Over het blokkeren van een discussie (30/6)

Cees Renckens, voorzitter Vereniging tegen de Kwakzalverij, bedrijft kermiswetenschap”, kopte de blog van de arts en filosoof Hugo Verburgh.
De discussie, die naar aanleiding van het stukje van Verburgh ontstond, werd onderbroken door een wijsheid van een zekere Boris L. (01-05-2009 13:22) “Wat is dit voor gezellige dode-bomen meeting? En dat nog wel op het doodgewaande VKblog - for poor men who'd like to blog but dunno how. Goed, meneer Hugo heeft zijn keutel gelegd en betrokken partijen komen als vliegen op de stront af om weer eens een keertje lekker te ruziën over alternatieve geneeswijzen. Beide vingers in de oren, heel hard je argumenten opdreunen, LALALALALAAAAA.
Heren, doe es kappen met die onzin. Who cares?
Vervolgens reageerde Roel (01-05-2009 19:41) met: “Boris L., als het je niet interesseert, wat doe je hier dan? Mij spreekt het wel aan. En ik ben blij eens op niveau te kunnen debatteren over dit onderwerp.
Analyse. Normaal gesproken richt ik me niet op reacties van reageerders, maar in dit geval betreft het een variant van een drogreden die ik nog niet ben tegengekomen. Vandaar.
Boris L. poogt de inhoudelijke discussie te blokkeren door het gedachtewisseling te diskwalificeren. Het is een dode-bomen meting op een doodgewaande blog, waar reageerders als vliegen op de stront afkomen. De reageerders zelf worden ook nog gediskwalificeerd, want die weten niet wat bloggen is. Dat laatste is volstrekte onzin, want er bestaan helemaal geen regels voor het bloggen.

De argumentatie van Heleen Mees gefileerd (29/6)

Kredietcrisis. Ritz.
Met een “Het trio (Bos, Zalm en Wijn) laat zien dat het old boys network zich stevig heeft genesteld in de Haagse politiek. Geen wonder dat het graaien niet ophoudt.” Eindigt Mees de aanval op Bos (NRC, 25.6.09).
We zullen haar betoog nader analyseren.

1. Haar betoog begint met de constatering dat de economie overal in de wereld weer “groene scheuten” laat zien. In het bijzonder doen, economisch gezien, China en de VS het goed. Nederland doet het niet goed.
(Kennelijk krijgen we een verklaring waarom overal in de wereld het beter gaat, behalve in Nederland.)

2. Dan volgt de constatering dat ondanks de economische ontwikkelingen in de wereld, China en de VS de wereldeconomie langs de afgrond is gescheerd. De krimp van de wereldeconomie vertoont de afgelopen twaalf maanden schrikbarend veel overeenkomsten met de economische ontwikkeling aan het begin van de Grote Depressie.
(Hoe deze passage zich verhoudt tot de eerste alinea, is volstrekt onduidelijk. Relevant is die informatie niet als de wereldeconomie het kennelijk weer beter doet. Uit de eerste alinea blijkt dat het kennelijk allemaal toch wel weer meevalt.)

3. Als het economisch herstel zich doorzet, zal deze crisis gauw weer vergeten zijn, meent Mees. “De uitverkiezing van Gerrit Zalm tot beste minister van Financiën sinds 1900 door economen en financieel journalisten ‘omdat hij in goede tijden de hand op de knip hield’ is het beste bewijs dat het bijster slecht gesteld is met het collectieve geheugen van mijn vakgenoten. Het is daarom des te zorgelijker dat er tot nog toe slechts halfslachtige voorstellen zijn gedaan voor de hervorming van de financiële regelgeving.”
(De eerste regel (economisch herstel en crisis), de tweede regel (de uitverkiezing van Zalm) en de derde regel (het gebrek aan herzieningsvoorstellen voor de financiële wereld) bevatten ieder een eigen thema. Eigenlijk, zo zal verder blijken, zijn de eerste drie alinea’s volstrekt overbodig.
Er is kennelijk iets mis met Zalm. Maar wat? Niet dat hij geen maatregelen heeft genomen om de financiële regelgeving te hervormen, want dat wordt in de volgende zin aangehaald. Het verband tussen het geheugen van vakgenoten en de constatering dat het '...daarom des te zorgelijker...' ontgaat me, met name de toevoeging 'daarom'.)

4. In de vierde alinea wordt de Amerikaanse minister van Financiën, Timothy Geithner, als lichtend voorbeeld opgevoerd. “Hij heeft tenminste een plan voor de hervorming van de financiële regelgeving ontvouwd. Hoewel het een aantal goede aanzetten bevat, gaan de aangekondigde maatregelen lang niet ver genoeg." Er volgt een toelichting over eentekortkoming.
(Nog voordat Mees zijn plannen weergeeft, begint ze al met het bekritiseren van die plannen.)

5. Dan volgt een beschrijving van de plannen.
(Het is niet erg logisch om eerst, in alinea 4, met de kritiek te beginnen en pas daarna met de beschrijving.)

6. In de zesde passage komt Mees weer – net als in alinea 4 - met kritiek op die plannen. “Bovendien lijken die plannen in al zijn vaagheid akelig veel op het ‘duurzame beloningsbeleid’ dat minister van Financiën Wouter Bos (PvdA) predikt – maar niet handhaaft.” De VS werd eerst als lichtend voorbeeld gesteld, maar nu blijken de plannen van Geithner niet veel anders te zijn dan die van Bos. De eerste alinea ging over het onderscheid tussen enerzijds de wereld, China en de VS en anderzijds Nederland. Nu blijkt dat de plannen van Geithner en Bos nauwelijks verschillen.
(Eerder, in de vierde alinea, betoogde Mees dat Geithner “tenminste een plan voor de hervorming van de financiële regelgeving heeft ontvouwd.” Nu blijkt dat die plannen op die van Bos lijken. Lijken? Dus niet echt? Bovendien zit er een tegenspraak in de constatering dat Giethner in elk geval een plan heeft ontvouwd (en Bos dus niet) en dat die plannen lijken op die van Bos (want die had geen plan).
De eerste alinea blijkt dus nu volstrekt irrelevant te zijn, want de plannen in de VS lijken op die in Nederland.)

7 en 8. “De herziening van de financiële regelgeving kan niet eindigen met de aanscherping van het beloningsbeleid, maar zou er wel mee moeten beginnen, zo schreef Martin Wolf afgelopen woensdag in de Financial Times. Hij wees daarbij op de recente studie van Harvard-economen Lucian Bebchuk en Holger Spamann, Regulating Bankers’ Pay. Bij de financiële instellingen die voor het overgrote deel met schulden zijn gefinancierd (leverage), lopen niet de aandeelhouders, maar de crediteuren het grootste risico. Omdat de managers zelf vaak grote aandelenpakketten bezitten en dus volop profiteren als ze goed gokken, is het aanlokkelijk om buitensporige risico’s te nemen.”
“Wolf tekent daarbij aan dat dit zich in gewone bedrijfstakken zou vertalen in hogere risicomarges c.q. hogere rentelasten en dus minder winst. Maar doordat systematisch belangrijke financiële instellingen het afgelopen jaar met vele miljarden van de belastingbetaler zijn gered, treedt dat mechanisme hier niet in werking. Integendeel. Er is juist een moral hazard van jewelste ontstaan: crediteuren weten nu immers dat aan een obligatie Citigroup in wezen niet meer risico kleeft dan aan een staatsobligatie. Dat betekent dat de risicomarge c.q. rente omlaag zal gaan, hetgeen tot nog meer schuldfinanciering zal leiden en tot een nog buitensporiger risicovoorkeur bij het management.”
(Een manager die buitensporige risico’s neemt, kan ook heel veel geld verliezen als zijn “grote aandelenpakket” minder waard wordt. Waarom het causale verband per definitie naar één kant werkt (meer risico, want meer winst) is mij niet helder. Speculeren zonder eigen geld lijkt me veel lucratiever: als het goed gaat, kun je een dikke bonus opstrijken en als het slecht gaat, komt het risico niet voor rekening van de speculant. Het is te vergelijken met de beursspeculaties van het ABP. Die steek geld in risicovolle beleggingen toen de crisis manifeste trekken kreeg. Maar waarom eigenlijk niet? Een mislukt beleggingsavontuur betekent enkel dat ambtenaren, die verplicht bij het ABP zijn aangesloten, meer premie moeten betalen en dat de pensioenen een aantal jaren worden gefixeerd. De beleggers van het ABP lopen zelf nul risico. Prof. De Lange fulmineert al jaren - terecht - tegen deze situatie.)

9. Deze analyse breed wordt gedragen.
(Door wie? De gemiddelde burger zal dit betoog nauwelijks kunnen volgen.)
Het is curieus dat er geen wetgeving in de maak is om de bestuurdersbeloningen te beperken. (Kennelijk wordt de analyse dus niet zo breed gedragen.)
“Aan de publieke opinie kan het niet liggen. Onderzoek van TNS-NIPO wees twee jaar geleden al uit dat driekwart van de Nederlanders (76 procent) zich kwaad maakt over de hoogte van de beloningen die topbestuurders ontvangen en dat bijna alle Nederlanders vinden dat de hoogte van de beloningen aan banden moet worden gelegd (91 procent). Met name linkse politici (lees: Wouter Bos) zouden dus aan populariteit kunnen winnen als ze daadkracht zouden tonen op dit punt. Dus toch nog maar eens de vraag: wat let Wouter?”

10. en 11. Het antwoord geeft Mees in de vorm van een aantal retorische vragen. “Zou zijn eigen hebzucht hem in de weg zitten? Hoopt hij dat hem aan het eind van zijn politieke loopbaan (dat inmiddels wel in zicht lijkt) zelf een goudgerande toekomst in de financiële wereld wacht? Ik schrijf dit zonder een spoor van plezier. Maar waarom voetstoots aannemen dat onze politieke voormannen van een zuiverder morele graad zijn dan de vermaledijde bankbestuurders? Dat Wouter Bos zijn voorganger Gerrit Zalm als topman heeft benoemd bij ABN Amro, die vervolgens oud-staatssecretaris van Financiën Joop Wijn binnenhaalde, versterkt die indruk alleen maar.”
(Dat Bos ideeën heeft over bonussen en wettelijke beperkingen is voor Mees kennelijk niet relevant. Hebzucht en het veiligstellen van een baantje in de financiële wereld zijn de motieven van Bos. Het einde van zijn politieke loopbaan is immers in zicht. Mees komt niet verder dan een indirecte persoonlijke aanval.)

Feitelijk is de column van Mees niet meer een aaneenschakeling van meningen van anderen, verwoord in een behoorlijk ontoegankelijk en warrig proza. Het enige element dat echt uit haar koker komt, zijn de verdachtmakingen van Bos.

De kunst van het achteraf-voorspellen (28/6)

Alle terroristische aanslagen zijn makkelijk voorspelbaar, meent journalist Ko Colijn. Met terugwerkende kracht geeft hij een hilarisch overzicht van allerlei aanslagen die te 'voorspellen' waren (Vrij Nederland).

Invasie van Saddam Hoessein in Koeweit: 2 augustus 1990. Dat was de datum waarop Amerika in 1776 de onafhankelijkheidsverklaring ondertekende.

Operatie Desert Storm, waarmee Koeweit vervolgens bevrijd zou worden: 16 januari. Want a). het moest uiterlijk in januari plaatsvinden, want anders zou de grootste militaire operatie sinds de Tweede Wereldoorlog, waarvoor de experts drie maanden hadden uitgetrokken, wegsmelten in de Iraakse zomerhitte; b). het moest bij het volle maan zijn, want dat is prettig voor de piloten.

Elf september
: vond natuurlijk plaats op 9/11. 911 is het Amerikaanse alarmnummer.
De vergeldingsoorlog tegen het talibanbewind: 7 oktober, want dat is de Dag van de Maagd van de Rozenkrans, waarop de Ottomaanse vloot bij Lepanto in 1571 door de Spaans-Venetiaans-pauselijke vloot onder Don Juan van Oostenrijk werd verslagen.

De militaire overwinning op de taliban: 7 december 2001. Dat viel precies zestig jaar na Pearl Harbor.

