Nieuw boek: Overtuigend debatteren (24/10)

Onlangs verscheen een buitengewoon aardig boek van Peter van de Geer en Sharon Kroes met als titel 'overtuigend debatteren'. Een aanrader!

In het boek worden allerlei technieken, tips en trucs besproken die te maken hebben met het bedat. Peter van der Geer (‘debatgoeroe’) en Sharon Kroes (wereldkampioen debatteren en academisch onderscheiden) zijn beiden verbonden aan Debat.NL, dat sinds 1998 training, coaching en gespreksleiding verzorgt van buurthuis tot kabinet.

Het boek leest makkelijk en de voorbeelden spreken aan en zijn herkenbaar.

Eerdmans' mythen over de rechtspraak (23/10)

Karlsbrug, Praag

Als we Eerdmans mogen geloven, is het flink mis met de rechterlijke macht in Nederland (Forum , 10 oktober). Rechters hebben vele petten en bezoedelen zo het imago van een onkreukbare magistratuur. Het Nederlandse rechtsstelsel gaat mank aan een gebrek aan toegankelijkheid, onafhankelijkheid, democratische legitimiteit en openbaarheid. Het juridisch jargon in rechterlijke uitspraken is voor niet ingevoerde burgers nauwelijks te volgen. Straffen voor zware misdrijven als moord en doodslag worden door een grote meerderheid van de bevolking als onbegrijpelijk laag ervaren. Rechters hoeven aan niemand verantwoording af te leggen en zijn wars van iedere vorm van kritiek. Toe maar.
Eerdmans schetst echter een regelrechte karikatuur van de rechtspraktijk en is blind voor wat gaande is. Hij ‘koestert’ een aantal mythen.

Mythe 1: de burger snapt het niet meer
Burgers vinden straffen voor zware misdrijven onbegrijpelijk laag. Wat Eerdmans over het hoofd ziet, is dat de definitie van verschillende soorten misdrijven aan verandering onderhevig is. Wat vroeger ‘zware mishandeling’ was, wordt in toenemende mate ‘poging tot doodslag’. Een opgedrongen tongzoen stelt de Hoge Raad tegenwoordig gelijk met verkrachting. Een 72-jarige man die een moeder met kind uitscheldt, wordt veroordeeld voor ‘bedreiging met zwaar lichamelijk letsel’.
En als burgers inzicht krijgen in de dossiers, zo blijkt uit een recent onderzoek van de Leidse rechtspsycholoog Wagenaar, straffen ze nagenoeg net zo zwaar (of licht) als rechters. De burger snapt meer dan Eerdmans denkt.

Mythe 2: rechters hebben teveel petten op
Elke nevenfunctie van iedere rechter is op de publieke site van de Raad van Rechtspraak te vinden. Bovendien heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak een aantal jaren geleden de ‘Leidraad onpartijdigheid van de rechter’ opgesteld. In dat protocol wordt aangesloten bij de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad. Bovendien kan een rechter worden gewraakt als hij in de ogen van de verdachte of zijn advocaat bevooroordeeld is.
Eerdmans’ verhaal over ‘de vele petten’ van rechters, die met hun nevenfuncties het imago van de rechtspraak bezoedelen, klopt niet. Slechts de helft van de rechters heeft één nevenfunctie en dan hebben we het over ‘petten’ als lid van een oudercommissie van een kindercrèche, scheidsrechter, lid van een klachten- of examencommissie etc. Slechts een enkele rechter heeft meer dan één nevenfunctie of een echt commerciële functie.
Niet de rechter, maar Eerdmans bezoedelt het imago met verdachtmakingen die hij uit de hoge hoed tovert.

Mythe 3: het strafklimaat wordt steeds milder
Dat het klimaat steeds milder wordt, heeft volgens Eerdmans te maken met de toename van het aantal vrouwelijke rechters, die volgens hem van nature minder geschikt voor het ambt van rechter zijn (Forum, 5 september).
Cijfers laten een ander beeld zien. De gemiddelde straf voor moord en doodslag steeg van 6.3 jaar in 1993 naar 9 jaar in 2004. Hoewel het totaal aantal misdrijven in de periode 2000-2007 met 8.7% afnam, steeg het aantal veroordelingen in dezelfde periode met 15%.
Ook het aantal gedetineerden per 100.000 inwoners is in Nederland spectaculair toegenomen: van 23 in 1980 tot 100 gedetineerden in 2008. In 2005 waren dat er zelfs 134.
De gemiddelde duur van een tbs-behandeling nam toe van 84 maanden in 2004 naar 101 maanden in 2008, dus een stijging van meer dan 20%. Sinds 1995 is levenslang 36 keer opgelegd; in de halve eeuw daarvoor slechts zes keer. Hoezo steeds milder?

Mythe 4: rechters worden niet gecontroleerd
Weer fout. Rechters worden voortdurend gecontroleerd. Veroordeelden kunnen in hoger beroep en kunnen vervolgens naar de Hoge Raad gaan. Ook staat daarna eventueel een Europese rechtsgang open. En sinds kort is er ook nog de Commissie Evaluatie Afgesloten Rechtszaken. Deze commissie kijkt nog eens naar een zaak die al is afgesloten. Dat is geen extra rechtsgang, maar bevat indirect toch nog een controle. Een zaak kan bij de CEAS worden aangemeld door (oud)functionarissen die professioneel bij de zaak betrokken waren (politieambtenaren, OM'ers, medewerkers van het NFI) en wetenschappers. Het is serieus een signaal van buitenaf.

Anders dan Eerdmans beweert, is het besef bij de rechterlijke macht wel degelijk aanwezig dat de afname van het maatschappelijk vertrouwen “ook moet worden gezocht in de rechterlijke uitspraken zelf en in de presentatie daarvan”. Die laatste constatering komt letterlijk uit de mond van de voorzitter van de Hoge Raad, Geert Corstens. Eerdmans roept de rechterlijke macht dus op tot iets waar deze, zij het aarzelend en mondjesmaat, al mee bezig is. Sinds 2006 motiveren rechters bij strafrechtelijke nadrukkelijk anders, geven ze publiekelijk rekenschap en nemen ze signalen van buitenaf serieus.
Maar Eerdmans ziet die signalen niet. Of weigert die te zien. Heeft dat misschien te maken met zijn nachtmerrie? In een interview in deze krant zei hij: “Mijn grootste nachtmerrie is dat ik onzichtbaar blijf. Ik vind het niet prettig als mensen zeggen: Hé Joost, al een tijdje niets van je gehoord.”

Kervezee en het argumentum ad baculum (22/10)

Een boze voorzitter van basisschoolbesturenvereniging PO-raad, Kete Kervezee, mocht in het NRC (21.10.09) vertellen wat zij de bezuiniging van 90 miljoen euro vond. Helemaal niks dus. Het kabinet bezuinigt op de professionalisering van schoolbesturen en management. Omdat de taken van het bestuur en het management toch moeten worden gedaan, “zou dat kunnen leiden tot grotere klassen”. Volgens de voorzitster is dat niet vreemd: “Als je in het management snijdt, zullen onderwijzers taken moeten overnemen. Om hen vrij te spelen, zou het kunnen dat we de klassen moeten vergroten.”
Voor Kervezee is de zaak volstrekt helder: "ieder weldenkend mens kan beredeneren dat basisscholen nu eenmaal de basis leggen, en dat het riskant is daarop te besparen".
Een woordvoerder van staatssecretaris Dijksma (Onderwijs, PvdA) denkt hier anders over: “onbegrijpelijk” dat de PO-raad begint over grotere klassen. “De managers moeten kritisch naar de eigen kosten te kijken. De PO-raad lijkt dit echter af te willen wentelen op de kinderen en de leraren. We verwachten dat de managers wel de professionaliteit hebben om voor de kinderen te kiezen.”
Analyse. Kervezee hanteert een argumentum ad baculum, het argument met de stok. Als er op het management wordt bezuinigd, wordt de bezuiniging - zo luidt de boodschap richting kabinet - wellicht gecompenseerd door de klassen te vergroten. Het is slikken of stikken.
Ook vertekent ze de discussie enigszins. Tegenover de bezuiniging van 90 miljoen op management, staat een extra inkomsten van 50 euro voor elke basisschool. In totaal is dat bijna 78 miljoen euro per jaar extra. Daarover zwijgt Kervezee.

