Leterme (CD&V) of ontspoorde Vanvelthoven (SP.A) april 2008 met De Standaard én Phara in de slipstream? Zie de video.
Phara deed verontwaardigd, maar ze maakte zich volgens Leterme schuldig aan een onjuiste vergelijking. Ze vergeleek de uitgaven voor experts die in het verleden gedaan zijn met het bedrag dat op de nieuwe begroting staat. Wat ze had moet doen, is de begroting van het kabinet Verhofstadt 3 moeten vergelijken met de begroting van het kabinet Leterme 1. Aldus Leterme. En Vanvelthoven beschuldigde hij vervolgens van leugens.
Maar vervolgens bleek dat er wel degelijk een fout was gemaakt bij de opmaak van de begroting. Er was wel sprake van een explosieve groei van de budgetten bij de experts. De kostprijs van de experts bleek namelijk tweemaal in de begroting te zijn ingeschreven omdat de enkele bevoegdheden van ministeries in Verhofstadt 3 anders geregeld waren dan in Leterme 1. Dat levert al gauw een verschil op van anderhalf miljard euro. Volgens de Tijd erkende Yves Leterme de fout.
Analyse. Vanvelthoven maakte zich, als ik het goed zie, schuldig aan de drogreden van de onjuiste vergelijking, want hij vergeleek de bestede uitgaven met de geplande begroting. (Ik maak namelijk nergens uit op dat hij enkel de gereserveerde bedragen met elkaar vergeleek. Anderzijds: Vanvelthoven werkte bij de VUB bij een fiscaal onderdeel van de rechtenfaculteit en als voormalig federaal minister kent hij de begrotingstechniek).
Maar Leterme zag de dubbele boeking over het hoofd en maakte zich schuldig aan een persoonlijke aanval richting Vanvelthoven.

Hillen en de indirecte persoonlijke aanval (3/5)


Het gewraakte boek van Anton Zijderveld

CDA-ideoloog Anton Zijderveld heeft zijn lidmaatschap opgezegd uit onvrede over het lonken van het CDA met de PVV. Volgens CDA-senator Hans Hillen is Zijderveld vooral geïnteresseerd in aandacht voor zijn boekje over populisme, dat dinsdag werd gepresenteerd (VK, 29.4.09).
Analyse. Hillen maakt het motief van Zijderveld verdacht: die heeft een boek te promoten en zoekt daarom – op deze wijze – de aandacht.

Mees over Fennema & Tromp (2/5)