Operatie Iraqi Freedom: 20 maart. Toen had Albert Einstein zijn relativiteitstheorie geopenbaard en was Napoleon uit Elba naar Parijs teruggekeerd.

De politieke steun van het kabinet-Balkenende aan Iraqi Freedom: dat was op de dag af 301 jaar na de oprichting van de Vereenigde Oostindische Compagnie.

Metro-aanslagen in Madrid: 11 maart 2004. Dat was 911 dagen na de aanslagen van 9/11 (bleek weliswaar 912 dagen te zijn, want Bin Laden en zijn club hebben geen boodschap aan schrikkeldagen); precies dertig maanden na nine-eleven; en c). dat was de leeftijd waarop het lievelingsneefje van Bin Laden voor het eerst de woorden Al-Qaida uitsprak.

Al-Qaida-aanslag op de Londense metro: 7 juli 2005. Dat was een dag na de bekendmaking dat Londen de Olympische Spelen 2012 zou gaan organiseren. Het viel ook mooi samen met de dag dat de G8-regeringsleiders onder Blairs voorzitterschap in Schotland bijeenkwamen.

De eerste Noord-Koreaanse atoombom: 9 oktober 2006. Dat was op de ochtend dat de Japanse premier Abe een bezoek aan Seoel bracht om over de Noord-Koreaanse dreiging te spreken en de Veiligheidraad stemde over de benoeming van Zuid-Koreaan Ban Ki-moon tot secretaris-generaal van de VN.

Analyse. Inderdaad, alles is (achteraf) te voorspellen. Ik blijk bij nader inzien ook een briljante achteraf-voorspeller te zijn. Kijkt u even mee?
De moord op Kennedy: 22 november 1963. Achteraf dus ook wel voorspelbaar. Laten we eens op '22 november 1863' googelen. Die dag staat bekend als het hoogtepunt van de Chattanooga-campagne in de Amerikaanse burgeroorlog. Generaal William T. Sherman versloeg de Confederalen. Verder levert het jaar 1863, dus honderd jaar voor 1963, de 'American Civil War Battle in Gettysburg (Pennsylvania)' op. Klinkt ook aardig. Wie voor het getal '200' gaat, krijgt de volgende hit: in 1763 eindigde de Zevenjarige Oorlog met de Vrede van Parijs: Frankrijk raakte onder meer haar koloniën in Noord-Amerika kwijt. Twee honderd jaar later raakt de V.S. haar president kwijt.
Om dit te voorspellen was ik welgeteld 4 minuten en 36 seconden kwijt. Wellicht denkt u dat dit aan mijn briljante geest ligt, maar ik vrees dat dat niet de verklaring is. Terugredenerend is er namelijk altijd wel een voorval dat op een verbluffende wijze samenhangt met een ander voorval.
Het kunstje is simpel. Varieer het jaartal (100, 200 of 300 jaar), het aantal maanden of dagen en als dat niet een perfecte datum oplevert, trek dan bij de datum van het oorspronkelijke voorval iets ‘moois’ af (zoals bijv. 101 of 111).
En wat denkt u dat er precies honderd jaar voor mijn geboorte plaatsvond: dus 15 januari 1962? Zie hier het antwoord.
Hm...

Hirsch Ballin als controlfreak (27/6)

Vandaag bladerde ik door VN en op pagina 12 stuitte ik op een staaltje flauwe retoriek. Vandaag dus eens iets anders.

“Dat Ernst Hirsch Ballin een control freak is van de hoogste orde, dat wist ik ook niet”, schrijft Thijs Niemantsverdriet in VN (27.6.09). “Toch is er maar één conclusie mogelijk als je een document bekijkt, waar Vrij Nederland de hand op wist te leggen.”
Het klinkt allemaal veelbelovend, maar het blijkt uiteindelijk enkel om een interne ‘schrijfwijzer’ te gaan. Die bevat tips voor ambtenaren van het Ministerie van Justitie die regelmatig stukken schrijven voor de minister.
Kortom, een paar tips om spelfouten te vermijden. Maar Niemantsverdriet ziet er iets heel anders in “Vijf pagina’s lang voorziet hij (Hirsch Ballin, RR.) zijn ondergeschikten van schrijftips die zó gedetailleerd zijn dat het hilarisch wordt.”
Wat zijn dan die hilarische voorbeelden? Er is een afspraak met TNT om bij adressering hoofdletters te gebruiken. Hilarisch?
Verder bestaat het document uit een aantal veel voorkomende fouten, zoals D 66. Dat moet D66 zijn. Dat lijkt me niet meer dan normaal, want zo moet je het ook schrijven. Niemantsverdriet maakt daar de volgende karikatuur van: “de minister wil dat zijn politieke tegenstanders met respect worden behandeld”.
Nog een paar – kennelijk - hilarische voorbeelden: het moet niet ‘Tweede kamerlid’ zijn, maar ‘Tweede Kamerlid’. Het is niet ‘commissie Van Traa’, maar ‘commissie-Van Traa’. Het is niet ‘tot stand komen’, maar ‘totstandkomen’. Op deze wijze kan men elke correctie van een spelfout af doen als ‘hilarisch’.
“Sommige correcties zijn zó subtiel dat je eerst drie keer moet lezen om het verschil te vinden. Bijvoorbeeld: ‘”Zodat bezien kan worden op welke punten” moet zijn: zodat kan worden bezien op welke punten.’ ” Dat staat onder het kopje ‘werkwoordvolgorde’, maar kennelijk is te ingewikkeld voor Niemantsverdriet.
Het is gewoon correct Nederlands om ‘kan worden bezien’ te schrijven. Als er dan toch iets hilarisch kan worden genoemd, dan is het de oorsprong van die regel. Sinds de middeleeuwen bestaan zinnen als ‘genoemd worden’ en ‘worden genoemd’ naast elkaar. De ‘officiële’ grammatica die in de loop van de eeuwen is ontwikkeld, is gericht op het uitroeien van variatie. Ook in het geval van de woordvolorde moest dus een keuze worden gemaakt. De volgorde ‘genoemd worden’ werd door de taalpuristen onjuist geacht, omdat dit een volgorde is die in het Duits voorkomt. De puristen wilden een eigen grammatica en alleen daarom is ‘worden genoemd’ de juiste volgorde. De 'eigenheid' zit dus gewoon in het afzetten tegen het Duits en is dan ook niet meer dan een 'omgekeerd afleiden'. Kortom, niets eigens. Voor alle duidelijkheid, de Duitse volgorde is overigens niet echt fout.

Van der Ploeg over Bos (26/6)

Net Plasterk, Vogelaar en Pronk mocht ook Van der Ploeg een schuldige aanwijzen die verantwoordelijk was voor het verkiezingsdebacle van de PvdA. Volgens de Oxfordse hoogleraar economie was Bos de grote afwezige en bijgevolg de oorzaak van de nederlaag
“De PvdA verloor vier van de zeven zetels in het Europees Parlement, terwijl de partij van Geert Wilders met de leuze ‘meer Nederland, minder Europa’ uit het niets van nul naar vier zetels sprong. Interessant is dat pro-Europese partijen links van het midden – D66 en GroenLinks – zetelwinst boekten. In Engeland werd de Labour Party onder de afbladderende premier Gordon Brown keihard afgestraft. Een rechtse populist als premier Sarkozy van Frankrijk boekte winst, maar in Nederland verloor het CDA toch nog twee van zijn zeven zetels” (Vk).
De uitslag bevestigt volgens hem wat politicologen al langer constateren: met een anti-Europese campagne valt politieke winst te behalen. Linkse populisten doen Europa af als een neoliberaal project; conservatieven en liberalen stellen dat harde concurrentie door heel Europa haar heilzame werk kan doen.
Analyse. Ongetwijfeld allemaal correct, maar de argumentatie is selectief. Want eerder meldde Van der Ploeg dat ook pro-Europese partijen als GL en D66 winst boekten. Het aantal zetels van de laatste is sinds de verkiezingen in 2006 vervijfvoudigd (en het is nog maar de vraag of te uitsluitend is te danken / wijten aan het Pechtold-effect.)
De conclusie is dan niet dat een ‘anti-Europees’ standpunt stemmen oplevert, maar een uitsproken standpunt over Europa stemmen oplevert.

Rechter Willems over salarissen (25/6)

“Bedrijven blijven zeggen: we moeten hoge salarissen betalen om de goede mensen te krijgen. Dat vind ik onzin en dat heb ik altijd onzin gevonden”, zegt Huub Willems, scheidend voorzitter van de Ondernemingskamer (Vk, 23.6.09).
Op de vraag waarom dat zo is, geeft Willems het volgende antwoord: “Zijn er uitsluitend slechte rechters, omdat wij matig gehonoreerd worden?”
Analyse. Bewering (a: niet zwaar betaalde rechters functioneren niet slecht) is geen correcte reden om bewering (b: als we hoge salarissen betalen, dan krijgen we de mensen die goed functioneren) te ontkrachten. Bewering (a). zegt namelijk alleen iets over de (veronderstelde) relatie tussen hoge salarissen en goed functioneren, maar niets over de relatie tussen lage salarissen en niet goed functioneren.
Dat is eenvoudig in te zien. Neem de bewering ‘als het regent, zijn de straten nat’. Stel dat het niet regent. Zijn de straten niet nat? Ze kunnen wel degelijk nat zijn, namelijk door een sproeiwagen. Met andere woorden, er kan een andere oorzaak zijn waardoor de straten nat zijn.

Sarkozy en het boerkaverbod (24/6)

“De boerka is een aantasting van de vrijheid en de waardigheid van de vrouw. Daarvoor kan in een democratie als de Franse geen plaats zijn”, aldus president Sarkozy. Tegelijkertijd verdedigt Sarkozy ook het beginsel van de laïcité. Dat houdt in dat de staat alle overtuigingen respecteert en dat de staat zich neutraal opstelt in godsdienstkwesties.
Spreken die twee standpunten elkaar dan niet tegen? Een verbod betekent dat de overheid wel ingrijpt in een religieuze kwestie. Maar Sarkozy meent van niet: ‘de boerka is geen religieus symbool, maar een vernedering die sociaal contact onmogelijk maakt.’
Analyse. Sarkozy lost het probleem op door een herdefiniëring. Een boerka is geen religieus symbool, dus kan er ook geen sprake zijn van een botsing tussen een voorstel om boerka’s te verbieden en het beginsel van laïcité.
Het eerste punt is de conjunctie ‘maar’: die duidt op een tegenstelling, die er niet per definitie is. Een boerka kan ook een religieus symbool zijn, dat vernederend is en sociaal contact onmogelijk maakt.
Het tweede punt is dat er sprake is van een categoriefout. De essentie (het zelfstandig naamwoord ‘symbool’) wordt gelijkgesteld met een eigenschap van die essentie (het predicaat ‘vernederend’).
Het Centrale Raad van Beroep ging onlangs niet akkoord met een soortgelijke constructie. De rechtbank oordeelde dat het ontslag van een docente die om religieuze redenen collega’s en ouders een hand weigerde te geven geen kwestie van vrijheid van religie is, maar een kwestie van arbeidsrechtelijke aard. Het CRvB oordeelde anders: het ging in deze casus wel degelijk om de vrijheid van religie (7 mei 2009, LJN: BI2440).