De gemalen spijkers van Kellogg's (21/10)

Goed, er zaten dus toch geen gemalen spijkers of ijzervijlsel in de cornflakes van Kellogg’s. Die geruststellende verzekering was niet alleen afkomstig van de ontbijtgranenproducent Kellogg’s zelf, maar ook van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA).
Aanleiding tot die waarschuwing was het televisieprogramma Keuringsdienst van Waarde. In dat programma liet men één stukje cornflakes in een bakje met water drijven en vervolgens kon men dat ene stukje voorttrekken met een magneet. Eén ding moet je Kellogg's nageven: er zit dus echt - heel veel - ijzer in de flakes.
De Volkskrant maakte het helemaal bont en liet het hele ontbijtkommertje aan de wandel gaan: “de met ijzer verrijkte Special K-cornflakes van Kellogg’s bevatten zoveel ijzer dat het ontbijtkommetje met een magneet kan worden voortgetrokken. Het komt door het ijzerpoeder dat de fabrikant er doorheen roert.”
Maar ook Kellogg’s durft. Op hun website staat het volgende: Waarom voegt Kellogg’s ijzer toe aan haar producten? IJzertekort in het bloed komt bij 40% van de vrouwen in Europa nog steeds voor. Omdat Kellogg’s weet dat het belangrijk is om ons lichaam te voorzien van alle essentiële voedingstoffen, worden de Kellogg’s ontbijtgranen sinds 1930 met een aantal vitaminen en mineralen, waaronder ijzer, verrijkt. IJzer is een essentiële voedingstof die ervoor zorgt dat voldoende zuurstof via onze bloedbaan kan worden getransporteerd. Om die reden verrijkt Kellogg’s de ontbijtgranen met ijzer.
Onderaan het bericht staat een geruststellende verwijzing: Voor meer informatie over ijzer kijk ook op de website van de Voedsel en Waren Autoriteit.
Op Sargasso gaat Steeph in op het punt van de gezondheid. Daar zegt de VWA volgens een woordvoerder helemaal niks over. “Wij wilden laten weten dat er geen spijkers in de cornflakes zitten, en dat het toegevoegde ijzer niet schadelijk is. We waren op vrijdag helemaal overbelast door de uitzending. Veel mensen zijn vrij op vrijdag, en dat is kennelijk een goed moment om dat eens even uit te gaan zoeken na de uitzending van donderdagavond. Maar Kellogg’s houdt zich aan de vastgestelde normen, en dat is het enige dat wij kunnen zeggen. Of het zinnig is om die ijzer toe te voegen, daar gaan we niet over. Maar ik heb de uitzending ook gezien, en het lijkt me niet bepaald functioneel. Waarschijnlijk is het gewoon een marketingtruuk van Kellogg’s. Maar nogmaals, dáár gaan wij niet over.”
Maar in het bericht van VWA over de Kellogg’s-Spijkers staat toch echt iets anders te lezen: “IJzer is een belangrijke stof voor een goede gezondheid.” In de context van het bericht suggereert de VWA wel degelijk dat de toevoeging bijdraagt aan een betere gezondheid. VWA ontkent ten onrechte een impliciete vooronderstelling.
Het toevoegen van ijzerpoeder heeft volgens Tiny van Boekel, hoogleraar agrotechnologie en voedingswetenschappen aan de universiteit van Wageningen, helemaal geen zin. Van Boekel stelt dat het ‘elementair ijzer’ dat aan de ontbijtgranen wordt toegevoegd, vrijwel niet door het lichaam wordt opgenomen. Ons lichaam neemt ijzer alleen op in zoutvorm. De bewering van Kellogg's is dus een fabeltje.

Naschrift: nu, 11 december 2009, slaat de ironie alsnog hard toe: Kellog's haalt een aantal pakken Cruesli uit de schappen. Reden: er zijn ijzerdraadjes in de pakken gevonden. Met een "Dat voldoet uiteraard niet aan de kwaliteitseisen van Quaker", probeert Pepsico, waaronder Kelleg's valt, op haar site de zaak nog eens helder uit te leggen. En consumenten die het nog steeds niet snappen, krijgen het welgemeende advies om het ijzerdraad niet (ook nog eens nadrukkelijk onderstreept) op te eten.

Out en de farma-adviseurs (20/10)

Wetenschap behoort per definitie objectief te zijn maar wetenschappers zijn dat zelden. Zij worden lang niet altijd uitsluitend gedreven door een wetenschappelijke honger naar de waarheid. De roep om onafhankelijkheid is daarom naïef”, meent Dr. Henk Jan Out, vicepresident van Global Clinical Research bij het Schering-Plough Research Institute in Oss (NRC, 14.10.09). Hij springt in de bres voor adviseurs die door de farma-industrie worden gefinancierd.
Een wonderlijk stukje. Out heeft namelijk het vermogen om zowat elke alinea te voorzien van een vette argumentatiefout.
Zo begint Out met een reeks verdachtmakingen aan het adres van wetenschappers en hij doet dat in combinatie met vaag taalgebruik. “Ook secundaire belangen als carrière en persoonlijke roem spelen een rol. Hun (wetenschappers, RR.) denken wordt bovendien bepaald door op dat moment heersende wetenschappelijke paradigma’s. Veel wetenschappers met een rotsvaste overtuiging van hun gelijk over een bepaald onderwerp zullen moeite hebben nieuw onderzoek dat niet in overeenstemming is met hun visie objectief te beoordelen. Door deze mensen ‘onafhankelijk’ te noemen, alleen omdat er geen financiële relatie is met het bedrijfsleven, miskennen we andere belangenconflicten die mogelijkerwijs zelfs een grotere invloed zouden kunnen hebben.” Out hanteert het Mogelijk-Grote-Gevaar-argument: er lijkt dus heel wat aan de hand te zijn (“veel wetenschappers…”), maar “mogelijkerwijs” ook bijna helemaal niets. Inhoudelijk gezien beweert Out eigenlijk helemaal niets.
Tegenover de universiteit staan de commerciële organisaties: die “hebben misschien wel veel meer verstand van zaken dan onafhankelijke instanties.” Misschien? Weer haalt Out vaag taalgebruik van stal.
De vergelijking tussen wetenschappers en farma-adviseurs gaat bovendien mank. Wetenschappers worden, hoe ambitieus en blind ze volgens Out ook zijn, geconfronteerd met het kwaliteitssysteem in de vorm van een peer-review; farma-adviseurs worden niet geconfronteerd met een extern kwaliteitssysteem, maar enkel met de intentie van een toenemend aan farmaceutische bedrijven.. De transparantie, waar Out zo lyrisch over is, blijkt te bestaan in het gegeven dat “steeds meer grote farmaceutische bedrijven inmiddels hebben aangekondigd de honoraria en namen van hun adviseurs te publiceren”.
Dan volgt nog een klassieke tu quoque-drogreden aan het adres van de critici: “het is nog maar de vraag of de criticasters die overal belangenverstrengelingen zien zelf ook niet gedreven worden door secundaire belangen.” Ook hier beweert Out weer niets. Elk tegenargument kan hij pareren met ‘ik zei alleen maar dat het nog maar de vraag is…. dus ik beweer niet dat het zo is’.
Wetenschappers zijn zelden objectief”, beweert Out. “Zij worden lang niet altijd uitsluitend gedreven door een wetenschappelijke honger naar de waarheid. Ook secundaire belangen als carrière en persoonlijke roem spelen een rol.” Maar als het gaat om adviseurs in de farma-industrie, dan blijkt die discussie over belangen ineens volledig zinloos te zijn: “de beïnvloeding door het secundaire belang valt niet te objectiveren.” En nadat Out eerst zelf de motieven van de wetenschappers verdacht heeft gemaakt door te wijzen op hun secundaire belangen, zet hij in de alinea over de farma-adviseurs de discussies over (de schijn van) belangenverstrengeling weg als “vaag”. (Buiten het kader van deze webstek: is die discussie echt vaag? Joop Bouma, een van de beste Nederlandse onderzoekjournalisten, laat in zijn boek ‘Slikken’ en in zijn stukken in de Trouw niets aan de verbeelding over.)
Tegenover de wetenschappers, die dus zelden objectief zijn en ook gedreven worden door carrière en roem, staan de farma-adviseurs. Die laatste categorie zijn de echt slimmen, legt Out uit. “Geneesmiddelenproducenten en overheden kunnen niet zonder adviseurs. Deze worden aangezocht vanwege een specifieke expertise die niet in de eigen organisatie aanwezig is. Steeds meer wetenschappers hebben een dergelijke rol waarbij hun consulterende functie contractueel vastgelegd wordt. Net als de loodgieter die mijn verstopte gootsteen repareert, worden ook medische adviseurs financieel gecompenseerd. Hoe meer verstand van zaken iemand heeft, des te groter de kans dat zo iemand door commerciële organisaties ingehuurd wordt voor deskundig advies. Aangezien de overheid bedrijvigheid door universiteiten aanmoedigt en het bovendien een welkome extra bron van financiering is, komen er steeds meer wetenschappers die onderzoek doen of als adviseur fungeren voor de industrie. Het wordt dus steeds moeilijker om ‘onafhankelijke’ experts te vinden omdat de echte kenners allang door de industrie ‘gestrikt’ zijn. In toenemende mate wordt de term ‘onafhankelijk’ dus equivalent met ‘minder kennis van zaken’.”
Hier introduceert Out een stroman, want niemand betwist de expertise van de farma-adviseurs. Het gaat ook niet om hun ‘expertise’, maar om hun ‘objectiviteit’.
Mogelijke belangenverstrengeling van artsen, wetenschappers en andere beleidsmakers in de gezondheidszorg blijft de gemoederen in Nederland bezighouden”, zo gaat Out verder. “Zo klinkt al geruime tijd de roep op de oprichting van een onafhankelijk fonds voor geneesmiddelenonderzoek omdat gemeend wordt dat financiering door de farmaceutische industrie de resultaten beïnvloedt. Ook was er onlangs grote ophef over ziekte- of geneesmiddeleninformatie door de farmaceutische industrie op publieke toegankelijke websites. Dit wordt door het TV- programma Radar en the Consumentenbond gezien als verhulde reclame voor geneesmiddelen. Zij bepleiten zelfs een verbod, wat ogenschijnlijk in tegenspraak is met de ongecensureerde werkelijkheid van het Internet en de mondige consument die zichzelf wel informeert.”
Waar die tegenspraak in zit, is mij volstrekt onduidelijk. De mondige consument, zo wijzen consumentenorganisatie er meer dan eens op, kan zich alleen informeren als de informatiebronnen juist zijn. Onjuiste informatiebronnen tasten in die zin de autonomie van de consument aan. Bovendien maakt Out zich schuldig aan een categoriefout. De categorie van ‘verboden’ wordt op een lijn gesteld met de categorie ‘feiten’.
Dan volgt de ‘wijzen-naar-anderen-truc’: “Opvallend is dat de publieke verontwaardiging vooral de farmaceutische industrie betreft en niet andere partijen die geld verdienen aan ziekte en gezondheid zoals artsen, ziekenhuizen en zorgverzekeraars. Belangenverstrengeling ligt ook daar op de loer. Voor artsen in maatschapverband is er een directe relatie tussen het aantal procedures dat ze verrichten en hun inkomsten. Daarnaast leveren sommige operaties of diagnostische activiteiten meer op dan andere. Ziekenhuizen en zorgverzekeraars hebben er vaak belang bij dat de goedkoopste behandeling gekozen wordt en dit hoeft niet altijd de beste optie te zijn.” Dat anderen ook financiële belangen hebben, vormt echter geen legitimatie voor de financiële belangen in de farma-industrie.
De discussie gaat zelfs verder, weet Out. “Onderzoekers dienen onafhankelijk te zijn om tot een objectief oordeel en een kwalitatief hoogstaand advies te kunnen komen. Deze uitspraak suggereert dat onderzoekers die geen relaties hebben met het bedrijfsleven objectief zouden zijn en dus betere adviezen geven. Is dat zo?” Weer fout. De zogenaamde suggestie zit helemaal niet in de bewering zelf, maar enkel in het hoofd van Out. ((Als a dan b) en (niet-a)), dan volgt daar logisch gezien helemaal niet (niet-b) uit. Het correcte argumentatieschema is (((als a dan b) en (niet-b), dan (niet-a))).
Commerciële organisaties hebben misschien wel veel meer verstand van zaken dan onafhankelijke instanties.” De toevoeging ‘misschien’ is heel betrekkelijk, want nog geen zin later stelt Out de retorische vraag: “wie weet er meer over zijn geneesmiddelen dan de fabrikant? Door daar categorisch geen gebruik van te maken wordt het gevaar gelopen dat de overheid, de universiteiten of patiënten essentiële informatie niet volledig meenemen in besluitvorming. Daarmee loopt de kwaliteit van besluitvorming risico.”
Out gooit er in het slot van zijn betoog nog een even een onjuiste vergelijking tegenaan. “Onafhankelijke adviseurs, prima, maar voor mijn gezondheid vind ik het belangrijker dat adviezen komen van goed geïnformeerde, integere experts.” De presuppositie is dat farma-adviseurs integer zijn, maar die vooronderstelling is juist het onderwerp van de discussie.
Out danst gevoeglijk om de hete brei heen.