New York

Heleen Mees en Jan Tromp zijn lyrisch over de integratie in New York. Maar ze zijn blind voor de achterkant van dat systeem, vindt Meindert Fennema, hoogleraar politieke theorie van etnische verhoudingen (VK, 23.4.09).
Alle migranten krijgen daar volgens Mees een eerlijke kans om te integreren, omdat zij meteen aan de slag moeten. Maar haar voorbeelden zijn volgens Fennema nogal eenzijdig. “Steeds weer duikt de immer gedienstige doorman (conciërge) op als rolmodel voor de immigranten, samen met de taxichauffeurs en de bedienden in haar favoriete restaurants en supermarkt om de hoek. De ene is nog voorkomender dan de ander.” Dankzij hun arbeidsparticipatie worden migranten opgewekte naturen die altijd klaar staan om Mees ter wille te zijn.
Dat verwijt maakt Fennema ook voormalig Volkskrant-correspondent Jan Tromp. In zijn recent verschenen boek over zijn New Yorkse tijd, komt ook hij op de proppen met de doorman. “Maar vergeten Mees en Tromp allebei niet dat zij de achterkant van die etnische verhoudingen in New York helemaal niet zien? Dat zij buiten het bedienend personeel nooit een arme immigrant of African American te zien krijgen?”
Fennema's punt is dat één op de vier zwarte jonge mannen uit New York vast zit. In Brooklyn, waar Mees een appartement bezit met uitzicht op Manhattan, zijn tenminste 35 zogenaamde million dollar blocks. “Dat zijn huizenblokken waar zo veel mensen in de gevangenis zitten, dat de staat daar per blok meer dan 1 miljoen dollar aan gevangeniskosten betaalt. In dat bedrag zijn niet meegerekend de kosten voor de rechtsgang, voorarrest en voor reïntegratie van de ex-gedetineerden uit Brooklyn.” In die gevangenissen zijn zwarten en migranten sterk oververtegenwoordigd. Mees heeft, alleen al om die reden, maar een beperkt zicht op haar doelgroep.
“Mees pleit sinds kort voor het afschaffen van de bonussen in het bankwezen, die volgens haar een pervers effect gehad hebben. Maar zij pleit nog steeds voor een bonussysteem voor de etnische onderklasse. Het liefst ziet zij iedere immigrant werken voor een loon van 5 dollar per uur en een variabele fooienpot.”
Tromp is op zijn beurt niet gecharmeerd van de vergelijking met Mees (VK, 29.4.09). De ongelijkheid tussen arm en rijk in New York neemt alleen maar toe. “Het Bureau voor de Statistiek van de stad New York meldde in augustus vorig jaar dat het gat tussen rijk en arm, dat toch al het grootste is van alle staten in de VS, alleen maar groter wordt. De cijfers: 37 procent van het totale inkomen van de stad gaat naar 1 procent van de inwoners. De onderste 20 procent moet het doen met 3 procent van het totaal. Twee miljoen New Yorkers zijn niet verzekerd tegen ziektekosten. Van de acht miljoen New Yorkers leeft ongeveer 20 procent in armoede. Er bestaat een organisatie van vrijwilligers, City Harvest, die bij restaurants etensresten ophaalt en uitdeelt aan de behoeftigen.”
Heleen Mees vindt, zo stelt Fennema, dat een verlaging van het minimumloon in New York de beste weg is naar een snelle integratie van immigranten. "Het minimum uurloon ligt nu op 7 dollar 15", zo gaat Tromp verder. "Mees zou volgens Fennema liever zien dat het laagste uurloon 5 dollar bedroeg. Het is niet dat het heel erg is, maar leuk is het voor niemand op één lijn te worden geplaatst met Heleen Mees. Ze koestert merkwaardige opvattingen. Zo zou ze graag zien dat er dwangarbeid komt voor gestudeerde vrouwen die niet fulltime werken omdat ze ook nog voor de kinderen willen zorgen. In New York lijkt ze Madame de Pompadour te willen uithangen, de maitresse van de Zonnekoning Lodewijk XV: ‘Als ik in Nederland ben en geen winterjas heb, stuurt de portier er eentje van mij op’, zei ze vorige week in een interview met Vrij Nederland.
Fennema heeft groot gelijk als hij aandacht vraagt voor wat hij ‘de achterkant van de etnische verhoudingen in New York’ noemt.”
Mees reageerde meteen en een dag na het verschijnen van Tromps stuk, stond haar boze brief al in de Volkskrant. “Wat is er aan de hand met Meindert Fennema (Forum, 24 april) en Jan Tromp (Forum, 29 april), dat ze menen mijn woorden zo te moeten verdraaien? Zouden ze jaloers zijn?”
Ze had immers nooit beweerd dat het minimumloon in New York moet worden verlaagd van 7 dollar 25 naar 5 dollar. In haar boek Tussen hebzucht en verlangen stond volgens Mees alleen dat de bruto loonkosten op minimumniveau in Nederland te hoog zijn, namelijk 15 tot 20 euro bruto per uur (inclusief werkgeverslasten en btw, cijfers afkomstig van het Centraal Planbureau). Daardoor krijgen laagopgeleide migranten in Nederland niet de kansen op de arbeidsmarkt die ze in New York wel krijgen.
Analyse. Allereerst Fennema. Zijn verwijt richting Tromp is onterecht. Weliswaar heeft de laatste het in zijn boek, net als Mees, over de doorman, maar niet als het summum van de integratie. De context in Tromps boek is heel anders.
Mees begint haar boze brief met een persoonlijke aanval in de vorm van een retorische vraag: zijn Fennema en Tromp jaloers?
Strikt genomen heeft Mees het nergens over de verlaging van het minimumloon tot 5 dollar. Mees stelde wel eerder (NRC, 24.11.07) “dat het minimumloonniveau in New York imet iets minder dan 8 dollar per uur redelijk vergelijkbaar is met dat in Nederland, alleen komen er in New York geen extra lasten voor de werkgever bij. Dat zou in Nederland ook zo moeten zijn. Onder die voorwaarden kan de uitkeringsduur over de hele linie worden beperkt, bijvoorbeeld tot zes maanden. Voorzover er daarna nog enige vorm van ondersteuning wordt geboden mag dat alleen in een vorm die eraan bijdraagt dat mensen economisch zelfstandig worden.” Dus nog minder dan 5 dollar.
Feit is dat Mees door zowel Tromp als Fennema wordt bekritiseerd vanwege het feit dat haar waarneming nogal eenzijdig is. Een minder succesvolle groep, de bajesklanten, onttrekt zich aan het zicht van Mees. Op dat punt heeft Mees wat uit te leggen. De voorbeelden van ‘geslaagde integratie’ beperken zich inderdaad tot enkele categorieën. Temeer daar Mees eerder (NRC, 24.11.07) beweerde dat de aanpak van Guiliano (mensen uit de bijstand te halen én voor werk te zorgen) “ertoe dat New York – ooit berucht vanwege de onveiligheid op straat – de veiligste stad werd van alle grote steden in de Verenigde Staten.”
Maar dit verband is alles behalve vanzelfsprekend. Levitt, hoogleraar economie aan de universiteit van Chicago, heeft een heel andere verklaring dan voormalig burgemeester Guiliano en Mees. Uit zijn onderzoek blijkt dat door de verruiming van de abortuswetgeving de criminaliteit daalde als gevolg van het feit dat het aantal geborenen in kansarme éénoudergezinnen afnam. Er was dan wel sprake van een interval van dertien jaar. Dat heeft te maken met het gegeven dat de criminele carrière van kansarme jongeren min of meer op dertienjarige leeftijd start. Een abortus bij een zestienjarige zwanger meisje (dat als jonge moeder zelf de kost moet gaan verdienen) betekent dertien jaar later één potentiële crimineel minder. Steden die bleven vasthouden aan een verbod op abortus, maar net als New York een zero-tolerancebeleid voerden, lieten slechts een marginale daling van de criminaliteit zien. (Zie: Steven D. Levitt, Understanding Why Crime Fell in the 1990’s: Four Reasons That Explain the Decline and Six That Do Not. Journal of Economic Perspectives 18, 2004 (pp. 163-190). )
Overigens goochelt Mees met de cijfers. Het bruto minimumloon inclusief het werkgeversaandeel is nu ongeveer 12,60 euro. Waar Mees in 2007 de 15 euro vandaan haalt, is mij niet duidelijk.