Monasch over Wilders (23/6)

“Het ergste is dat de kiezer achter Wilders niet serieus wordt genomen”, beweert Jacques Monasch, die in december 2008 van Thijs Berman de strijd verloor om het lijsttrekkerschap van de PvdA voor de Europese Parlementsverkiezingen in 2009 (VK, 22.6.09). Er is volgens hem een grote overeenkomst tussen de manier waarop de gevestigde partijen nu met Wilders omgaan en destijds met Fortuyn. “De argumenten waarmee ontredderde politici over Wilders en de PVV spreken, zijn een exacte kopie van de strijd van de gevestigde orde tegen Fortuyn. Weer waarschuwt de benauwde elite dat bevolkingsgroepen tegen elkaar worden opgezet, dat Wilders net als Fortuyn gevaarlijk is en dat de PVV angst zaait. Maar is Wilders wel hét gevaar? Biedt Wilders wellicht hoop waar de bestuurlijke middenpartijen falen?”
Wilders krijgt het verwijt dat hij geen oplossingen heeft voor de problemen die hij aansnijdt. Het gaat dan om handdrukken en topsalarissen voor bestuurders van woningbouwcorporaties; de verstikkende grootschaligheid in het onderwijs waarbij leraren hun positie zijn kwijtgeraakt; de tweedeling in het onderwijs door de invoering van het vmbo; de problemen met de privatisering in de thuiszorg; de grote problemen in de achterstandswijken; de toegenomen inkomensongelijkheid in Nederland sinds de jaren negentig.
Al deze problemen, zo stelt Monasch, hebben twee zaken gemeen. “Ze zijn ontstaan onder verantwoordelijkheid van de middenpartijen VVD, CDA, D66 en PvdA. En geen van de kabinetten van deze partijen heeft er in de afgelopen twintig jaar voor gezorgd dat deze problemen opgelost werden. Voor de potentiële Wilders-stemmer is het argument dat de PVV geen oplossingen biedt ronduit lachwekkend.”
Dat Wilders zich beroept op onjuiste feiten, is volgens Monasch voor de PVV-kiezers geen punt. Hij wijst erop dat Fortuyn ooit betoogde dat we een tijdje de grenzen dicht moesten houden, anders is ‘het dweilen met de kraan open’. “Die opmerking joeg de gevestigde politiek de gordijnen in. Zeven jaar later moeten de grenzen voor importbruiden dicht, ‘anders is het dweilen met de kraan open’, zegt integratieminister Van der Laan. De aanval op de juistheid van de cijfers hielp niet tegen Fortuyn. Wie had er gelijk?”
Ook het feit dat Wilders zou zich vergaloppeerd hebben op de Deense tv door te stellen dat miljoenen moslims Europa uit moeten als zij de sharia bepleiten, zal op de PVV-stemmer geen indruk maken. Die meent dat Wilders ons verdedigt tenminste tegen de sluipende islamisering. “De communicatie van Wilders gaat over wie er opkomt voor de vrijheid van meningsuiting en optreedt tegen islamisering. Dat is de politieke emotie achter de getallen. De aanval op de juistheid van de cijfers hielp niet tegen Fortuyn (‘Voetnoten professor’), ze helpen niet tegen Wilders.”
De critici van Wilders, die hem blijven attaqueren op zijn eigen agenda, sluiten zich op in zijn speelveld. “Die wedstrijd zal niet snel gewonnen worden omdat de kiezer Wilders vertrouwt danwel als eigenaar van dat debat ziet. Zelfs als de gevestigde politiek er iets aan doet, denkt de potentiële Wilders-stemmer: goed dat de PVV het heeft aangekaart, nu gebeurt er eindelijk iets. En dus is Wilders de onvermijdelijke winnaar.”
Het meest ongewenste effect is volgens Monsch dat de kiezer achter Wilders niet serieus genomen wordt. Die heeft oprechte zorgen over het onderwijs, de veiligheid op straat, de kwaliteit van de verpleeghuizen en de identiteit van Nederland. Die zorgen worden door het demoniseren en uitsluiten van Wilders gebagatelliseerd. “De bestuurlijke elite verwijdert zich steeds verder van de zorgen en het contact met vele goedwillende en bezorgde Nederlanders. De gretigheid en verbetenheid van de potentiële Wilders-kiezer wordt zo alsmaar groter. Dat blijkt ook uit het groeiende potentieel van de PVV. De partij won de schaduwverkiezingen onder scholieren, wint onder hoger opgeleiden terrein en zegeviert bij verkiezingen met een lage opkomst.”
Analyse. Er zit een merkwaardige contradictie in het betoog van Monasch. Enerzijds houdt hij een pleidooi om kiezers serieus te nemen. Anderzijds geeft hij een fiks aantal voorbeelden waaruit de conclusie getrokken moet worden dat de kiezers irrationele keuzes maken. Ik zal dit punt toelichten.
De problemen waarover de PVV-kiezer zich zorgen maakt, zijn ontstaan onder verantwoordelijkheid van de middenpartijen VVD, CDA, D66 en PvdA. Punt is echter dat Wilders al die jaren onderdeel van één van de hoofdverantwoordelijke was, namelijk de VVD. Van augustus 1998 tot september 2004 zat Wilders zelfs als Kamerlid voor de VVD in de Tweede Kamer. Wilders is dus medeverantwoordelijk voor het ongenoegen.
Dat Wilders zich beroept op onjuiste feiten, is volgens Monasch voor de PVV-kiezers geen punt. Het is de emotie en ik denk dat Monasch gelijk heeft met die constatering. Maar ook die houding draagt niet erg bij aan het beeld van de rationele kiezer. Integendeel, het bevestigt dat de (PVV-)kiezer 'rationeel irrationeel' handelt, zoals Caplan* betoogt.
De potentiële Wilders-stemmer denkt dat het goed is dat de PVV de problemen heeft aangekaart. Maar wie heeft wat aangekaart? De problematiek van de multiculturele samenleving werd door Bolkestein (VVD) veel eerder gethematiseerd als Fortuyn en Wilders. Het aan de kaak stellen van de problemen in het onderwijs is al evenmin een verdienste van de PVV.
“De communicatie van Wilders gaat over wie er opkomt voor de vrijheid van meningsuiting en optreedt tegen islamisering.” Maar feit is dat Wilders De Koran wil verbieden. Die maatregel staat haaks op de verdediging van het vrije woord. En wat het ongenoegen over de toegenomen inkomensongelijkheid in Nederland betreft: tot voor kort was de PVV voorstander van het afschaffen van het minimumloon. Die ideeën dateren nog van de kleutertijd van Wilders, beweert Kamerlid Van Dijck (PVV).
Kortom, de kiezer moet serieus worden genomen, maar anderzijds geeft Monasch tal van voorbeelden waaruit blijkt dat de kiezer irrationeel handelt.
[ *) Caplan, de auteur van ‘The Myth of the Rational Voter’ (Princeton/Oxford 2007), wijst er in dit verband op dat het idee van de rationele kiezer slechts een mythe is. Politieke oordelen van burgers zijn systematisch in strijd met gegronde wetenschappelijke kennis. Het meer-naar-de-kiezer luisteren is dan ook doodlopende weg. Ook erg interessant: Shafir & Tversky, Thinking through Uncertainty: Nonconsequential Reasoning and Choice, in Cognitive Psychology 24 (1992), pp. 449-474.
Geheel in lijn hiermee is het constatering dat de burger altijd al morde over politici. In zijn onlangs verschenen ‘Het aanzien van de politiek’ (Bert Bakker, 2009) geeft hoogleraar politieke geschiedenis Remieg Aerts een overzicht van klachten van burgers over de politiek. 1994: burgers vinden de politiek autistisch, onmachtig, banaal, stuurloos, ondoorzichtig en onbetrouwbaar. 1989: parlement is schijnvertoning. 1984: burgers herkennen de Kamer steeds minder als vertegenwoordiger. 1976: een grote kloof tussen politici en burgers. 1975: slijtage van de grondslagen van de parlementaire democratie. 1969: het parlement ziet er voor Piet Snot en het politieke bestel heeft afgedaan. 1966/1967: maatschappelijk onbehagen en wantrouwen jegens de politiek. Enz. ]

Leugentjes van Eurolotterij (22/6)

‘Brussels paar met drie kinderen wint 75 miljoen’. Dat was een marketingtrucje van de Eurolotterij, want de echte winnaar was een dertigjarige alleenstaande Griek die in de Brusselse horeca werkte. Punt is echter dat een gezin met tieners spelers meer aanspreekt dan een Griekse bordenafwasser van dertig. Er worden meer marketingleugentjes verspreid.
Ivan Pittevils, ceo van de Nationale Loterij, vindt dat hij niet verkeerd handelt. Grote winnaars willen namelijk niets liever dan beschermd worden “en dit toont dat we hun vertrouwen niet beschamen.”
Analyse. Winnaars willen inderdaad beschermd worden en op deze manier wordt het vertrouwen van de Griekse afwasser niet beschaamd. Maar is dit ook een rechtvaardiging om ‘handige’ onwaarheden te vertellen? Het vertrouwen wordt evenmin beschaamd als een Pittevils en zijn clubs uitsluitend meedelen dat de prijs gevallen is. De discussie ging om de vraag of Pittevils dezen onjuistheden mag verkondigen.

Timmermans versus Volkskrant (21/6)

De PVV vertegenwoordigt een tamelijk grote en waarschijnlijk duurzame groep kiezers die serieus genomen moet worden, aldus het commentaar in de Volkskrant (17.6.09). Dat commentaar bleef Frans Timmermans, staatssecretaris voor Europese zaken, in zijn strot steken: “De voorstellen die Wilders doet zijn in strijd met die grondwet en tasten onze rechtsstaat aan. Of het nu gaat om het deporteren van landgenoten, het in de knieën schieten van hooligans of het verbieden van boeken. De Volkskrant wil toch niet impliceren dat je, omwille van de wens een groep kiezers serieus te nemen, onze rechtsstaat opzij moet zetten?” (DdL)
Analyse. Wat stond er nu werkelijk in het commentaar? “Zo'n cordon sanitaire moet in principe worden afgewezen. De PVV vertegenwoordigt een tamelijk grote en waarschijnlijk duurzame groep kiezers die serieus genomen moet worden. Dat geldt echter niet voor de woeste voorstellen die de partijleider aan de lopende band lanceert: een verbod op de Koran, een knieschot voor Marokkaanse voetbalhooligans en nu het uitzetten van misschien wel tientallen miljoenen moslims.”
De implicatie die Timmermans in het commentaar las, komt in het geheel voor zijn rekening. In het commentaar staat letterlijk dat je de Wilders plannen niet serieus moet nemen. Alleen de PVV-kiezers moeten serieus worden genomen.

Vogelaar en het Grote Gelijk (20/6)

“De nederlaag van de PvdA bij de jongste verkiezingen is het gevolg van gebrek aan zulk leiderschap, wat de zoveelste onderzoekscommissie daar ook over gaat melden”, meent Ella Vogelaar (NRC, 19.6.09). Sinds enige tijd is het Grote Aanwijzen binnen de PvdA bezig: wie is de hoofddader in het verkiezingsdrama? Hoewel ook buitenlandse PvdA-equivalenten een flinke kaakslag kregen, schijnt het verlies kennelijk toch een lokale oorzaak te hebben.
Deze keer mocht Ella Vogelaar dus haar zegje doen (of, zoals boze tongen beweren, een openstaande rekening met Bos vereffenen).
Analyse. “…wat de zoveelste onderzoekscommissie daar ook over gaat melden…”? Het Grote Gelijk wordt hier wel erg snel geïncasseerd. Wat de argumenten van die club zijn, doet er dus niet meer toe. Vogelaars oordeel is geveld en daarmee is de zaak afgelsoten. Maar zijn er echt geen argumenten meer mogelijk?

Harde cijfers over explosieve groei van geweld (19/6)

In het rapport ‘Geweld tegen gezagsdragers’ van de Universiteit Utrecht staat dat “de ‘werkelijke’ aard en omvang van het probleem lastig hard te maken is; cijfers blijken niet eenduidig en de interpretaties van die verschillende cijfers strijden om voorgang. (…). De ernst van deze incidenten lijkt toe te nemen, aangezien het aantal incidenten met letselschade toeneemt. ” (p. 66)

In Elsevier stond het volgende:
Afgelopen maandag stelden onderzoekers van de Universiteit Utrecht al dat geweld tegen gezagsdragers in Utrecht steeds ernstigere vormen aanneemt. In 2007 werd 72 keer melding gemaakt van incidenten met letsel. In 2008 liep dit op tot 118.

In het NRC (15 juni 2009) stond het volgende:
Het aantal geweldsincidenten tegen gezagsdragers neemt niet noemenswaardig toe, maar de ernst ervan wel. Dat concluderen onderzoekers van de Universiteit Utrecht in een vandaag gepresenteerd rapport. In 2004 was in de regio Utrecht sprake van 104 incidenten, tegen 118 vorig jaar.