Kluveld en de dansende poppen van Cohen (19/10)

Cohen: wetenschappers moeten met orde aanbrengen in het islamdebat. Universiteit van Malaga.

Cohens berisping was duidelijk niet aan wetenschapster en columniste Amanda Kluveld besteed. De burgemeester “hoort helemaal niet te willen, dat wetenschappers laten zien hoe de gematigde islam in Nederland eruit ziet.” (Volkskrant, 17.10.2009)
Wat schreef Cohen eigenlijk? Het is de taak van de wetenschap om in het debat over de islam niet alleen de extreme, maar ook de gematigde islam naar voren te laten komen
Het maatschappelijk en politiek debat over de islam verloopt volgens Cohen, burgemeester van Amsterdam, niet bepaald op rolletjes (Volkskrant, 15.10.2009). In de eerste plaats ligt de focus bijna uitsluitend op fundamentalistische, of streng orthodoxe varianten van de islam, waarbij de aandacht uitsluiting uitgaat naar het gevreesde terrorisme, de geradicaliseerde jihad en geweldprediking. Maar de islam kent meerdere aspecten en die blijven sterk onderbelicht.
Bovendien wordt in de discussie ‘de islam’ vaak gekoppeld aan maatschappelijke problemen als criminaliteit, overlast en sociale misstanden. De doorsnee moslim die hier leeft en werkt, bepaalt in elk geval niet het beeld als het gaat over religie in de openbare ruimte.
Daarnaast komen wetenschappelijke kennis over en inzichten van de islam en de moslimwereld opvallend weinig aan bod komen in de meningsvorming. De wetenschap is om orde te brengen in dit debat.
“Zeker in ons land, waar op het gebied van islam en moslimwereld sinds jaar en dag aanzienlijke wetenschappelijke expertise aanwezig is, moet dat mogelijk zijn. In dat opzicht zijn islam en moslimwereld géén nieuwe verschijnselen in de westerse samenlevingen. De wetenschap heeft hier uitdrukkelijk een taak en zou zich mede ten doel moeten stellen al die verschillende opvattingen en inzichten die er in en over de moslimwereld bestaan, nadrukkelijk over het voetlicht te brengen, zodat het maatschappelijk debat evenwichtiger wordt.” Nu, zo constateert hij, valt ‘de wetenschap’ er als het ware tussenuit. “Dat de wetenschappelijke kennis onvoldoende tot politiek en media doordringt, lijkt mij overigens zeker niet alleen een zaak van politici en journalisten, maar ook één die de wetenschap zich moet aantrekken.” Het belang van deelname aan het maatschappelijk debat wordt niet altijd gezien als de corebusiness van de universiteit, maar hier ligt wel degelijk een maatschappelijke taak. Cohen had behoefte aan wetenschappelijke antwoorden op vragen als ‘welke observaties bestaan er over de juistheid van de beelden die hier van islam en moslimgemeenschappen bestaan?’; ‘is de islam werkelijk een gewelddadige religie?’; ‘wat betekent het dat Nederland islamiseert?’; ‘is dat ook zo?’; ‘Levert het gevaren op of kan het bijdragen aan de ontwikkeling van onze samenleving?’; ‘verdraagt de islam zich met de democratische rechtsstaat?’ en ‘hoe willen moslims in Nederland leven, wat vinden zij belangrijk en waar liggen hun loyaliteiten?’
Tot zover Cohen. Volgens Kluveld hoort hij “helemaal niet te willen, dat wetenschappers laten zien hoe de gematigde islam in Nederland eruit ziet.” Een verrassende berisping van Kluveld. Zij reageerde met name op Cohens bewering op het oog dat de wetenschap nalaat om orde en evenwicht in het debat aan te brengen en op Cohens beschuldiging dat opiniemakers wetenschappelijke inzichten negeren.
Kluveld: “Het interessante aan dit verwijt is, dat Cohen politici en beleidsmakers ermee afschildert als volkomen afhankelijk van wat opiniemakers aan wetenschappelijke inzichten in het publieke debat laten doorsluizen. Negeren de belangrijkste opiniemakers een bepaald wetenschappelijk werk, dan zal de kennis die daaruit naar voren komt op geen enkele wijze doordringen tot het beleid.” In de woorden van Kluveld: politiek en beleid worden gestuurd door de waan van de dag. “Beleidsmakers, politici en bestuurders, door Cohen voor de enquêtecommissie over de Noord/Zuid-lijn als ‘allemaal amateurs’ aangeduid, zijn niet in staat om zelfstandig wetenschappelijke expertise over actuele beleidsthema’s te zoeken, te vinden en op waarde te schatten.” Cohen, zo gaat Kluveld verder, vindt het wenselijk dat opiniemakers en wetenschappers zich richten op de variëteit die de islam zou kenmerken, de doorsnee moslim die hier werkt en leeft. Dat gebeurt volgens Cohen niet voldoende en dat verwijt dat hij de wetenschap en de opiniemakers. “Die zouden iets anders moeten onderzoeken en andere meningen moeten ventileren. Dat mag Cohen uiteraard vinden. Het is alleen te hopen dat hij zich daarbij wel realiseert dat hij daar als bestuurder helemaal niets over te zeggen heeft en dat ook niet zou moeten willen. De maatschappelijke taak van wetenschappers kent een heleboel aspecten maar het naar de poppen dansen van bestuurders door welgevallige meningen te geven, de politiek-maatschappelijke agenda dienende onderzoeksvragen te stellen en bijbehorende gewenste conclusies te trekken, behoren daar beslist niet toe.”
Analyse. Het eerste verwijt dat men Kluveld kan maken, is dat zij een stroman aanvalt.
Cohen schreef: “Zeker in ons land, waar op het gebied van islam en moslimwereld sinds jaar en dag aanzienlijke wetenschappelijke expertise aanwezig is”, moet het mogelijk zijn dat de wetenschap “met haar pretentie van objectiviteit en waarheidsvinding” in staat mag worden geacht “om orde te brengen in dit debat”.
Kluveld maakte daarvan: “de maatschappelijke taak van wetenschappers kent een heleboel aspecten maar het naar de poppen (pijpen, meen ik aan) dansen van bestuurders door welgevallige meningen te geven, de politiek-maatschappelijke agenda dienende onderzoeksvragen te stellen en bijbehorende gewenste conclusies te trekken, behoren daar beslist niet toe.”
De vragen die Cohen stelde, zijn overigens neutraal van aard. Althans, er zit bij elkaar genomen niet een verdachte presuppositie in. Hooguit zo men de vraag ‘is de islam werkelijk gewelddadig’ is door de toevoeging ‘werkelijk’ minder neutraal. Ook kan in de notie ‘gewelddadig’ een normatieve component verborgen worden.

Kluveld en de persoonlijke aanval (18/10)

Alhambra, Granada (Spanje)

Kluveld heeft niet veel op met alles wat maar enigszins naar Islam ruikt. Onlangs spuwde ze haar kritische gal op de onderzoekers Mogahed en Esposito (Vk, 17/10). Ze plaatste vraagtekens bij de wijze waarop de twee ‘radicale moslims’ in hun onderzoek hadden gedefinieërd. “Op basis van de antwoorden concluderen de auteurs dat moslims net zo zijn als wij: democratisch en gericht op een goede toekomst voor hun kinderen. Het overgrote deel is gematigd en slechts 7 procent van de 1,3 miljard moslims is radicaal of zoals Mogahed en Esposito het liever uitdrukken, ‘politiek geradicaliseerd’. Dat gaat overigens nog altijd om 91 miljoen moslims.”
Kluveld zet vraagtekens bij deze conclusie en het onderzoek waar die uit voortkomt. “Zo is de definitie van ‘radicale moslim’ in de loop van het onderzoek bijgesteld. De auteurs geven dit zelf toe. Het kwam de onderzoekers beter uit om het percentage radicale moslims laag te houden. Of iemand een radicale moslim is, leidde men af uit het antwoord op de vraag of men de aanvallen van 9/11 gerechtvaardigd vond. Het was mogelijk antwoorden te geven door te kiezen uit de cijfers 1 tot en met 5. Wanneer je 5 antwoordt, geef je aan dat je die aanvallen volledig gerechtvaardigd acht.”
“Aanvankelijk wilden Mogahed en Esposito iedereen die deze vraag met 4 (9/11 was grotendeels terecht) of 5 (9/11 was geheel terecht) beantwoordde tot de radicale moslims rekenen. Zij zijn daar dus uiteindelijk vanaf gestapt.”

Tot zover is er, strikt argumentatief, niets mis met de kritiek van Kluveld. Maar dan volgt de omslag in het betoog. Kluveld gaat namelijk verder met het verdachtmaken van de achtergrond van de auteurs.
“Het percentage van 13,5 procent radicale moslims in de wereld en het absolute aantal moslims dat daarmee correspondeert, vonden zij toch wat te schokkend. Moslims die 9/11 grotendeels terecht vonden, werden daarom verder neergezet als gematigd, ongeacht hun antwoorden op andere vragen.” De onderzoekers hebben hun onderzoek aangepast vanwege de conclusies; de onderzoekers zijn vooringenomen (en geven dat kennelijk ook toe, als we Kluveld mogen geloven.)
“Dalia Mogahed is onderzoeker en directeur van het Gallup Centre for Muslim Studies dat gebruik maakt van de data die wereldwijd verzameld worden door Gallup. John Esposito is directeur van het Prince Alwaleed Center for Muslim-Christian Understanding dat verbonden is aan de Universiteit van Georgetown. Het instituut beoogt begrip te bevorderen tussen christenen en moslims en is genoemd naar haar financier, de Saoedische prins Alwaleed bin Talal.” Kluveld vermeldt niet dat Esposito ook als hoogleraar verbonden is aan de Universiteit van Georgetown, maar suggereert hiermee dat Esposito financieel afhankelijk is van de Saoedische geldschieter.
Vervolgens wijst Kluveld erop dat Esposito als Mogahed zijn bewonderaars van de Turkse moslimprediker Fethuhllah Gülen én dat die laatste vroeger verkondigde dat voor het tot stand brengen van een islamitische samenleving (in plaats van de democratische Turkse samenleving) elke methode of weg gerechtvaardigd en acceptabel is, inclusief liegen. Nadat hij in 1998 Turkije ontvluchtte omdat hij vervolgd dreigde te worden voor antiseculiere activiteiten, vestigde hij zich in de VS. Daar verkondigde “hij vrij plotseling een meer progressieve boodschap van interreligieuze dialoog uitdroeg via de talrijke scholen, media en instituten die door de Gülenbeweging zijn opgericht en gefinancierd worden.” De opvattingen van Gülen sluiten volgens Kluveld goed aan bij de doelstellingen van het Prince Alwaleed Center for Muslim-Christian Understanding en daarmee is voor Kluveld kennelijk een link gelegd.
Deze argumentatie bestaat feitelijk louter uit insinuaties. Esposito is financieel afhankelijk van een Arabische geldschieter en bewonderde een figuur die vroeger een foute activist was. Maar aangezien die in de ogen van Kluveld “plotseling” een ander gedachtegoed aanhangt, hangt daar ook weer een luchtje aan. Daaruit moeten we afleiden dat de opvatting van Esposito dus ook evenmin deugt.

Vergelijk dit met de boekbespreking van Henk Müller in Cicero over hetzelfde onderzoek (VK, 17.10.08):
“Een groter nadeel van dit boek is dat je zelf niets kunt controleren. We moeten het allemaal maar op gezag aannemen. Een ander twijfelachtig punt is dat de onderzoekers wel erg makkelijk vaststellen dat alleen die moslims die zich achter de aanslagen op de Twin Towers scharen de extremisten vormen. Want ze werken met een schaal van één tot vijf, waarbij moslims in schaal één de aanslagen afwijzen, maar die van vier de aanslagen grotendeels toejuichen. Volgens Mogahed zijn dat nog eens 7 procent van de 1.3 miljard moslims, dus de groep verdubbelt tot meer dan 180 miljoen. En dan zijn er nog de ruim 23 procent moslims die de aanslagen 'in sommige opzichten' gerechtvaardigd achten.”
Müller heeft geen verdachtmaking nodig en zijn kritiek blijft zakelijk.

Grunberg en de frivoliteitsdrogreden (17/10)

Met genetische manipulatie van de menselijke soort is niets mis, aldus Grunberg (Volkskrant, 16.10.09). Sterker nog, het verzet van “seculiere personen acht hij op morele gronden uiterst dubieus”. Grunberg spreekt hen daarom vermanend toe: mensen die genetische modificatie afwijzen, maken zich schuldig aan “ondraaglijke frivoliteit” (wat dat dan ook mag zijn).
Even later blijken lieden die ons vermanend toe spreken over wat mag en wat niet mag, de werkelijke crisis van het humanisme uit te maken. Zij worden door Grunberg ontmaskerd als “heren en dames met een eigen agenda en eigen belangen, die hun autoriteit op uiterst frivole wijze hebben verspeeld” (waarbij me overigens nog steeds niet duidelijk is waar die ‘frivole wijze’ uit bestaat).
Punt is echter dat ook Grunberg mensen vermanend toespreekt. Zijn eigen kritiek is dus ook van toepassing op hem. Misschien moet het een of ander stilistisch Wittgensteinsiaans hoogstandje voorstellen, maar vooralsnog houd ik het op een inconsistent betoog.
Grunberg gaat vervolgens verder op de psychologische toer: de houding tegen genetische manipulatie “kan verklaard worden met een typisch Nederlandse wijsheid: elke verandering is een verslechtering, ook als het een verbetering is”. Kennelijk is er sprake van een irrationele houding. Na het lanceren van deze persoonlijke aanval, wijst Grunberg er op dat “wij steeds frivoler zijn gaan leven, maar wij durven nog altijd niet de frivoliteit serieus te nemen.”
In zijn stuk bespreekt hij slechts één inhoudelijk argument tegen genetische manipulatie, namelijk het argument over de dreigende tweedeling in de samenleving. Ook hier is sprake van een vertekening. Bij iemand als de Duitse filosoof Jürgen Habermas gaat het niet zozeer om de tweedeling, maar om het punt dat we met nieuwe technologieën voor andere mensen een beslissing nemen over de vraag wat het leven de moeite waard maakt. Daarmee grijpt de technologie rechtstreeks in in de autonomie van de mens. Het gaat nu niet om de vraag of Habermas kritiek hout snijdt, maar om het punt dat Grunberg het seculiere tegenargument erg slecht weergeeft.
Daarnaast gaat de discussie gaat ook over aspecten als verzekeringen etc.
Ik vrees dat ik het frivole karakter van Grunberg stukje niet begrijp.

DSB-bank: iedereen doet het... (16/10)

“De klant staat nummer één”, vertelde Paula Smit, voorzitster van de ondernemingsraad van DSB in de uitzending van Pauw & Witteman (15.10.2009). Pauw reageerde met de vaststelling dat veel klanten het handelen van de DSB-bank wel degelijk laakbaar vonden. Even later gaf ze toe dat ook de DSB ‘dubieuze’ producten had aangeboden, maar ze wees daarbij meteen op het feit dat die ook door andere banken werden verkocht.
Analyse. De bewering dat ook andere banken dezelfde dubieuze praktijken er op na hielden, is een populariteitsdrogreden. Smit relativeerde de praktijken (waarvoor de DSB door de toezichthouder AFM beboet werd en waarvoor de DSB-top een zuinig excuus heeft aangeboden, RR.) met een verwijzing naar andere banken (iedereen doet het…). Maar is dat relevant? Ook al maakt iedere bank zich schuldig aan bepaalde praktijken, dan nog maakt dat gegeven de praktijken van de DSB-bank niet minder laakbaar.