In Trouw (16 juni 2009) stond het volgende:
Uit cijfers van de politie blijkt dat er in 2008 118 keer melding werd gemaakt van een incident met letsel. In 2007 waren er 72 meldingen. Politieagenten liepen onder meer een gebroken neus, gescheurde kniebanden en een gebroken kuitbeen op tijdens hun werk. Bestrijding van excessieve incidenten moet voorrang krijgen, staat in het rapport.

In de Telegraaf (15 juni 2009) stond het volgende:
Het geweld tegen gezagsdragers in Utrecht wordt ernstiger. Dat stellen onderzoekers van de Universiteit Utrecht maandag in het rapport 'Geweld tegen gezagsdragers'. Gezagsdragers zijn politiemensen en politieke bestuurders.
Uit cijfers van de politie blijkt dat er in 2008 118 keer melding werd gemaakt van een incident met letsel. In 2007 waren er 72 meldingen. Volgens de onderzoekers wordt het geweld steeds heftiger. Politieagenten liepen bijvoorbeeld een gebroken neus, gescheurde kniebanden en een gebroken kuitbeen op tijdens hun werk.

Analyse. De nuances dat de ernst ‘lijkt’ toe te nemen en dat de ‘werkelijke’ aard en omvang van het probleem lastig hard te maken is, vinden we in geen enkel nieuwsbericht terug. Daarin worden de conclusies als eenduidig en helder gepresenteerd. Ten onrechte, zoals uit het rapport zelf blijkt.

Smalhout als pseudo-expert (18/6)

het boek van kennelijk vooraanstaande auteurs

Een heuse professor geeft in de krant van Wakker Nederland de PVV gelijk. De professor is Bob Smalhout en hij laat zijn licht schijnen over moslimmigratie. “Professor Bob Smalhout gaat in op de gevolgen van de massale migratie van moslims naar Europa. Hij betoogt dat het idee dat de islam in de westerse wereld gematigder zal worden, een illusie is. Het ziet er eerder naar uit dat onze maatschappij zich aan de islam gaat aanpassen”, weet de website van PVV te melden.
Dan de column ‘het voeden van een krokodil’. “Kort voor Pasen gaf de leider van de PVV, Geert Wilders, een gloednieuw boek cadeau aan de leden van de Tweede Kamer. Het was in het Engels geschreven door twee islamexperts. De titel luidde: ’Al-Hijra’ met als ondertitel ’Islamitische doctrine van immigratie’ (Pilcrow Press 2009). Dit lijkt voor de gemiddelde Nederlander geen tekst om wakker van te liggen. Maar de inhoud is uiterst onrustbarend.”
Het boek is geschreven door Sam Solomon en E. Al Maqdisi. Ze zijn volgens Smalhout vooraanstaande schrijvers en wetenschappers op het gebied van mensenrechten en de relaties tussen de joods-christelijke wereld en de islam.
Waarom is het boek zo belangrijk, fascinerend, verontrustend enz.? Eerst volgt een of ander historisch exposé: “Het Arabische Al-Hijra betekent ’immigratie’. Dat woord is bedacht door de stichter van de islam, de profeet Mohammed, in het jaar 622 A.D. Hij verhuisde toen van de stad Mekka naar de plaats Yathrib, die hij al spoedig herdoopte in ’Madinar Ul Nabi’, de stad van de profeet. De naam werd later afgekort tot Medina. Vanuit Medina ontwikkelde zich de toen nog gloednieuwe godsdienst de islam tot een zich pijlsnel verspreidende religie. Binnen zeer korte tijd waren bijna alle landen in het MiddenOosten, zoals Mesopotamië, Egypte, Libië, Palestina, Syrië en het Arabische schiereiland, onder islamitisch bewind gekomen. Later volgden grote landen zoals Maleisië, Afrika en Indonesië.”
De islam is volgens Smalhout niet alleen een godsdienst, zoals velen in West-Europa nog abusievelijk denken. “Het is een allesomvattend politiek systeem, verpakt in een religieus kleed dat alle aspecten van het menselijk leven tot in detail bepaalt. En zoals bij Mohammed de zegetocht van de islam is begonnen met zijn migratie naar Medina, zo dienen ook de moslims die migratie als voorbeeld en uitgangspunt te nemen voor de verspreiding van de islam over de rest van de wereld. Het ideaal is uiteindelijk het wereldkalifaat, een wereldomvattend politiek, sociaal en religieus systeem dat gebaseerd is op de Koran, de Soenah (het voorbeeld van Mohammed), de Hadith (de mondeling overgedragen tradities) en de Sharia (de islamitische wetgeving).”
Dat ideaal is nog steeds actueel, weet Smalhout en hij verwijst naar een rede van Khadaffi in 2006. Al die immigranten dienen volgens de Libiër kleine religieuze centra te stichten die uit kunnen groeien tot grote moskeeën van waaruit imams en ullahs (islamitische juristen) geleidelijk aan de Westerse samenleving dwingend kunnen gaan remodelleren. “Het grote gevaar in het Westen is ongelooflijke naïviteit, die geleid heeft tot een levensgevaarlijk cultuurrelativisme. Wij denken dat onze vrijheid van godsdienst, onze gelijkwaardigheid van beide geslachten en de scheiding van kerk en staat universele begrippen zijn. Maar dat is het niet in de islam. Wij zijn, als burgers van een joods-christelijke beschaving, in de ogen van de imams en de ullahs slechts inferieure wezens die in een islamitische staat altijd tweederangs burgers zullen blijven, de zogenaamde dhimmi’s.”
Dat gevaar geldt ook voor Nederland. In de jaren zestig liepen hier slechts enkele duizenden moslims rond, maar tegenwoordig zijn het er meer dan een miljoen. “Het idee dat de islam in de westerse wereld gematigder zal worden, is een illusie. Het ziet er eerder naar uit dat onze maatschappij zich aan de islam gaat aanpassen. Zo is sinds kort in Groot-Brittannië de islamitische rechtsspraak op basis van de Sharia wettelijk toegestaan. In Nederland hoeft een islamitische advocaat niet meer op te staan als de rechters de zaal betreden. Islamitische vrouwelijke verdachten hoeven in de rechtszaal hun allesbedekkende boerka niet meer af te leggen.”
Analyse. Smalhout beweert dat de twee auteurs "vooraanstaande schrijvers en wetenschappers" op het gebied van mensenrechten en de relaties tussen de joods-christelijke wereld en de islam zijn. Die bewering werd op het internet snel opgepikt en regelmatig keert deze kwalificatie terug. Maar kan Smalhout dat eigenlijk adequaat inschatten? Hij is medicus en beschikt niet over een expertise op het terrein van mensenrechten.
In een aantal standaardwerken over mensenrechten ben ik de namen van deze ‘vooraanstaande’ wetenschappers nergens tegengekomen. In een recente studie van de WRR over islamitisch activisme zoekt men eveneens vergeefs naar een referentie. Internet levert ook al geen bruikbare referenties op.
Een bezoek aan de site van de uitgever van het boek levert het volgende beeld op. Het fonds bestaat uit vijf boek / boekjes. Over de boodschap laat de uitgever geen enkel misverstand bestaan: “we specialize in literature that will educate and inform you of the issues we are facing in this day and age regarding Islamic threats to our nations.”
Het boek wordt op de site door drie mensen aanbevolen. Door Geert Wilders, door de directeur van het ‘Institute for the Study of Islam and Christianity’ en ook door een zekere N. Keas, een hoogleraar communicatie. Maar google levert geen hits op waar het “N. Keas” betreft, behoudens dan zijn aanbeveling van het bejubelde boek.
Smalhouts gebrek aan expertise over het onderwerp blijkt overigens ook uit de rest van zijn column. “Het grote gevaar in het Westen is ongelooflijke naïviteit, die geleid heeft tot een levensgevaarlijk cultuurrelativisme. Wij denken dat onze vrijheid van godsdienst, onze gelijkwaardigheid van beide geslachten en de scheiding van kerk en staat universele begrippen zijn.” Er is sprake van cultuurrelativisme en vervolgens blijken we volgens Smalhout tegelijkertijd van mening te zijn dat onze waarden en normen universeel zijn. Maar we kunnen niet tegelijkertijd relativist én universalist zijn.
Het begrip ‘joods-christelijke beschaving’ is overigens ook problematisch. Hebben onze waarden en normen een (exclusief) joods-christelijke achtergrond? Volgens de historicus Van de Doel is dat “evident onjuist, omdat we evenzeer op de schouders staan van Griekse filosofen en Romeinse juristen uit de oudheid, en Verlichtingsdenkers uit een recenter verleden. Vooral de laatsten hebben voor een belangrijk deel onze wijze van samenleven bepaald. De rechtstreekse invloed van het jodendom op onze waarden en normen is in vergelijking daarmee te verwaarlozen.”
Conclusie: Smalhout is in deze een pseudo-expert.

Ook opvallend. Vervolgens hebben verschillende bloggers en diverse reageerders het over de “vooraanstaande wetenschappers” of wordt de Smalhouts bewering van klakkeloos overgenomen. Zie: dutch.faithfreedom.org/forum/viewtopic; antivenin.blogspot.com/2009/04/het-voeden-van-een-krokodil.html; www.elsevier.nl/web/Nieuws/Europese-Unie/Tariq-Ramadan-moet-weg-van-Europese-lijsttrekkers.htm; www.wuz.nl/artikel/22036.Oneens%20Smalhout!.html; forum.groenlinks.nl/viewtopic.php?pid=56618; www.forum-voor-de-vrijheid.nl/showthread.php?p=62704; en www.pim-fortuyn.nl/pfforum/topic.asp?TOPIC_ID=51859&whichpage=3 –

Wynia en het meten met twee maten (17/6)

Geert Wilders wil alle criminele moslims en degenen die ‘nadenken’ over jihad en sharia wegsturen uit Europa. Wilders redeneert slordig en overdrijft. Van der Laan praat onzin. Althans, dat vindt Syp Wynia (Elsevier, 16.6.09).
Eerst Wilders. Hij zei op de Deense televisie dat alle criminele moslims en zij die ‘nadenken’ over het voeren van de jihad (de ‘heilige oorlog’) en invoering van het islamitische recht, de sharia, uit Europa moeten worden gezet. Aan hen moet de nationaliteit van landen als Denemarken en Nederland worden ontnomen.
“Wilders sprak zichzelf tegen”, meent Wynia. “Hij herhaalde dat het hem niet om de meerderheid van de moslims in Europa gaat, want die zouden volgens hem netjes hun best doen en de wetten respecteren. Tegelijkertijd schat hij het aantal moslims dat weg zouden moeten op ‘miljoenen, tientallen miljoenen’. Nu schat Wilders het aantal moslims in de Europese Unie op twintig miljoen en die in heel Europa op vijftig miljoen. Bij dat laatste aantal rekent hij kennelijk de moslims in niet-EU-landen op de Balkan en in de republieken van de voormalige Sovjet-Unie. Dat zijn echter zelden immigranten, laat staan met een dubbele nationaliteit.”
Ook wijst Wynia op het feit dat het afnemen van de nationaliteit van mensen die de staatsveiligheid bedreigen én over een dubbele nationaliteit beschikken, wettelijk al mogelijk is.
Dat ook mensen die ‘denken over’ jihad of sharia het land uitzetten, gaat Wynia te ver. “Dat impliceert het introduceren van een gedachtepolitie en dat is een middel dat erger is dan de kwaal. Wilders overdrijft verder niet zozeer de hoge misdaadcijfers, maar wel het aandeel van moslims in de totale misdaad. Hij redeneert en rekent slordig en daar maakt hij zich niet geloofwaardiger mee.”
Dan Van der Laan. Hij praat daarentegen onzin, stelt Wynia. “Van der Laan verslikt zich ook in de cijfers, door het aantal moslims in Europa te verwisselen met het aantal moslims in de Europese Unie. Volgens Van der Laan gaat het Wilders om de angst voor de islam, daarbij de mogelijkheid uitsluitend dat er gerechtvaardigde redenen zijn om de islamisering te vrezen.
Analyse. Eerst de cijfers. Volgens Wilders moeten er tientallen miljoenen weg uit Europa; volgens Van der Laan zijn er maar 20 miljoen moslims.
Beiden zitten er naast. De cijfers zijn niet eenduidig. Het aantal moslims in West-Europa ongeveer 17 miljoen. Volgens een andere bron wonen er in heel Europa ruim 53 miljoen moslims, van wie ongeveer 14 miljoen in de landen die tot de Europese Unie behoren. Die laatste groep bestaat grotendeels uit immigranten. Hoe dan ook, Van der Laan vergeet 30 miljoen moslims. Wilders wilt op zijn beurt meer moslims uitwijzen dan er aanwezig zijn met een dubbele nationaliteit. Op dit laatste doelde Van der Laan, maar in plaats van te spreken over West-Europa had hij het over Europa. Dat is onjuist.
Dan Wynia: hij meet met twee maten: Van der Laan praat “onzin”, maar Wilders redeneert slechts “slordig”.
Maar wat is nu het verschil tussen de bewering ‘in Europa wonen 20 miljoen moslims’ en ‘in Europa moet minimaal 130% van de moslims uitgewezen worden’? De tweede bewering is onzinnig (in de zin van onbegrijpelijk). Volgens Wynia is de eerste bewering onzin en de tweede bewering slechts slordig redeneren. De kwalificaties lijken me eerder een kwestie van retoriek.

Metro en de vliegtaks (16/6)

Vliegtaks werkt juist averechts
In de landen waar een vliegtaks is ingevoerd, hebben consumenten meer maling aan het milieu dan in andere landen. Alle ophef over het klimaat ten spijt, nemen Nederlanders en Denen geen vliegtuig minder. Slechts 16 procent van de Nederlanders zegt minder te vliegen vanwege het milieu.
(Metro, 11.6.09).

Pakkende kop.
De impliciete vooronderstelling van de kop is dat er een causaal verband bestaat tussen het bestaan van vliegtaks en het reisgedrag: als er een vliegtaks wordt ingevoerd, gaan mensen meer of verder vliegen.
De eerste zin helpt de lezer meteen uit de droom: “in de landen waar een vliegtaks is ingevoerd, hebben consumenten meer maling aan het milieu dan in andere landen.” Het causale verband kan uit deze zin niet meer worden afgeleid, want nu worden er enkel gesproken over twee variabelen: landen met vliegtaks en het reisgedrag van inwoners die wonen in een land waar de vliegtaks is ingevoerd. Het kan zijn dat er sprake is van een causaal verband, maar dat is niet met deze bewering geïmpliceerd. Dat mensen meer “maling hebben aan het milieu” kan bijvoorbeeld te maken hebben met een aversie tegen milieumaatregelen. Er staat in elk geval niet dat mensen meer of verder gaan vliegen vanwege de vliegtaks.
De tweede zin maakt duidelijk dat Nederlanders niet meer, maar ook niet minder zijn gaan vliegen. “Alle ophef over het klimaat ten spijt, nemen Nederlanders en Denen geen vliegtuig minder.” Kennelijk werkt de vliegtaks niet averechts in die zin dat mensen meer gaan vliegen. Maar misschien wilde de journalist enkel een beetje variëren met zijn zinnen.
Dat blijkt niet uit de de derde zin. Het bericht neemt namelijk een heel andere wending. “Slechts 16 procent van de Nederlanders zegt minder te vliegen vanwege het milieu.” Verrassend, want in de tweede zin stond dat Nederlanders ondanks alle ophef “geen vliegtuig minder nemen”. Nu blijkt dat een op de zes Nederlanders vanwege het milieu minder vliegt.

Bosma over het demoniseren van De Beus (15/6)

“De hooggeleerde professor demoniseert”, meent PVV-Kamerlid Bosma. De boodschap van Jos de Beus, hoogleraar politieke theorie (UvA), in het tv-programma Buitenhof, is Bosma in het verkeerde keelgat geschoten.
“Er staan onwaarheden in het verhaal. Zo schrijft de man dat de PVV kritische journalisten bedreigt met geweld. En dat wij niet trots zouden zijn op iemand die is gesneuveld in Uruzgan. Bizarre teksten. Beide niet waar.”
Het demoniseren is op zich niets nieuws, meent het PVV-Kamerlid. “De leugens over de PVV vliegen je in de media om de oren. Wat wel schokkend is, is de ondertekening van het artikel in de Volkskrant. De krant gunt deze man een aura van onafhankelijkheid en neutraliteit met onder het stuk: 'hoogleraar politieke theorie'. Als die functie de drijfveer was geweest van zijn epistel, was hij wel met een onderzoeksvoorstel gekomen. En had hij wel voetnoten gebruikt om zijn twee meest bizarre claims te verantwoorden: de waanzinnige mededeling dat de PVV journalisten bedreigt en niet trots is op omgekomen soldaten.”
De Beus heeft nog meer op zijn kerfstok. “Wat hij verzwijgt, is de ware reden van zijn hysterische tirade: hij is de ideoloog van de PvdA! Hij schreef zelfs het verkiezingsprogramma van die partij en selecteerde kandidaten. De Beus is niet een neutrale waarnemer, nee, hij is dus een van de veroorzakers van de problemen waar Nederland zo zijn buik vol van heeft. Hij en zijn PvdA-vriendjes hebben de verpaupering en islamisering zelf georganiseerd. Willens en wetens. En ze zijn er nog trots op ook. Door een miljoen moslims naar Nederland te halen, menen zij hun vermeende morele superioriteit te bewijzen. Zij zijn geen racistische tokkies, maar kosmopolieten, vrijzinnigen en grote denkers die recht hebben op een standbeeld - vinden ze zelf.”
De Beus staat model voor alles wat links is: “de linkse kerk heeft niets meer.”
Analyse. Een merkwaardig artikel. We zullen de claims één voor één bespreken.
1. “En dat wij niet trots zouden zijn op iemand die is gesneuveld in Uruzgan.”
Onwaar, meent Bosma. Brinkman (PVV) kreeg bij Pauw & Witteman (17:50) de vraag voorgelegd of hij een gesneuvelde Nederlandse militair met een moslimachtergrond, die zijn leven in Afghanistan heeft gegeven, liever niet in het leger zag. Zijn antwoord was helder: “hij heeft een dubbele nationaliteit en daar zijn we tegen”. Wittemans tegenwerping - “hij is bereid zijn leven te geven” – bracht Brinkman niet op andere gedachten.
Of De Beus hieraan dacht bij zijn opmerking, weet ik niet.
2. “Het demoniseren is op zich niets nieuws”.
Dat is een mythe die in de Volkskrant al eerder door Martin Sommer, redacteur van de Volkskrant, werd verkondigd: “Er gaat geen opiniestuk voorbij of Wilders wordt afgeschilderd als idioot, krankzinnig of ontoerekeningsvatbaar” beweerde hij (4.4.08). Aantoonbaar onjuist. Ooit werd Wilders in een hoofdredactioneel commentaar ‘verminderd toerekeningsvatbaar’ genoemd (inderdaad dezelfde Wilders van ‘knettergek’, ‘beroepslafaard’, ‘draaikonten’ etc.).
Maar welk beeld komen we verder in deze krant tegen? In de periode juli 2008 tot december 2008 verschenen er in deze krant ruim 146 artikelen over hem, maar van een of andere sneer was zelden of nooit sprake. In de journalistieke bijdragen was geen morele veroordeling te vinden, maar wel konden dat Geert Wilders, “als PVV-leider toch niet vies van een aanvalletje op het establishment, statesmanlike Bos ruim baan” geboden had om in de kredietcrisis zijn beleid te maken.
In de opiniebijdragen in deze krant is het beeld van en over Wilders zelfs duidelijk positief. Boutellier, directeur van het Verwey-Jonker Instituut: “Hij verwijst naar een reële mogelijkheid van haat, blind geweld of weldoordachte terreur tegen de westerse decadentie”. Marcouch: Wilders' angst reëel is. Het leek als Marcouch in bescherming wilde nemen, schreef arabist Admiraal later. En ook Martin Bril wilde wel kwijt dat Wilders een (of ander) punt had.
En in de affaire over het gesprek met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) koos Fenema, hoogleraar etnische verhoudingen, onomwonden partij voor Wilders: hij is “door het kabinet belazerd”. Columniste Nausicaa Marbe deed er nog een schepje bovenop: Wilders is betrouwbaarder dan Balkenende en “is altijd ad rem”. En de psycholoog Moorkamp wist bijna een jaar geleden te vertellen dat een aantal opinieleiders het wel degelijk eens is met de standpunten van de PVV. Zij komen daar alleen niet voor uit omdat ze bang zijn voor hun reputatie, aldus Moorkamp.
Dat Wilders een eeuwenoude traditie van tolerantie om zeep hebben geholpen, werd door hoogleraar Mijnhardt grondig onderuitgehaald in een interview in de Volkskrant.
Ook in andere kranten komt Wilders er bepaald niet slecht vanaf. Politicoloog Krouwel (VU) meent dat hij echt op alle fronten wint en er voortdurend in slaagt de hele pers achter zich aan te krijgen (Trouw). Hij roemt hem om zijn moed. “Het lukt de gevestigde partijen niet om Wilders ook maar één moment aan het wankelen te krijgen.” Linschoten (VVD) was niet te beroerd om zijn oud-fractiegenoot in het NRC nog even door het slijk halen, maar één ding bleef overeind: “Wilders is slim”. Staal en Stokmans (NRC): Wilders oogst tegenstanders bewondering oogst voor zijn politieke talent om de aandacht te trekken. Elsevier-hoogleraar Ellian: “Wilders is een echte democraat”. Hoogleraar Rob van Wijk (Trouw): (tot voor kort) dacht hij dat Wilders een slimme politicus was. Bas Heijne, toch niet echt een Wildersadept, over Wilders obsessie met de islam: het “geeft hem nog geen ongelijk.” Zelfs in het buitenland - bijv. Doornhaert in de Standaard - werd er nog een lansje voor hem gebroken.
De hoeveelheid onbeschofte bejegeningen jegens Wilders, die Zwagerman in zijn pamflet (Hitler in de polder) kon oprakelen, weegt absoluut niet op tegen de bovenstaande lofuitingen.
Uiteraard waren er ook negatieve kwalificaties, maar die zijn niet exclusief gereserveerd voor de PVV. Neem bijvoorbeeld Wouter Bos: zijn gedrag duidt op het borderlinersyndroom (Tonkens); hij geeft “expliciet de voorkeur aan een middelmaat van een nog iets lager gehalte” (Fresco).
3. De Beus “is de ideoloog van de PvdA”.
Bij de laatste verkiezingen stemde De Beus CDA. Weliswaar een proteststem, maar toch.
4. “Hij en zijn PvdA-vriendjes hebben de verpaupering en islamisering zelf georganiseerd. Willens en wetens. En ze zijn er nog trots op ook.”
Was De Beus ooit minister van iets?
5. De Beus onderbouwt zijn bewering niet.
Een column is geen wetenschappelijk betoog. Los daarvan zou Bosma naar zijn eigen maatstaven gemeten zijn bewering dat de media de PVV altijd al demoniseren, ook moeten onderbouwen (zie punt 2). (Strikt genomen hoeft ook Bosma dat niet; dat wordt anders als hij die onderbouwing desgevraagd weigert te geven.)

Kortom, een merkwaardig betoog.

Heertje en het intellectuele tekort (14/6)

“In elke wetenschap steken warhoofden soms de kop op”, ment voormalig hoogleraar Arnold Heertje (RTLz). “De economie is op die regel geen uitzondering. Meestal gaat het om mensen die moeite hebben met een consistente, heldere redenering en met uitgangspunten van het vakgebied.” Dit keer is Jeroen Hinloopen het mikpunt van Heertje.
Hinloopen wordt weggezet als een docent economie aan de lerarenopleiding van de Universiteit van Amsterdam, die de bekentenis zou hebben gedaan dat hij geen idee heeft wat met welvaart wordt bedoeld.
Analyse. Dat Hinloopen hoogleraar is, vermeldt Heertje niet. Maar belangrijker is het gegeven dat iedereen die een standpunt verkondigt dat haaks staat op dat van Heertje, per definitie een warhoofd is of een enorm intellectueel tekort vertoont. Daarmee is zijn kritiek verworden tot een retorisch kunstje.