Pronk over Bos & de stroman van Elsevier (15/10)

“Partijleider Wouter Bos krijgt eigenlijk alle schuld, want Bos had fractieleider moeten worden. ‘Dat beloofde hij voor de verkiezingen, maar toch is hij het kabinet ingegaan.’ Volgens Pronk is het daar misgegaan. Hij wijt het aantal zetels van de partij in de peilingen (13) vooral aan deze niet nagekomen belofte van Bos.” Zo vatte Elsevier het interview met oud-politicus Jan Pronk in het AD samen.
Dat maakt nieuwsgierig. Wat zei Pronk eigenlijk? Bos had eigenlijk fractieleider moeten blijven, zoals hij voor de verkiezingen ook had beloofd. Daardoor bleef en blijft Hamer altijd de tweede keus, aldus Pronk. Bos kan bovendien nu geen gezicht aan de PvdA geven, omdat hij lid van het kabinet is. Maar “als minister van Financiën doet hij het ook goed. Zijn aanpak van de bankencrisis en de manier waarop hij de economische crisis aanpakt, vinden internationaal navolging. De werkloosheid is minder hoog dan elders.” aldus Pronk.Op de vraag “Ligt het alleen aan Bos?” volgde een antwoord dat in het licht van de samenvatting in Elsevier enigszins verrassend te noemen is. “Nee, in veel landen gaan sociaal-democratische partijen hard onderuit. In Duitsland, Frankrijk, Engeland, België. De arbeidersklasse waar wij ooit voor opkwamen, bestaat niet meer als zodanig. Ook de vakbeweging heeft daar last van. Het is toch frappant dat er zo weinig mensen op de been kwamen voor een onderwerp als de AOW?”
Kortom, Elsevier creëerde een stroman. (En wat mij betreft: alweer een staaltje van pseudo-journalisitiek.)

Bartels & de schadeclaim tegen de bestuurders van de DSB (14/10)

Dion Bartels, advocaat, gaat namens zijn cliënten procederen tegen de kopstukken van DSB Bank. Die zijn volgens hem hoofdelijk aansprakelijk te houden voor de ondergang van de bank. Dat is vooral interessant voor DSB-spaarders die meer dan 100.000 euro op de bank hebben staan. Op de website van Bartels Advocaten kunnen zij zich bij zijn kantoor melden. Bartels wil vandaag een procedure starten tegen Dirk Scheringa, Hans van Goor en Bartels’ partijgenoten Gerrit Zalm, Robin Linschoten, Frank de Grave en Ed Nijpels.
Er zit wel een prijskaartje aan. Alleen al de aanmelding kost 2500 euro (ex btw). En als men de zaak wint, dan krijgt het kantoor 5% van de vergoeding.
Waarom niet wachten tot de curator zegt “u krijgt uw geld (niet)”, wilde Pauw weten.
“Wij vrezen dat er een tekort zal zijn in de boedel. En nù zijn ze verzekerd”, aldus Bartels
Analyse. Wat te denken van het antwoord van Bartels? De presuppositie is dat de bewindslieden straks niet meer zijn verzekerd en dat een aansprakelijkheidsstelling dus niet succesvol zal zijn. Dat weet Bartels niet (en - buiten het kader van deze webstek - dat ligt ook niet voor de hand. Bovendien zijn Zalm, de Grave en Nijpels al vertrokken.)
Op de website van Bartels vindt men evenmin iets over deze vooronderstelling.

Lakeman vs. Boot (13/10)

Pieter Lakeman mocht het bij Pauw & Witteman (12/10) nog een keer komen uitleggen: waarom het goed was dat de DSB-bank het loodje had gelegd. Het faillissement was prima, zo meende de voorzitter van de stichting Hypotheekleed, omdat zijn leden daardoor hun geld sneller zouden terugkrijgen. Hij verwees naar de Tilburgse Hypotheekbank en de Van der Hoop Bankiers.
Aan de andere kant van de tafel mocht Boot, hoogleraar financiële markten, uitleggen waarom de ondergang van de DSB-bank een slechte zaak was, óók voor de leden van Lakemans stichting. Het draaide om de vraag hoeveel de activa (bezittingen) van de bank zouden gaan opbrengen. Veel, meende Lakeman. Weinig, meende Boot.
Analyse. Lakeman bediende zich bij de discussie van een fiks aantal persoonlijke aanvallen: “dat is absolute onzin…”, “onzin, u kunt niet rekenen…”, “u weet niet werkelijk niet hoe de cijfers liggen…”, “u moet alleen praten over zaken waar u iets vanaf weet…”, “u weet niet waarover u praat…” en “dat weet u misschien niet, maar ik wel…”.
Boot bleef op zijn beurt keurig argumenteren. Hij pareerde daarbij de aanval effectief met humor. Op de zoveelste persoonlijke aanval, reageerde hij met ‘ik ben het helemaal met u eens, maar niet inhoudelijk’. Retorisch gezien werkte dat perfect. Hij haalde Lakemans angel uit de zaak en poneerde vervolgens zijn voorspelling.
De verwijzing naar de Tilburgse Hypotheekbank en Van der Hoop ging niet op, meende Boot. Ook dat lijkt me terecht. Ten eerste gaat het slechts om twee voorbeelden. Eén over een bank die in 1983 failliet ging en een ander voorbeeld over een bank die in 2005 failliet ging. Los van dit punt is de waarde van een dergelijke inductief argument gering. Als een gebeurtenis zich twee keer met een zelfde effect voordoet, betekent dit niet dat de derde keer hetzelfde effect dus ook optreedt.

Ephimenco en de tu quoque-drogreden (12/10)

De stervende stad, Italië

Een klassieke ‘pot-verwijt-de-ketel’-argument kwam dit weekend uit de mond van Trouw-columnist Ephimenco (10.10.09) “Ik zou voorzichtig zijn alvorens met zware morele oordelen te komen als het om Italië gaat. Toch eisen Nederlandse kranten bijna op hoge poten van de EU-partners dat ze Berlusconi isoleren en desnoods Italië uit de EU schoppen. Ga eerst in eigen huis orde op zaken stellen, zou ik zeggen. Denk bijvoorbeeld aan die ene familie die al jaren op overheidssubsidies rijkelijk parasiteert, op kosten van de belastingbetaler luxe villa’s in arme landen aanschaft en als enige in dit door crisis getroffen land geen ene cent belasting betaalt. Geen belasting? Daar kan Berlusconi alleen maar van dromen.”
Analyse. Nederlandse kranten moeten voorzichtig zijn met hun verwijten jegens Berlusconi, omdat het Nederlandse koningshuis geen belasting betaalt. Maar ook al betalen de leden van het koningshuis geen belasting, dan zeg dat nog niets over het al dan niet laakbare gedrag van de Italiaanse premier. De vraag of Nederlandse kranten een moreel oordeel mogen vellen over Berlusconi hangt niet af van de praktijken van het Nederlandse koningshuis.

Leers en het ontkennen van een vooronderstelling (11/10)

De Maastrichtse burgemeester Leers heeft wat uit te leggen. In een privézaak, de aankoop van vakantievilla in Bulgarije, doet Leers zaken met één van zijn eigen ambtenaren. Er zou daardoor sprake zijn van belangenverstrengeling (NRC Weekblad, 10-16 oktober).
Leers kocht een te bouwen villa, maar wilde later een villa die dichter bij het water stond. Die was wel een stuk duurder. Als compensatie wilde de Bulgaarse ondernemer dat Leers zijn contacten zou aanspreken en nieuwe kopers zou aanbrengen. In een mail aan de bijna failliete Bulgaarse ondernemer bevestigde Leers die afspraak: “And I want to stress again that I will help you and your father in selling other villas.”
Volgens Leers wordt die mail volledig verkeerd uitgelegd: “Ik heb juist voorgesteld het prijsverschil te betalen.” Maar Leers bracht slechts één contact aan en kreeg vervolgens een extra rekening van 208.000 euro.
Analyse. Leers ontkent ten onrechte een vooronderstelling. Hij heeft, zo blijkt uit de mail, toegezegd zijn ‘contacten’ te gebruiken. Die vooronderstelling zit er wel degelijk in en dat is meteen ook het probleem. Volgens emeritus-hoogleraar Reijntjes hoort een burgemeester het aankopen van huizen in een Bulgaars vastgoedproject niet te bevorderen, ook niet privé.

Berlusconi attacca Bindi (10/10)

Roma

"E' più bella che intelligente" dice Berlusconi. Il Cavaliere attacca Rosy Bindi, vicepresidente della Camera (La Repubblica, 8 ottobre 2009). Bindi è una politica italiana, esponente del Partito Democratico (PD). Il PD è un partito politico italiano di centro-sinistra.
Bindi risponde: “Evidentemente io sono una donna che non è a sua disposizione.”
Ance un attacco personale. Un fulmini.
Un attacco personale viene commesso quando una persona sostituisce commenti offensivi alle prove quando attacca l'affermazione o le affermazioni di un'altra persona. Questa linea di 'ragionamente' è fallace perchè l'attacco è diretto alla persona che fa l'affermazione e non all'affermazione stessa.

Berlusconi en de persoonlijke aanval (9/10)

EUR, Rome

De Italiaanse premier Silvio Berlusconi is woedend. Hij is niet langer onschendbaar, want het Constitutionele Hof heeft de ‘Wet Alfano’ afgewezen. De wet is in strijd met de Grondwet. Met deze immuniteitswet zorgde Alfano, minister van Justitie, ervoor dat Berlusconi niet kan worden vervolgd zolang hij premier is. Handig, want tegen de tijd dat hij geen premier meer is, zijn de rechtzaken tegen hem verjaard. Maar met deze wet wordt volgens het Hof het principe van gelijkheid geschonden. Feitelijk is een grondwetswijziging vereist, maar dat is niet gebeurd. De immuniteit van Berlusconi werd met een gewone wet veiliggesteld.
“Het Hof is gepolitiseerd. Het is een instrument in handen van links”, zo reageerde Berlusconi.
Nu zijn immuniteit is opgeheven, zal Berlusconi zich moeten verantwoorden in – minimaal - twee rechtszaken. De ene zaak betreft de vermeende omkopen van de getuige David Mills, de Britse advocaat en voormalig adviseur van Berlusconi. Hij werd veroordeeld tot 4,5 jaar gevangenisstraf, omdat hij - voor 600.000 dollar - meineed pleegde in een rechtszaak, waardoor Berlusconi vrijuit kon gaan. Daarnaast loopt er nog een zaak over belastingontduiking en boekhoudkundige fraude.
Berlusconi’s partijgenoot en advocaat Niccolò Ghedini meent dat de uitspraak van het Hof “tegen de volkswil ingaat”. Umberto Bossi (Lega Nord) waarschuwde het Hof: „Je mag de woede van de volkeren niet aanwakkeren.” Zijn bondgenoot (en eigenlijk ook wel concurrent) Fini stelde wel dat Berlusconi respect moet tonen voor het Constitutionele Hof.
Analyse. Met een “het Hof is gepolitiseerd; het is een instrument in handen van links” hoeft Berlusconi – in zijn ogen dan – niet meer inhoudelijk te reageren op het commentaar van het Hof. Over schending van het gelijkheidsbeginsel en het omzeilen van de vereiste grondwetwijziging hoor je Berlusconi niet. Inmiddels heeft hij de aandacht afgeleid door een uitspraak over Bindi (waarover morgen meer).

Leistra over het strafklimaat (8/10)

Elsevier, 26 september 2009

Door de cover van het tijdschrift Elsevier werd al een tipje van de sluier: het strafklimaat is de laatste jaren milder geworden. Rechters spreken ook vaker vrij.
Althans, dat is de mening van Gerlof Leistra, redacteur van Elsevier. In de ogen van veel mensen zijn de straffen in Nederland veel te laag, maar waar deze bewering op gebaseerd is, maakt Lofstra niet duidelijk.
“De strafsectoren van de rechtbanken behandelden in 2008 in totaal 150.000 zaken. Het merendeel daarvan resulteert in een veroordeling. Maar het aandeel daalde van 94 procent in 2004 naar 91 procent vorig jaar. Tegelijkertijd steeg het aandeel vrijspraken in diezelfde periode van 4 procent naar 7 procent. In 2 procent van de zaken worden verdachten weliswaar schuldig verklaard, maar krijgen ze geen straf of wordt het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard, dat wil zeggen dat de officier van justitie het recht op vervolging heeft verspeeld.” Een onjuiste vergelijking, als je niet ook weet hoeveel niet-ontvankelijkheidsverklaringen er in 2004 waren. Feit is ook dat het aantal zaken dat door de rechtbanken werden behandeld in de periode 1995-2008 steeg met 24,5%.* Terwijl het aantal misdrijven in de periode 2000-2007 met 8,7% daalde, steeg het aantal strafzaken in dezelfde periode met 15%. In de woorden van hoogleraar strafrecht Ibo Buruma: was een opgedrongen tongzoen vroeger een walgelijke vorm van onfatsoen, tegenwoordig stelt de Hoge Raad dit gelijk met verkrachting (Buruma, De dreigingsspiraal. 2005, p. 31). Een 72-jarige die een moeder met kind uitschold, werd in 2005 veroordeeld voor bedreiging met zwaar lichamelijk letsel (Buruma, idem).
Na elkaar, dus dan ook door elkaar, meent Leistra. “Blijkbaar zijn rechters na de geruchtmakende dwaling in de Schiedammer Parkmoord (2000) - de verkeerde 'dader' zat vier jaar ten onrechte vast - voorzichtiger geworden en stellen ze de laatste jaren hogere eisen aan de bewijsvoering.” Ook hier weer geen enkele poging tot onderbouwing.
Zowel het aantal gevangenisstraffen als de gemiddelde duur daarvan is in de afgelopen vijf jaar aanzienlijk gedaald. Zo werd in 2008 een kwart minder vrijheidsstraffen opgelegd dan in 2004. Wat Leistra gemakshalve niet vermeldt, is wat de cijfers in de periode 1995-2008 zelf zijn. Relevante informatie, lijkt me. Zeker gezien het feit dat 2003 een omslagpunt is. Na jaren van stijging, ontstaat er na 2003 weer een lichte daling.
Het aantal opgelegde detentiejaren daalde wel, namelijk met 14 procent. Dat is het gevolg van een verschuiving richting taakstraffen. Doordat er minder korte gevangenisstraffen worden uitgesproken, stijgt de gemiddelde duur van de straf en moest de doorsnee-gedetineerde in 2008 twee dagen langer zitten dan in 2007. Wat Leistra niet vermeldt, is dat gemiddelde straf voor verkrachting gestaag toeneemt in de periode 1995-2007; dat de gemiddelde straf voor diefstal vanaf 2003 licht stijgt.
Ook de wetgeving speelt een rol. De maximum-tijdelijke-straffen voor ernstige delicten zijn de afgelopen jaren verhoogd voor moord zelfs van twintig naar dertig jaar - en de automatische invrijheidstelling na tweederde van de straf is afgeschaft.” Maar dat duidt eerder op een harder dan een milder strafklimaat.
Naast de gemiddelde duur van de opgelegde straffen is het aantal gedetineerden per 100.000 inwoners een indicatie voor het strafklimaat. De afgelopen decennia is Nederland binnen Europa opgeklommen van achterblijver - met een cijfer van 23 in 1980 – tot een van de koplopers, met in 2008 100 gedetineerden op de 100.000 inwoners. In 2005 waren dat er zelfs 134.
Binnen de gevangenissen is het regime aanzienlijk versoberd. Gevangenen krijgen minder tijd voor recreatie en moeten langer achter de deur zitten. Rechters leggen vaker levenslang op dan voorheen en ook het aantal chronische patiënten op de longstay van tbs-klinieken - 'verborgen levenslangen' is gegroeid. De gemiddelde duur van een tbs-behandeling nam toe van 84 maanden in 2004 naar 101 maanden in 2008. Rechters beëindigen de maatregel minder snel dan voorheen.” Zelfs hier gaat Leistra selectief met het feitenmateriaal om. Rechters geven inderdaad vaker levenslang, maar hoeveel dan? Sinds 1995 is levenslang 36 keer opgelegd. In de halve eeuw daarvoor nog maar zes keer. Laat ik ook eens een rekenkundig trucje toepassen: sinds 1995 is het aantal levenslangveroordelingen met 600% gestegen.
Maar, zo besluit Leistra, de stelling dat het strafklimaat de afgelopen jaren veel strenger zou zijn geworden, is niet houdbaar. Op de cover van de Elsevier werd echter gesproken over het gegeven dat de cijfers aantonen dat het strafklimaat milder is geworden. Komen daar nog de tegenargumenten voor? Het antwoord is: nauwelijks. Rechters spreken immers vaker vrij en geven gemiddeld minder straf dan enkele jaren geleden. Meer dan deze twee feitjes dit heeft Leistra niet te bieden; feitjes die hem niet van pas komen, negeert hij.
*) De cijfers die ik aanhaal, zijn te vinden op de site van het CBS (www.cbs.nl)

De expertdisucssie in het NRC (7/10)

Deugt het onderzoek naar Marokkaanse jeugddelinquenten?
Jongens van Marokkaanse afkomst in jeugdgevangenissen hebben vergeleken met autochtone jongeren lichtere vergrijpen gepleegd. Dat was de conclusie van het rapport Marokkaanse jeugddelinquenten, een klasse apart, dat onderzoekers Universiteit Utrecht op 8 september j.l. presenteerden.
Paul Andersson Toussaint, auteur van het boek 'Staatssecretaris of seriecrimineel; het smalle pad van de Marokkaan', zette in de rubriek Expertdiscussies grote vraagtekens bij de conclusies. “Als een bepaalde etnische groep relatief jong onevenredig vaak (gewelddadige) misdaden pleegt, dan komt bij de lezer niet als eerste gedachte op dat deze groep dan wel meer dan gemiddeld geïntegreerd zal zijn in de Nederlandse samenleving”, was één van zijn kritiekpunten.
Dat leverde op het NRC de volgende ‘expertdiscussie’ op.

“Het Utrechtse onderzoek rammelde aan alle kanten. (Maar ik heb over vergelijkbare materie al zo vaak een ingezonden brief geschreven, die geweigerd werd omdat ik geen naam heb, dat de moed je op het laatst in de schoenen zinkt. Daarom ben ik blij dat Paul Andersson Toussaint eindelijk met terechte kritiek komt aanzetten.)Duidelijk was dat de onderzoeksters zich hadden voorgenomen een goed woordje te doen voor criminele Marokkaanse jongens: de anti-PVV-mentaliteit. (…) De onderzoekster maken zich belachelijk als ze het wetenschappelijk ongefundeerde vermoeden uitspreken dat discriminatie wel eens tot criminaliteit zou kunnen leiden. Daar was het de dames natuurlijk om te doen: de schuld bij de samenleving leggen en niet bij de jongens en hun opvoeding.Het vervelende van deze materie is dat je alleen maar pro of contra de Marokkaanse lieverdjes schijnt te kunnen zijn. Criminaliteitspreventie kan tot doel hebben de jongens en hun ouders veel ellende te bepsparen en de Marokkaanse gemeenschap op te stoten in de vaart der volkeren. Dat uitgangspunt kom je zelden tegen en zeker niet in Utrecht.”