Vooral PvdA'ers zijn zakkenvullers (13/6)

“Het zijn veelal PvdA’ers die niet terugdeinzen voor zakkenvullerij en hun almacht in toezichthoudende functies verwaarlozen”, aldus Wynia (Elsevier, 12.6.09). Het bewijs voor deze stelling, zo blijkt uit de hyperlink, vormt de zaak-Herfkens.
Analyse. Eén voorbeeld als bewijs voor de stelling dat het veelal PvdA’ers zakkenvullers zijn, is erg mager.
Wat kwam er de afgelopen periode zoal in het nieuws? De bonussen die ING na de overheidssteun bleef uitkeren, kwamen (lijkt me) niet op de bankrekeningen van PvdA’ers terecht; Borghouts (Groenlinks) kwam onder vuur vanwege zijn rol bij de Icesave-affaire; Brinkman (CDA), met meer dan 30 commissariaten, faalde blijkens het rapport van de CSZ bij het toezicht van zorgorganisatie Phliladelphia.
De Volkskrant wist te melden dat vijftien bankiers bij zes banken in 2008 samen 32 miljoen euro aan vertrekpremies incasserden. 150 andere grote Nederlandse ondernemingen gaven samen nog eens 18 miljoen euro uit aan vertrekbonussen uit. Allemaal PvdA’ers?
Van Leeuwen (PvdA) kreeg bij zijn vertrek 1 miljoen euro mee op het moment dat Aedes, waar hij de scepter zwaaide, drie miljoen verlies leed. De econoom Kalshoven maakt daarbij de volgende aantekening. Van Leeuwen is op het moment van ontslag 55 jaar. Uitgaande van een brutomaandsalaris van 15.000 en een relevant arbeidsverleden van 27 jaar, komt zijn ontslagvergoeding naar op 550.000 (kantonrechtersformule voor 1 januari 2009) of 427.500 euro (kantonrechtersformule na 1 januari 2009). Daarnaast heeft Van Leeuwen een opzegtermijn voor de werkgever van een jaar. Da's dus nog eens 180.000 euro. Verder is er een reservering voor het pensioen die, door het vroegtijdige vertrek, bij de vertrekregeling wordt meegerekend. Da's nog een paar ton. Alles bij elkaar opgeteld, is dat al gauw een bedrag van pakweg 1.000.000 euro.
(Het kabinet legt juni 2009 de financiële mogelijkheden van woningcorporaties aan banden. Over het PvdA-gehalte van die corporaties kan ik niets vinden.)
Kortom, Wynia zal toch echt meer bewijs moeten leveren voor zijn bewering.

Plasterk over de verkiezingsnederlaag van de PvdA (12/6)

De nederlaag van de PvdA houdt ook minister Ronald Plasterk bezig. De politicus die ooit zijn hoogleraarschap voor een ministerspost verruilde, meent dat de PvdA te veel hoogopgeleiden heeft. Daardoor is de afstand tot bepaalde wijken te groot geworden.
Analyse. De grote winnaar van de verkiezingen is de PVV. In deze negenkoppige fractie zitten vier academici, twee lieden die hun academische studie niet hebben afgemaakt, twee hbo’ers en één havist, die een makelaarsdiploma heeft. Je kan dus moeilijk volhouden dat de PVV-fractie niet uit hoger opgeleiden bestaat.

Fresco over zakkenvullende en domme politici (11/6)

“Wat is er toch mis is met de politiek” wil univeristeitshoogleraar Louise Fresco weten (NRC, 9.6.09). Waarom lijkt de politiek steeds minder vaak verstandige mensen van een moreel hoogstaand kaliber aan te trekken die durven te zeggen waar het op staat en waar het om gaat?
“Middelmatigheid voert de lijst aan, en de leiders lijken als de dood om zich te omringen met vazallen die meer getalenteerd zijn dan zijzelf. Daarmee geven zij expliciet de voorkeur aan een middelmaat van een nog iets lager gehalte – alleen zo kan de keuze van Wouter Bos voor Mariëtte Hamer in plaats van Diederik Samsom worden verklaard. Hierdoor ontstaat een neerwaartse spiraal waardoor steeds minder mensen met leiderschapscapaciteiten zich aangetrokken voelen tot het politieke bedrijf.”
“Veel politici lijken verlamd door de angst voor echte keuzes, door het halfslachtige compromis en de kortzichtigheid. Ze verbieden zichzelf om verder te kijken dan de waan van de dag en de waan van een opkomend nationalisme en populisme." En waar visie ontbreekt, zo doceert Fresco, biedt de verslaving aan discussies over onbetekenende details een riante uitkomst.
“Middelmatigheid en misplaatste zelfoverschatting zijn maar een deel van de verklaring. We zien vooral een totaal gebrek aan betrokkenheid bij het grotere geheel en verantwoordelijkheidsgevoel voor de publieke zaak. Terwijl politici zijn gekozen om collectief het landsbelang te dienen, laten ze zich maar al te makkelijk leiden door eigenbelang en kortzichtigheid.” Moed en eerlijkheid ontbreken in alle gevallen.
“Geen wonder dat een dergelijke houding van politici doorsijpelt naar het leven van alle dag. Het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel weerspiegelt zich in de onbeschoftheid waarmee men elkaar bij tijden in het verkeer bejegent, in de mentaliteit van profiteren en graaien, tot in het willekeurig vuilnis achterlaten op straat. Geen wonder dat de bevolking zich niet interesseert voor de inhoud van het beleid over de koers van het land, maar zich verstrooit met oppervlakkig geroddel over zoenende sterretjes in parkeergarages, waarover diezelfde politici zich dan weer menen uit te moeten laten. Want ja, je moet toch vooral populair blijven en het niet te moeilijk maken.”
De lage opkomst bij de Europese verkiezingen bewijst volgens Fresco dat de uitkomst niet een motie van wantrouwen aan zittende regeringen is, maar een motie van wantrouwen aan de politiek als geheel. “Het lijkt erop alsof in Nederland en in Europa een monsterlijk verbond is gesloten tussen politiek en media om ons de zaken zo simplistisch mogelijk voor te stellen en ons in slaap te sussen. Het is een pervers verbond waarin moedige keuzes door de politiek vermeden worden en waarin degene die zich plooit naar de bangelijke oekazes van het partijkader het meest populair wordt, zodat er van gezamenlijke verantwoordelijkheid en visie geen sprake is.”
Het dan ook geen wonder dat in deze situatie “de koning van het zwart-witdenken”, Geert Wilders, net als zijn politieke soortgenoten elders in Europa, heeft de stemmen voor het oprapen. “Als het toch nergens over gaat in de politiek, dan spreekt de emotie.”
Analyse. De column van Fresco bevat een bonte mix van drogredenen. Zij lanceert een persoonlijke aanval op Bos: deze middelmatige politicus verkoos Hamers boven Samson omdat hij de voorkeur geeft aan een middelmaat van een nog iets lager gehalte dan aan talent. Sowieso deugt er niets aan de politici: het ontbreekt hen aan moed en eerlijkheid en ze laten zich leiden door eigenbelang en kortzichtigheid.
Er zijn steeds minder verstandige politici van een moreel hoogstaand kaliber en steeds meer laffe en oneerlijke politici. Verder constateert Fresco onbeschoftheid, graaigedrag en politieke desinteresse bij burgers en concludeert in een en dezelfde beweging dat politici daar de schuld van zijn. Na elkaar, dus door elkaar.
De lage opkomst voor de Europese verkiezingen is volgens Fresco een motie van wantrouwen voor alle politici. Dat dit moeilijk valt te rijmen met de ruime zege voor Wilders en met het gegeven dat de opkomst voor Europese verkiezingen al jaren laag is en ook al jaren aan het dalen is, deert Fresco niet.
Ook schuwt Fresco vaag taalgebruik niet: “veel politici lijken verlamd door de angst voor echte keuzes, door het halfslachtige compromis en de kortzichtigheid.” Veel? Lijken? Dus niet echt? Even verderop in haar column blijken alle politici laf en oneerlijk te zijn.
(Buiten het kader van deze site: Fresco’s verwijt dat de politici zich schuldig maken aan het populisme, komt in deze column wat ‘vreemd’ over.)

NRC en de dalende kwaliteit van het onderwijs (10/6)

Onderwijs toen het nog degelijk was?