“Zijn de onderzoekers hier gewoon dom, of willen ze zelf sociaal wenselijk blijven?Ik denk het laatste, dan kunnen ze met deze publicatie nog veel geld verdienen bijvoorbeeld door het geven van lezingen.”

“Maar: weer een voorbeeld van corrupte wetenschap. De wereld gaat niet kapot aan wat mensen de aarde aandoen ( de niet bestaande menselijke invloed op de klimaatverandering), maar wat ze uit eigen gewin de mensheid aandoen.Wetenschap is niet meer waardevrij, is biased geworden, toeredenerend naar gewenste resultaten.”

“Het probleem is dat veel journalisten geen idee hebben van hoe een onderzoek goed onderbouwd dient te worden. Daarnaast zijn ze vaak niet kritisch genoeg om het eens aan iemand voor te leggen die wel weet hoe je degelijk onderzoek doet. Ik raad daarom alle journalisten aan bij sociaal gevoelig/brisant onderzoek contact op te nemen met een natuurwetenschapper, of in ieder geval iemand die niet in hetzelfde ‘wetenschappelijke’ vaarwater vist als de sociaal-wetenschappelijke onderzoekers. Zo iemand kan dan beoordelen of het onderzoek ook werkelijk wat voorsteld en of de conclusies ook werkelijk hard zijn.”
“Het verdraaien en manipuleren van feiten is altijd fout. Als onderzoeker moet je onafhankelijk zijn wat de uitkomst ook mag zijn. Bij dit onderzoek heb ik grote twijfels. Het multiculti ideaal wordt met de echte uitkomsten onderuit geschoffeld. Dat willen de onderzoekers niet. Zet alles statistisch op een rijtje en je weet genoeg. De allochtonenknuffelpraktijk heeft dus niet gewerkt.”

“Wat ik wel mis bij de onderzoekers is onbevangenhied en common sense.goed het gevolg zou kunnen zijn van het te verklaren verschijnsel.”

“Integriteit van de onderzoekers moet boven alle twijfel verheven zijn, zo niet dan bereiken de onderzoekers precies het tegenovergestelde van datgene wat zij beogen, namelijk een eerlijk beeld schetsen van de voor en tegens van massa immigratie.Door maar de schijn op zich te laden te hebben gemanipuleerd met de resultaten maakt ze ongeloofwaardig en dikwalificeert ze als serieuze wetenschappers.Hun politieke overtuiging mag nooit de uitkomst beinvloeden, de waarheid manipuleren om immigatie gunstiger voor te stellen dan het in werkelijkheid is, is een doodzonde en is oerdom.”

De reacties worden gekenmerkt door een hoog ad hominemgehalte. Er wordt in een aantal gevallen zonder nadere argumentatie uitgegaan van de intellectuele tekortkomingen en/of dubieuze motieven van de onderzoekers. De ‘objectieve’ vaststelling van de reageerders komt dan in de plaats van inhoudelijke redenen waaruit het ongelijk van de onderzoekers blijkt.
In een paar gevallen werden wel inhoudelijke redenen gegeven waaruit dat ongelijk zou blijken. Hoewel die redenen niet correct waren of op een misverstand van de zijde van de reageerders berustten, is er in dat geval geen sprake van een persoonlijke aanval als de aanval het inhoudelijke argument niet vervangt.
Soms dekt de reageerder zich in met een voorbehoud, zoals “als Andersson Toussaint gelijk heeft”. Zoals hieronder.

“Als Paul Anderson Toussaint gelijk heeft is dit een ernstige blamage voor de wetenschap. Wetenschappers moeten objectief en onafhankelijk hun vak beoefenen, als ze dat niet doen dan zijn het charlatans die niet thuishoren op een universiteit. De Utrechtse universiteit zou er dan ook goed aan doen om een diepgaand onderzoek te starten. Mochten de dames er een potje van gemaakt hebben dan rest er maar een ding; ontslaan deze mensen en hun bul afpakken. Ik moet er niet aan denken dat zulke mensen straks kamerlid,minister of een andere maatschappelijke functie gaan beoefenen. Nogmaals als de feiten kloppen zoals Anderson Toussaint beschrijft.”

Maar wat betoogt de reageerder hier nu eigenlijk? Niemand houdt een pleidooi om charlatans, die cijfers wegpoetsen, voor de universiteit te behouden. En de reageerder kan natuurlijk het verhaal van Anderson Toussaint controleren door het rapport van de onderzoekers zelf te lezen.

De retoriek van de damagecontrol 2 (6/10)

Kees Fens gaf dertien jaar geleden al een rake typering van Linschotens retoriek. “Er wordt gezegd dat Linschoten als kamerlid plezier in de discussie had. Hij stond vaak bij de interruptie-microfoon. Ik twijfel aan dat plezier. Zijn spreken verraadt het niet en niet alleen het mechanische daaraan. Zijn kracht is zijn herhaling van een standpunt, ook in een vraag. De herhaling toont de fundamentalist. Hij miste als kamerlid elk gevoel voor spel.” (VK, 27 april 1996)*
Die herhaling hanteerde Linschoten ook bij Pauw & Witteman, waarover ik gisteren schreef.
.
* Met dank aan Marco.

DSB & de retoriek van de damage-control (5/10)

Pieter Lakeman, voorman van de Stichting Hypotheekleed, riep donderdagochtend, 1 oktober 2009, mensen op om hun spaartegoed van de DSB-bank te halen. Twee uur later lag de site van de internetbank DSB plat. Vervelend voor de klanten, want zo konden ze niet meer aan hun geld. Hackers hadden de zaak platgegooid. Tenminste, dat beweerde de bank. IT-experts twijfelden echter openlijk over deze bewering (Trouw). Onder andere Danny Mekic. Hij zei op Nova dat er geen hackers in het spel waren.
Bij Pauw & Witteman (1/10) mocht Robin Linschoten, bestuurslid van de DSB-bank, zijn zegje doen. Hieronder een kleine analyse van zijn retorische damagecontrol.
Linschoten bendrukte maar liefst acht keer dat er “een streep onder het verleden” was gezet. Vijf keer gaf hij aan dat er een tijd geleden voor een “nieuw businessmodel” was gekozen; een keer dat er een “punt” was gezet achter de praktijken die tot problemen hadden geleid. Feitelijk kwam het neer op het veertien keer vermelden dat het om oude zaken ging.
Linschoten vermeldde ook dat DSB de problemen zou gaan oplossen (zes keer). Die problemen waren overigens problemen die door de klanten zelf werden veroorzaakt (twee keer). En natuurlijk: iedere bank verkocht de producten waar nu zoveel commotie over is (twee keer).
Verder werden de critici verdacht gemaakt. Over Nova, die alle mededelingen van (oud-)medewerkers had gecheckt: “Ja, dat zou ik ook zeggen”; over Lakeman: “hij is uit op publiciteit”; over de medewerkers van Bos: “Jammer dat ze de minister niet ook geïnformeerd hebben over...”; over kamerleden die de afgelopen maanden kritiek hadden: die waren uitgenodigd, maar die kwamen niet.
Linschoten heeft dit alles ongetwijfeld goed doorgesproken met zijn communicatie-adviseurs en dankzij zijn CTSV-debacle in de Kamer is hij eigenlijk ook ervaringsdeskundige op dit terrein. Maar het was net allemaal teveel. In pakweg zeventien minuten maar liefst vijftien keer benadrukken dat er sprake is van een ‘ouwe zaak’ is gewoon te veel.
Een uur eerder mocht Hans van Goor, die net als Linschoten bestuurslid is, op Nova tekst en uitleg geven. Hij paste de damagecontrol-trucs minder opzichtig toe als Linschoten. Dat het om het verleden ging, kwam bij hem slechts vijf keer aan bod. Dat de bank alle problemen zou gaan oplossen, werd door hem vier keer gemeld. De ‘anonimiteit’ van de oud-medewerkers voorzag hij niet van een moreel stempel, maar wimpelde dit weg met een ‘ik ken die mensen niet’.
De parallel is wel opvallend. Kennelijk hebben ze dezelfde communicatie-adviseur gehad, maar Van Goor deed het wat bescheidener. Of Linschoten had het lesje beter geleerd.