“Het valt moeilijk tegen te spreken dat de kennis van de Nederlandse taal bij leerlingen in het voortgezet onderwijs is achteruitgegaan en daarmee hun vermogen om correct te schrijven en te spellen”, aldus het commentaar in het NRC (8.6.09).
Analyse. Het ‘moeilijk tegen te spreken’ is een vorm van het ontduiken van de bewijslast. Wie stelt, moet bewijzen. Maar de redactie van het NRC volstaat met een enkele opmerking dat het moeilijk tegen te spreken is. Bewezen wordt hiermee niets.
Bovendien is het wel degelijk tegen te spreken.
Sinds de laatste twee spellingwijzigingen (1995 en 2005) is de Nederlandse spelling er niet logischer op is geworden. Voor spelling gelden twee logische principes: fonologie, in de zin van schrijven wat je hoort, en morfologie, in de zin van zorgen voor een constant woordbeeld. Vanwege de morfologie houden we vast aan de ‘d’ in hond omdat de meervoudsvorm ‘honden’ is.
Maar in de nieuwste regeling is de etymologie, het kiezen van een spelling op grond van de herkomst van woorden, veel belangrijker geworden. En soms werd voor een fonologische, dan weer voor een morfologisch uitgangspunt gekozen. Maar die gulden middenweg valt niet meer uit te leggen. Bovendien zijn er ook veel details vastgelegd. Het gevolg is dat door die regeldrift de Nederlandse spelling het karakter heeft van een opzoekspelletje. De belangrijkste eis is volgens haar dat je spellingregels moet kunnen uitleggen. Bij de laatste twee wijzigingen is daar te weinig rekening mee gehouden.
Als de spelling dankzij de hervormingen in 1995 en 2005 inderdaad moeilijker is geworden, dan kunnen de lagere prestaties ook te wijten zijn aan het eenvoudige feit dat de spelling moeilijker is geworden.
Maar ook toen de spelling nog niet werd veranderd, gingen leerlingen steeds slechter spellen. Dat was althans de conclusie van een Nederlandse onderzoeker die in 1956 op dit onderwerp promoveerde. Hij constateerde dat schoolkinderen buitengewoon veel spellingsfouten maakten. Die fouten kon men niet bijschrijven op het conto van de spellingshervorming in 1955.
De taalhistoricus Van der Horst (2008) doet in dit verband een interessante observatie, namelijk dat ook in Duitsland, Frankrijk en Engeland leerlingen steeds slechter gaan spellen. Zo liet men Franse leerlingen in 1970 en 1971 een dictee maken dat men eerder had gebruikt in 1950 en 1951. De uitslag was verrassend. Leerlingen die in 1950 en 1951 het dictee hadden gemaakt, hadden een voldoende: in 1950 had 44 van 59 leerlingen het dictee goed gemaakt. In 1970 en 1971 lagen de cijfers heel anders. In 1970 haalden slechts 28 van de 84 leerlingen een voldoende voor het dictee en in 1971 was het resultaat nog slechter: 25 van de 98 leerlingen. De onderzoekers Désirat en Hordé spraken dan ook van een spellingscrisis.
Maar volgens Van der Horst heeft het slechte spellen te maken met het feit de taalnorm, die in de renaissance dominant werd, maar die nu tanende is. Hij stelt dat onze ideeën over taal, spelling, grammatica en taalonderwijs in de Renaissance zijn ontstaan. Die taalcultuur loopt op een einde en dat proces is in de vorige eeuw, zo rond 1970, al begonnen.
Hoewel men rond 1300 de eerste manifestaties van de taalcultuur van de Renaissance in Italië bij Dante kan waarnemen, komt die taalcultuur pas in de zestiende eeuw volledig tot ontplooiing. In die cultuur gaat men veel belang hechten aan de volkstaal. Deze wordt gezien als de eigen taal en men gaat die gebruiken in situaties waar eerder alleen Latijn werd gebruikt. Bovendien wordt die eigen taal voorzien van regels en normen voor het correcte taalgebruik. Het streven is variatie en onduidelijkheden in de taal uit te sluiten.
In de periode 1600-1860 komt de renaissance tot volle bloei. De geschreven taal wordt het uitgangspunt en de standaardtaal, de taal die wordt gebruikt door het schrijvende deel van de bevolking, is strikt gebonden aan de normen en regels. Men wil daarmee de eigen taal zuiver houden en voorkomen dat ze zou verloederen. Bovendien wordt taal zo een nationale aangelegenheid. Ook de norm wordt steeds strakker.
Maar na 1860 zien we steeds meer tekenen dat de gesproken taal weer belangrijker wordt. Die tendens wordt in de twintigste eeuw alleen maar sterker.
Van der Horst verduidelijkt zijn stelling onder meer aan de hand van de ontwikkeling van het Algemeen Beschaafd Nederlands. Dat bestaat nog maar net honderd jaar. Het werd zo rond 1900 gesproken door twee à drie procent van de bevolking, de maatschappelijke elite. Het ABN van de elite functioneerde als een onderscheidingsmiddel. Na 1920 voltrekken zich volgens Van der Horst een grote politieke, sociale en demografische veranderingen (leerplicht, het algemeen kiesrecht, radio, telefoon, toename mobiliteit). Dit alles heeft vérstrekkende gevolgen voor de taal. ABN wordt de toegangspoort tot sociale vooruitgang. Iedereen (middenstanders, arbeiders, dialectsprekers) gaat in toenemende mate beschaafd – lees ABN - praten. De taalnorm wordt steeds strenger en eenduidig. Zo rond 1970 wordt het ABN door veertig à vijftig procent gesproken. Het ABN wordt een middel voor sociale vooruitgang. “Eerst netjes praten, en dan krijg je ook wel een groot huis, een auto, een dienstbode”. Dat is geen illusie; het heeft volgens VAN der Horst voor velen ook echt zo gewerkt. Generatie na generatie klimt op, op de maatschappelijke ladder.
Maar vanaf ongeveer 1970 verandert er iets: er is sprake van voortgaande democratisering van de samenleving, en van het onderwijs, van toegenomen welvaart en mobiliteit. En – in dit verband wellicht nog belangrijker – ook de mondigheid neemt toe. Maar de verdere opmars van het ABN, zo stelt Van der Horst, hapert. “Zo succesvol als het ABN tot 1970 was geweest - steeds meer sprekers, een steeds eenduidiger norm - zo miserabel gaat het ermee na 1970. De eenduidige norm is weg, of eigenlijk: er zijn nu verschillende normen naast elkaar. Misschien is het aantal sprekers van het ABN vergeleken met 1950 niet eens erg afgenomen. Alleen, die andere zestig procent, die vroeger zweeg in het openbare leven, zwijgt niet langer. Die kun je nu ook dagelijks op tv horen, in de politiek, in de scholen en in de universiteiten.” Democratisering, zo stelt hij, is hoorbaar.
Bovendien is het prestatieniveau ook nauwelijks adequaat in te schatten. Het probleem is de norm waaraan de prestaties van leerlingen worden afgemeten. Die wordt bepaald door deskundigen die ‘ter zake kundig’ zijn. Maar aan het vermogen van deskundigen om de moeilijkheid van toetsopgaven adequaat in te schatten, ontbreekt veel, stelt de Groningse taalkundige De Glopper.
Kortom, de redactie van het NRC maakt het zich wel heel erg gemakkelijk door te stellen dat het moeilijk tegen te spreken is dat het taalniveau daalt.

Opstelten en Van Baalen over de ontkenning van de Holocaust (9/6)

Opstelten, voorzitter van de VVD: “Je moet ver blijven van een discussie over de Holocaust. Het is gewoon strafbaar.” "Ik zal er in mijn partij alles aan doen om het ontkennen van de Holocaust strafbaar te laten blijven," aldus de VVD-er Van Baalen.
Analyse. Het hof heeft zich in 1995 uitgesproken over een zaak waarin iemand (een zekere Verbeke) pamfletten had verspreid waarin de Holocaust werd ontkend (NJ 1995/663). De vraag die centraal stond was of in de ontkenning van de Holocaust het recht van vrije meningsuiting zwaarder weegt dan het recht om niet te worden gediscrimineerd of beledigd. Het hof achtte niet aannemelijk dat de inhoud van de pamfletten waarin de Holocaust ontkend werd, discriminerend was wegens strijd met art. 137c, 137d of 137e lid 1 sub 1° en 2° Sr. Wel oordeelde het hof dat de pamfletten kwetsend en nodeloos grievend voor allen die in de Nazitijd van Duitse zijde zijn vervolgd en dat de verspreider ernstig tekortgeschoten was in de vereiste zorgvuldigheid jegens de toen vervolgden en hun nabestaanden door de wijze waarop hij zijn visie wereldkundig heeft gemaakt.In rechtsoverweging 10 oordeelt het hof “dat CIDI c.s. niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de inhoud van de pamfletten valt binnen de omschrijving van de zojuist genoemde bepalingen. Hierom is dus ook niet, voor zover in het raam van een kort geding vereist, aannemelijk geworden dat verspreiding van de pamfletten in strijd is met letter of geest van artikel 137c, 137d of 137e van het Wetboek van Strafrecht. Weliswaar wordt in de pamfletten alleen van de uitroeiing van Joden gerept, met voorbijgaan aan de vele anderen die zijn vermoord, maar een belediging, in de strikte zin van het woord, van Joden vindt het hof dat niet. Om dit aan de hand van een voorbeeld te verduidelijken: in de stelling dat de Joden geen enkele weerstand hebben geboden wordt weliswaar zonder argument stilzwijgend de opstand in het ghetto van Warschau geloochend, maar beledigend is dat op zichzelf niet, ongeacht of de bewering voortkomt uit onwetendheid, uit kwade trouw of uit iets anders.
11. Wel oordeelt het hof de pamfletten kwetsend en nodeloos grievend voor allen die in de Nazitijd van Duitse zijde zijn vervolgd, in het bijzonder voor hen die de verschrikkingen in concentratie- en vernietigingskampen hebben meegemaakt, en voor allen die slachtoffers uit die kampen van nabij kennen of hebben gekend.
12. Verbeke bestrijdt de juistheid van de gangbare geschiedschrijving met enkele, overigens betwiste, stellingen over details. In de wijze waarop hij zijn visie wereldkundig maakt behoort hij echter op zijn minst zorgvuldigheid in acht te nemen jegens de toen vervolgden en jegens de nabestaanden van vervolgden. De door hem erkende verschrikkingen in de Duitse kampen in de Nazitijd hadden hem tot extra zorgvuldigheid moeten aanzetten, want hij moest begrijpen dat die verschrikkingen lang en diep nawerken op overlevende slachtoffers en op degenen die de slachtoffers na staan. Verbeke heeft gezegd te betreuren dat de pamfletten ongevraagd in brievenbussen zijn terecht gekomen. Hij verwacht dat de pamfletten zijn zienswijze verspreiden en hem geld opbrengen. Het hof ziet hierin geen goede reden om onzorgvuldig te zijn jegens anderen.
13. In de vereiste zorgvuldigheid is Verbeke ernstig tekort geschoten: in het pamflet over Leuchter geldt dit naar het oordeel van het hof vooral voor de kop, voor de woorden "eerste wetenschappelijk objectieve rapport" in de regel daaronder en voor de woorden in de voetregel "vernietigt de Holocaust-theorie". In beide pamfletten over de zes miljoen geldt dit naar 's hofs oordeel voor punt 7, voor het woord zwendel in punt 44 en voor het woord Holocaustsupporters in punt 46. Ook overigens beoordeelt het hof punt 46 als grievend, maar bij deze uitlating over tegenwoordige toestanden weegt de vrijheid van meningsuiting zo zwaar dat het hof hieraan voorbij gaat.
14. In de pamfletten kwetst en grieft Verbeke anderen. Ook zonder zich kwetsend of grievend uit te laten had hij zijn mening volledig naar buiten kunnen brengen. Zo misbruikt hij de vrijheid van meningsuiting. Dit alles brengt mee dat CIDI c.s. een spoedeisend belang hebben te eisen dat aan het kwetsen en grieven een eind wordt gemaakt. Het opgelegde verspreidingsverbod is duidelijk genoeg en voldoende beperkt.
15. Het tweede gevorderde verbod behoeft wel een beperking. Zoals het hof heeft overwogen is er grond voor een verbod van uitlatingen die kwetsend of onnodig grievend zijn jegens slachtoffers van de Duitse vervolging in de Nazitijd, de jaren 1933-1945, en jegens nabestaanden van allen die in die jaren van Duitse zijde zijn vervolgd. In hun eis hebben CIDI c.s. - wat hun vrijstond - van deze betrokkenen slechts de groep van Joden en aanhangers van het Joodse geloof genoemd. Anderzijds beperken zij de groep niet tot vervolgden en nabestaanden van vervolgden. Voor een verbod dat zo ruim en algemeen luidt dat daarmee aan de groep betrokkenen anderen worden toegevoegd is evenwel geen plaats, omdat in dit kort geding geen uitlatingen aannemelijk zijn geworden die kwetsend of nodeloos grievend zijn jegens andere Joden of andere aanhangers van het Joodse geloof dan deze vervolgingsslachtoffers en nabestaanden van vervolgingsslachtoffers."
Opstelten en Van Baalen hebben dus ongelijk dat Holocaustontkenning strafbaar is. Het ging om de - onzorgvuldige - wijze van verspreiding.

Ellian en het vertekenen (8/6)

Eduard Bomhoff, oud-LPF-minister en oud-PvdA'er, gaf in NRC een portret van Fortuyn: “Fortuyn kritiseerde de ‘achterlijke cultuur’ van veel immigranten, maar volhardde tevens in zijn forse kritiek op minister Borst van Volksgezondheid, slappe wethouders in de grote steden, de regentencultuur in Den Haag en de politisering van de ambtenarij, waar het lidmaatschap van een van de paarse partijen noodzakelijk was wilde men promotie maken richting ambtelijke top. Wilders heeft één unique selling point: weg met het heilige boek en de profeet van de moslims.”
Bomhoff, zo weet de Leidse hoogleraar Ellian te melden, “weet donders goed wie over de islam begon in Nederland: Pim Fortuyn. Zelfs het woord 'islamisering' is bedacht door Fortuyn: 'Tegen de islamisering van onze cultuur' (1997). Fortuyn, en niet Wilders, stond aan de wieg van de kritiek op de islam. Weet Bomhoff dit niet?”
Analyse. Beide beweringen zijn onjuist. Het was niet Fortuyn, maar Bolkestein die in 1991 de rol van islam in het integratiedebat bekritiseerde.
Dat Fortuyn het woord ‘islamisering’ heeft bedacht, is eveneens onzin. Prof. Koningsveld bekritiseerde Bolkestein in 1992: “Maar het is werkelijk te onzinnig voor woorden om bang te zijn voor een islamisering van Nederland.”

Ellian en zijn aversie tegen links (7/6)

De linkse politieke partijen hebben Geert Wilders uitgesloten van het landsbestuur, beweert de Leidse hoogleraar Ellian (Elsevier). Dat blijkt uit het gegeven dat zij niet willen met Wilders regeren.
Analyse. De vooronderstelling is dat de linkse politieke partijen bepalen via gaat regeren. Die vooronderstelling is onzinnig. De uitspraak 'A wil niet met B in één regering' impliceert niet dat B dus niet kan regeren. De politieke barometer laat ten tijde van het verschijnen van Ellians column zien dat de de combinatie PvdA/SP/GroenLinks/D66 slechts op 62 zetels kan rekenen. Een centrum-rechtse regering kan rekenen op 82 zetels.

Thyssen versus Somers (6/5)

‘Open VLD heeft elke dag een andere kandidaat’, kopte de Standaard (5.6.09). De sneer was afkomstig van Marianne Thyssen, voorzitster van het Vlaamse CDA, het CD&V. Ze reageerde daarmee op de opmerking van Bart Somers, de fractieleider van de Open VLD (Vlaamse VVD), die meende dat de huidige ministerpresident van Vlaanderen, Kris Peeters, niet de juiste man op de juiste plek is.
“Wij hebben in het begin van de campagne al gevraagd wie ze naar voren schuiven, maar lang kregen we geen antwoord”, aldus Thyssen. “Daarna leek het erop alsof Bart Somers zelf de uitdager was, en nu is het Dirk Van Mechelen. Bij Open VLD hebben ze schijnbaar elke week een andere kandidaat.”
Analyse. Sterke retoriek van Thyssen? Niet echt. Wil een retorische opmerking effect sorteren, dan dient er wel een anker, een link met de realiteit, te zijn. In het geval van de opmerking van Thyssen is dat anker erg klein. Welgeteld is er van de zijde van de Open VLD slechts één concrete naam genoemd en dat is die van Van Mechelen (Open VLD). Een verrassende keuze is dat niet vanwege het feit dat hij de huidige vice-minister-president in het Vlaamse parlement is.
De Standaard ging nog een stapje verder door de ‘elke week’ te verbasteren tot ‘elke dag’.

Etty over Rutte (5/6)

In het kader van de Europese verkiezingen toonde de rechts-extreme Nationale Partij in Tsjechië een tv-spotje met kinderrijke zigeunergezinnen en teksten als ‘uw belastingen, hun toekomst!’ en ‘Weg met de parasieten!’. Dit mondde volgens NRC-columniste Etty uit in een pleidooi voor de ‘eindoplossing’ van dit vraagstuk, de Endlösung (NRC, 2.6.09).
“Men onderzoekt nu in Tsjechië de mogelijkheid tot een verbod van die partij. Aan de VVD de vraag of zij het omstreden tv-spotje wil opnemen in haar ‘vrijdenkersruimte’ in de Tweede Kamer, samen met de Holocaustontkenning van bisschop Williams.”
Analyse. De vrijheid van meningsuiting moet in de ogen van Rutte en Nicolaï worden beperkt als er sprake is van geweld. De makers van dat spotje, zoals Etty het beschrijft, lijken dat geweld wel degelijk te beogen. De retorische vraag van Etty of de VVD het omstreden spotje op te nemen in de ‘vrijdenkersruimte’ is feitelijk gewoon een vertekening van het standpunt van Rutte en Nicolaï.

Duyvesteijn, Amerongen en de inconsistentie (4/6)

“De VVD van Mark Rutte heeft zich in de afgelopen jaren als enige partij consequent opgeworpen als verdediger van het vrije woord”, menen Marcel Duyvestijn en Job van Amerongen (VK, 3.6.09). Duyvestijn is publicist en Van Amerongen is politicoloog. Beiden zijn lid van de Partij van de Arbeid.
Analyse. De VVD als consequente verdediger van het vrije woord? Dan is er sprake van een inconsistentie. In de zaak-Eddaboudi, de legeriman die volgens de VVD niet benoemd mocht worden, speelde de vrijheid van meningsuiting volgens De Krom (VVD) geen rol. Juridisch gezien lijkt me dat onjuist. Op basis van recente jurisprudentie (i.h.b. CRvB, LJN: BI2440) gaat het om de afweging tussen de vrijheid van meningsuiting enerzijds en de arbeidsrechtelijke verhouding anderzijds. Bij de VVD prevaleerde de arbeidsrechtelijke verhouding en werd de vrijheid van meningsuiting gewoon niet van toepassing verklaard in deze kwestie.
Een ander voorbeeld: de imam Budak. Op de website van de Nederlandse Islamitische Omroep vroeg een Turks meisje dat verkracht was door haar neef aan een imam een islamitisch advies. Als zij thuis zou vertellen wat er gebeurd was, zou ze worden verstoten. Hij adviseerde haar in zijn rubriek naar de rechter te gaan, met zijn familie of met iemand te praten voor wie die neef bang was. Of ze kon hem vergeven.Dat leverde hem een ontslag op aan de Hogeschool INHolland, waaraan hij als docent verbonden was. Bestuursvoorzitter Dales (VVD) legitimeerde dit ontslag eenvoudig met “dit gedachtegoed hoort bij Hogeschool INHolland niet thuis”. Deze imam had volgens hem moeten zeggen dat ze verplicht was aangifte te doen. Zijn advies zou in strijd zijn met de Nederlandse rechtsorde (wat juridisch gezien overigens volstrekt onjuist is). De VVD hield zich stil.
In beide kwesties redeneren de VVD-ers als volgt: het betreft gewoon een arbeidsrechtelijke verhouding en de vrijheid van meningsuiting is eenvoudigweg niet aan de orde. Met deze argumentatie kun je overigens elk conflict in deze context neutraliseren door te ontkennen dat de vrijheid van meningsuiting een rol speelt in de betreffende kwestie.

Naeyé en het opblazen van een vooronderstelling (3/6)

Op een speciale zitting van de Amsterdamse politierechter stond eind mei 2009 een aantal verdachten terecht wegens agressie en geweld tegen politiemensen en andere functionarissen met een publieke taak.
Het Openbaar Ministerie een stevig publiek signaal afgeven en eiste een verdubbeling van de gebruikelijke straf, maar de politierechter ging niet mee met de geëiste strafverdubbeling: agenten moeten tegen een stootje kunnen.
Dat is niet terecht, meent Jan Naeyé, hoogleraar strafrecht (VU). Dat agressie en geweld tegen politiemensen een substantieel probleem vormt, blijkt alleen al uit het feit dat de laatste tien jaar de beledigingen en bedreigingen van politiemensen zijn toegenomen met 600 procent. Mishandeling met 300 procent. Dat heeft niet alleen te maken met de strakkere strafrechtelijke aanpak van de laatste jaren, maar ook door een echte toename die al voor 2000 is ingezet, aldus Naeyé (VK, 30.5.09).
De opvatting dat agenten maar tegen een stootje moeten kunnen, vindt geen steun in het recht. De Hoge Raad heeft het verweer dat politiemensen maar een dikke huid moeten hebben, in arrest in 2000 nadrukkelijk afgewezen.
Ook de motivering van de politierechter deugt volgens Naeyé niet. Volgens deze rechter moeten agenten moeten tegen een stootje kunnen, omdat het omgaan met agressieve personen en soms angstaanjagend gedrag nu eenmaal bij het politiewerk hoort.
Naeyé: “De politierechter legt met deze algemene strafmotivering ten onrechte een causaal verband tussen het blootgesteld worden aan agressie en geweld en het incasseringsvermogen van de betrokken politiemensen. Daarvan gaat de suggestie uit dat het incasseringsvermogen toeneemt naarmate zij vaker en intensiever met agressieve en gewelddadige burgers worden geconfronteerd, een soort vaccinatie dat beetje bij beetje immuun maakt. Wanneer burgers dus maar vaak genoeg agenten beledigen, bespuwen, bedreigen en mishandelen, zou in de lijn van deze redenering de op te leggen straf eerder moeten worden gehalveerd dan verdubbeld.”
Analyse. Naeyé blaast een vooronderstelling van de politierechter op. De laatste vooronderstelt nergens dat het incasseringsvermogen van agenten toeneemt “naarmate zij vaker en intensiever met agressieve en gewelddadige burgers worden geconfronteerd, een soort vaccinatie dat beetje bij beetje immuun maakt.” De rechter heeft het niet over gewenning aan agressie en geweld. Het enige dat de rechter stelt, is dat het omgaan met agressie en geweld inherent is aan het politievak.
Bovendien maakt Naeyé zich schuldig aan vaag taalgebruik. Van de motivering van de rechter "gaat de suggestie uit dat…" Suggestie? Dus het lijkt alleen maar zo? Maar uit de verdere argumentatie blijkt dat dit geen ‘suggestie’ is, maar een reële redenering.

Walcott - Padel - Winterson (2/6)

Oxford, sexist little dump.

Voor hooguit een krappe week mocht de Britse dichteres Ruth Padel de prestigieuze leerstoel van hoogleraar poëzie in Oxford bezetten. Ze nam ontslag wegens beschuldigingen van een lastercampagne tegen concurrent Derek Walcott (The Guardian, 26.5.09)
Padel had namelijk in de maand vóór de verkiezing e-mails gestuurd naar twee Britse journalisten waarin zij erop wijst dat haar belangrijkste tegenkandidaat en Nobelprijswinnaar Walcott in 1982 een Harvard-studente seksueel geïntimideerd zou hebben. Padel bood haar excuses voor wat zij zelf noemde, het naïeve handelen aan: “I was concerned about the students' concerns because universities are about students. And I think it was a very foolish and indiscreet thing to do, but I didn't at the time believe it was wrong because all the things I passed to them were in the public domain, and had been known for years. It wasn't news, so in that sense wasn't a smear”, aldus Padel.
Derek Walcott (79) gold als de grote favoriet voor de positie. Maar in de week voor de verkiezing werden er anonieme lasterbrieven aan zeker tweehonderd academici in Oxford verstuurd. Uit de inhoud bleek hij werd beschuldigd van seksuele intimidatie van twee studentes. Eén keer in 1982 en één keer in 1996. Padel ontkent achter deze anonieme lastercampagne te zitten.
Het vertrek van Padel leidde vervolgens tot een volgende rel. Haar vertrek leidde tot veel verontwaardiging en speculaties van seksisme. “Dit is een manier om vrouwen te kleineren; bij een man zou dit niet gebeurd zijn”, zegt schrijfster Jeanette Winterson in The Guardian. Oxford is een “sexist little dump”.
Analyse. Winterson ziet het vertrek van Padel als een manier om vrouwen te kleineren. Punt is wel dat Padel zelf vertrokken is.
Ook met de bewering “bij een man zou dit niet gebeurd zijn” lijkt ze de bewijslast te ontduiken.
Padel zelf beweert enkel te hebben gehandeld vanwege bezorgde studenten. Maar Walcott is bijna tachtig? Waren die studenten bezorgd?

De gewraakte conversatie uit 1982:
Walcott: Don’t talk about poetry. I don’t want to talk about poetry.
Student: I wrote a poem about a guy I was with last Friday night.
W: What did you do with this guy?
S: What do you mean? . . . I made love with him.
W: How did you make love?
S: Why should I tell you? It’s none of your business.
W: Imagine me making love to you. What would I do?
S: Huh? I guess you’d be sort of slow and deliberate.

Rutte en de vrijheid van meningsuiting 3 (1/6)

Rutte mocht het op het Buitenhof nóg een keer komen uileggen: de ontkenning van de Holocaust is wel degelijk strafbaar als het aanzet tot geweld. Vrijheid van meningsuiting is een uitermate belangrijk (grond)recht, dat moet worden verruimd.
Balkenende noemde het plan van Rutte beneden alle peil (Elsevier, 29.5.09), maar Rutte vond op zijn beurt dat de kritiek van premier in de Holocaust-kwestie volledig misplaatst is. Balkenende heeft volgens Rutte geen enkel gezag op het gebied van vrijheid van meningsuiting. “Onder dit kabinet is cartoonist Gregorius Nekschot opgepakt, iets wat ik voor ondenkbaar hield in Nederland. In de vrijheid van meningsuiting heeft de premier geen enkel gezag,' aldus Rutte. Ook heeft de premier volgens Rutte bijgedragen aan de ondergang van weekblad Opinio, door ze voor de rechter te slepen om een verzonnen speech.”
Analyse. Pieper, de belangrijkste geldschieter van Opinio, stopte met de investering omdat er volgens hem geen economische basis voor was. Daarom besloot tet bestuur en de aandeelhouders te stoppen. Maar de hoge kosten van de rechtszaak die premier Jan Peter Balkenende (CDA) tegen Opinio heeft aangespannen (en verloor), hadden volgens Pieper niets te maken met de stopzetting van de financiering. (Opinio werd door Balkenende voor de rechter gesleept, omdat het blad een neptoespraak van de premier over de islam publiceerde.)