Andersson Toussaint vs. Stevens, Veen & Volleberg (4/10)

“In het rapport Marokkaanse jeugddelinquenten, een klasse apart? worden niet-sociaalwenselijke bevindingen wetenschappelijk weggemasseerd. Dat leidde tot opmerkelijke conclusies”, schreef Paul Andersson Toussaint, de schrijver van boek 'Staatssecretaris of seriecrimineel; het smalle pad van de Marokkaan’ in het NRC.
Volgens Andersson Toussaint masseerden de onderzoekers cijfers weg. Ze onderzochten ‘delictprofielen’ en wilden weten welke soort misdaden door welke groep jongens werden begaan. “Volgens hun onderzoek waren er ‘duidelijke etnische verschillen in delictprofielen’ te zien. 82,5 procent van de Marokkaanse jongens zat vast op verdenking van vermogensdelicten (zonder geweld), tegenover 49,4 procent van de Nederlandse jongens die weer hoger scoorden in de categorieën: geweldsdelicten, zedendelicten en brandstichting.”, aldus Andersson Toussaint.
Maar, zo gaat hij verder, in hun eigen onderzoeksresultaten komen ook andere getallen voor. Zo blijkt dat 45,3 procent van de Marokkaanse jongens een vermogensdelict ‘met geweld’ pleegde tegenover 22,7 procent van de Nederlandse jongens. “Een score die dus vrijwel twee keer zo hoog was. Dit kennelijk onrustbarende feit wordt verderop in het rapport door gegoochel met de delictprofielen weg gemoffeld. Door vermogensdelicten met geweld domweg niet als geweld te definiëren.” Daardoor lijken Nederlandse verdachten zelfs veel gewelddadiger zijn dan de Marokkaanse: 28,6 procent geweldsdelinquenten tegenover 10,9 procent. “Een kwestie van wetenschappelijk wegmasseren”, meent Andersson Toussaint
Volgens de onderzoekers zijn de Marokkaanse verdachten juist meer dan gemiddeld geïntegreerd in Nederland. Toussiant heeft echter kritiek op de wijze waarop de onderzoekers hebben vaststelden in welke mate iemand geïntegreerd is. Dat hebben ze aan de jongens zelf gevraagd aan de hand van vragen over de hoeveelheid contacten die ze met Nederlanders hebben, over de mate waarin de jongens zich op hun gemak voelden bij Nederlanders en in welke mate ze trots zijn op de Nederlandse cultuur. Dat kan leiden tot sociaal wenselijke antwoorden, waardoor de onderzoeksresultaten volgens Toussaint onbruikbaar zijn. Maar de onderzoekers denken daar anders over. ‘Door in verschillende analyses voor deze sociale wenselijkheid te controleren, is in dit onderzoek rekening gehouden met sociale wenselijkheid en kunnen de verschillen tussen de twee groepen jongens in preventieve hechtenis daarmee niet door sociale wenselijkheid verklaard worden’, schreven de onderzoekers. Foute boel, sneert Toussaint: “Dames en heren, dit is echt topwetenschap. Een klasse apart. En zo konden deze sensationele bevindingen toch wereldkundig gemaakt worden en kwamen ze landelijk in de publiciteit en haalden ze zelfs het Journaal.”

De onderzoekers reageerden vervolgens met een ingezonden brief in het NRC (3.10.09).
“Nederlandse jongens zaten in verhouding vaker vast voor zwaar geweld, zedendelicten en brandstichting. Volgens het classificatiesysteem van Van Kordelaar zijn dit zwaardere delicten dan vermogensdelicten met en zonder geweld, de delicttypen waarin Marokkaanse jongens zijn oververtegenwoordigd. Voor Nederlandse jongens was het percentage dat in voorlopige hechtenis zat voor een zwaar delict dus aanzienlijk groter dan voor Marokkaanse jongens. Dat betekent niet dat de impact van een tasjesroof niet enorm kan zijn. Wellicht verklaart de verontwaardiging van Andersson Toussaint over deze vermogensdelicten zijn felle reactie.”
De onderzoekers stellen verder dat ze hebben aangegeven dat Marokkaanse jongens verhoudingsgewijs vaker vermogensdelicten met en zonder geweld plegen. “Uit dossieronderzoek van H. van der Vinne blijkt dat er in de helft van de vermogensdelicten met geweld sprake is van bedreiging zonder dat er geweld wordt toegepast. Ook gaat het om diefstal gevolgd door licht geweld.”
Van wetenschappelijk wegmasseren is volgens de onderzoekers dan ook geen sprake.

Analyse. Was er sprake van “wetenschappelijk wegmasseren”? Het antwoord moet ontkennend luiden. De categorie vermogensdelicten bestaat uit afpersing en diefstal met geweld. Die laatste subcategorie bevatten delicten waarbij zowel geweld als geen geweld wordt gebruikt. Er valt niet alleen het geweld onder waarbij letsel ontstaat, maar ook het dreigen met geweld en het duwen en trekken. Het gaat in deze categorie min of meer om geld.
Dat deze categorie wordt afgezet tegen ‘geweldsdelicten’ (waarbij het louter om geweld gaat) is legitiem. Op pag. 20 van hun rapport geven de onderzoekers aan waarop het onderscheid tussen vermogensdelict (met en zonder) geweld en zuiver geweldsdelict is gebaseerd, namelijk dat de vermogenscomponent voorop staat.
Dat “vermogensdelicten met geweld domweg niet als geweld wordt gedefinieerd”, is volstrekt onjuist. Andersson Toussaint creëert een stroman.
Een ander kritiekpunt van Andersson Toussaint betreft de sociale wenselijkheid in de antwoorden van de Marokkaanse moeders en verdachten. De onderzoekers stellen daarover op pag. 50 het volgende: “Door in verschillende analyses voor deze sociale wenselijkheid te controleren, is in dit onderzoek rekening gehouden met sociale wenselijkheid en kunnen de verschillen tussen de twee groepen jongens in preventieve hechtenis daarmee niet door sociale wenselijkheid verklaard worden.” Waarom dit zo desastreus is voor het onderzoek, maakt Andersson Toussaint niet duidelijk. Dat kan hij ook niet. De onderzoekers hebben de sociale wenselijkheid gemeten (p. 3.3.2) op basis van de Marlowe-Crown Sociale wenselijkheidschaal (p. 26) en mede op basis daarvan uitspraken gedaan over de consequenties daarvan.
Andersson Toussaint maakt zich schuldig aan een persoonlijke aanval jegens de onderzoekers. Ten onrechte dus.

De zogenaamde expertdiscussie over dit onderzoek op het NRC was een regelrechte aanfluiting. Op een enkele uitzondering na had niemand het onderzoek begrepen. Voer voor later.

Zoektermen die in oktober naar deze blog leiden (3/10)

Google meent dat deze site bevredigende informatie bevat voor mensen die zoeken op: ‘zelfbevredigings manieren’, ‘mooie mannen’, ‘mannenhebbensexmetdieren’, ‘in het slipje’ en ‘pornogebruik’. Ook het ‘overspel Lucia vermeulen’ leidt de googelaar (kennelijk) naar deze site.

Niet aan sex gerelateerde, maar net zo curieuze zoektermen waren er ook. Zoals ‘5 drogreden voor email gebruik’. Er blijken ook ‘nederlandse drogredenen’ te zijn.

De politici Vredeling, Lubbers en Pronk bevinden zich op deze site in elkaars gezelschap: ‘dronken lubbers’, ‘pronk dronken’ en ‘minister vredeling dronken’. Ook meent iemand dat de hele PvdA een drankprobleem heeft: ‘drankprobleem PvdA’. Berlusconi heeft geen drankprobleem, maar andere problemen: ‘berlusconi prostituées’.

Was Lotsy tijdens de oorlogsjaren fout? (2/10)

Karel Lotsy, de Nederlandse sportbestuurder tijdens de oorlogsjaren, blijft de gemoederen bezig houden: was hij (erg?) fout. Volgens oud-sportjournalist Matty Verkamman was hij hartstikke fout. Hij bassert zijn oordeel onder meer op een brief, die Lotsy in november 1940 schreef aan de hockeybond. Op last van de bezetter moesten de verzuilde sportbonden samengaan en Lotsy was verantwoordelijk voor die operatie. Lotsy benadrukte in die brief dat in de nieuwe besturen geen Joden mochten zitten. Volgens Verkamman zou die eis door Lotsy zelf zijn gesteld en daarmee bevestigt hij nog eens wat hij dertig geleden ook al beweerde: Lotsy was fout.
Zijn standpunt staat lijnrecht tegenover dat van Frank van Kolfschooten. In zijn biografie over Lotsy, ‘De Dordtse Magiër’, weerspreekt Van Kolfschooten de aantijgingen tegen de sportbestuurder. Lotsy handelde volgens hem niet op eigen initiatief.
Verkamman beschuldigt Van Kolfschooten dat hij de brief aan de hockeybond bewust heeft achtergehouden: “die brief kwam Van Kolfschooten niet van pas omdat hij op eerherstel aanstuurde.”
Van Kolfschooten geeft weerwoord: “Dat is beneden alle peil. Verkamman is die brief anoniem toegespeeld. Hoe kon ik er dan over beschikken?”
Analyse. Verkammen lanceert een indirecte persoonlijke aanval richting Van Kolfschooten. De laatste zou informatie achterhouden die hem niet goed uitkwam. Maar welk ‘bewijs’ heeft Verkammen eigenlijk? Welke bronnen? Feitelijk vervangt de beschuldiging het inhoudelijke argument.

Wilders: leugenaar? (1/10)

Volgens Volkskrantmedewerkster Malou van Hintum liegt PVV-leider Wilders (Vk, 30.9.09). “Eén. Hero Brinkman is van de ene op de andere dag gestopt met drinken. Twee. Hij kan nog steeds geloofwaardig pleiten voor een harde aanpak van geweld, want hij heeft geen agressie gebruikt. Aldus de Venlose voddenkop die, zo lijkt het, ook niet in zijn eerste leugen is gestikt. Kan iemand met een drankprobleem van de ene op de andere dag stoppen met drinken en intussen gewoon zijn werk blijven doen? Nee. Dus óf Heerlijk Helder Hero liegt (hij had geen drankprobleem), of Geert Wilders liegt (HHH drinkt nog wel).”
Analyse. Van Hintem blaast een vooronderstelling tot gigantische proporties op. Brinkman geeft aan dat hij een drankprobleem heeft, maar daarmee is niet gezegd dat hij een alcoholist is. Er zijn veel gradaties. Om Wilders vervolgens een leugenaar te noemen, is dan ook een directe persoonlijke aanval