Gamma-ongeletterdheid (30/11)

Hokjesdenken (EUR, Rome)

Vandaag eens iets anders: gamma-ongeletterdheid. Deze keer uit de koker van wetenschapsredacteur Simon Rozendaal (Elsevier). Over de piramide van Maslow kletste hij daar onlangs het volgende bij elkaar: “Ik ben zoals u wellicht weet een chemicus, een natuurwetenschapper dus. Maar ik heb tijdens mijn studie in het kader van wat toen Studium Generale heette een inleidend college sociologie gevolgd.”
“Dat vond ik tachtig procent onzin. Er zat één stukje kennis bij, dat me raakte en me sindsdien is bijgebleven. De piramide van Maslov. Die schrijft voor dat wij mensen een aantal basisbehoeften hebben. Voedsel, seks, veiligheid, liefde, geborgenheid, gezondheid, enzovoorts. Heb je de eerste treden van de piramide beklommen dan wil je nog meer vrouwen, nog meer auto’s, nog meer pakken, nog meer grachtenhuizen, enzovoorts, enzovoorts.”
“Gelukkig is er, zo heb ik ontdekt, een mogelijkheid om de piramide van Maslov af te dalen. Heel soms, als je geliefden ernstig ziek zijn, als je ouders sterven, dan weet je weer waar het om gaat. Gezondheid, liefde, vrijheid. En dan ben je weer zo blij als je eigenlijk zou moeten zijn. Maar het zijn momenten. Meer zit er niet in.”

Waren die colleges op maandagochtend om kwart voor negen? Rozendaal vertoont hier een reeks ‘blauwe maandag’-momenten, want veel heeft hij er niet van begrepen. Sterker nog, hij verkondigt over de piramide regelrechte onzin. Nadat (1) de eerste fundamentele levensbehoeften, de fysiologische behoeften, zijn bevredigd, wil je niet nog meer “vrouwen, auto’s en pakken”, maar staat (2) de behoefte aan veiligheid en zekerheid centraal. Als daaraan voldaan is, neemt (3) de behoefte aan sociaal contact toe. Daarna (4) de behoefte aan waardering en erkenning. Als aan die behoefte is voldaan, komt (5) de behoefte aan zelfontplooiing in het zicht.
Volgens Rozendaal is met dit “stukje kennis” te verklaren dat mensen nooit gelukkig zullen worden. Want dit stukje kennis “schrijft voor” dat mensen basisbehoeften hebben. Nu schrijft deze theorie niet voor, maar beschrijft ze enkel. (Wel interessant is de kritiek van H.C.J. Duijker, voormalig hoogleraar psychologie. In 1976 heeft hij een buitengewoon intelligente kritiek op deze theorie gegeven. In het artikel ‘de ideologie der zelfontplooiing’ gaat hij onder meer ingaat op het ideologische karakter van deze theorie. Dat artikel verscheen in 1979 in de bundel ‘De problematische psychologie’ bij uitgeverij Boom.)
Maar goed, Rozendaal is zelfs niet eens in staat om de naam van de wetenschapper correct weer te geven: het is ‘Maslow’ en niet ‘Maslov’.
Al met al een indicatie van gamma-ongeletterdheid.
.
Drogredenen van Rozendaal zijn hier, hier, hier en hier te vinden.

Over alfa's & beta's (29/11)

De Vlaamse wiskundige en filosoof Jean Paul van Bendegem, hoogleraar wetenschapsfilosofie (VUB) werd in Trouw (20.11.09) geïnterviewd door Peter Henk Steenhuis in verband met het verschijnen van een essay ‘Hamlet en entropie’. Een klein fragment uit een mooi gesprek met deze intelligente denker.

“Als het gaat om mensen op te voeden, durf ik stellen dat de mens-, cultuur- en maatschappijwetenschappen voorop moeten staan en niet de 'exacte' wetenschappen."
“Een belangrijk kenmerk van de ‘humane’ wetenschappen is dat zij ervan uitgaan dat er altijd meerdere theorieën naast elkaar bestaan, die met elkaar in discussie gaan. Zonder het belang van logica en wiskunde te verwaarlozen, laat staan te negeren, moet er ook in de opvoeding ruimte worden gemaakt voor het leren argumenteren, het leren discussiëren, het leren omgaan met verschillende, elkaar tegensprekende meningen, het leren bereiken van een compromis of een andere eindtoestand tot en met het leren van manieren van presenteren, zeg maar retoriek.”
“Mijn studenten in het eerste jaar op de universiteit zijn nauwelijks in staat om een argumentatie te analyseren. Dat verwijt ik ze niet, ik stel vast dat ze het simpelweg nooit hebben geleerd. Ze nemen meteen een positie in, één van de twee heeft gelijk en de ander begrijpt er niets van. Vraag dan wat de argumenten zijn en het wordt heel vaak stil.”
“Het ideaal van een hogere opvoeding in de Middeleeuwen werd vaak uitgedrukt door middel van het zogeheten trivium en quadrivium. Het eerste pakket omvatte logica (of dialectica), grammatica en retoriek, en het tweede pakket rekenkunde, meetkunde, muziek en astronomie. Wat er mij in de loop van onze westerse geschiedenis lijkt gebeurd te zijn, is dat het volle gewicht is komen te liggen op het quadrivium, terwijl het trivium voor een groot deel uit het zicht verdwenen is.”
“Dat betreur ik. De aandacht voor het argumenteren en discussiëren, de aandacht voor de waarde van een argument, de talrijke wijzen en manieren waarop een discussie gevoerd kan worden, zijn essentiële ingrediënten in een samenleving die pretendeert door overleg tot beslissingen te komen die worden gedragen door een meerderheid - met andere woorden, waarin een meerderheid zich kan herkennen. Zo krijgen we mondige burgers, burgers met een sociaal alert bewustzijn, die zich niet tot een van de twee culturen laten veroordelen, en zich niet in een kloof laten duwen.”

In 1959 verscheen het essay ‘The Two Cultures’ van C.P. Snow. In dat essay stond de scheiding tussen alfa- en betawetenschappen centraal. “Waarom ben je een cultuurbarbaar als je Shakespeare niet kent, maar is het perfect aanvaardbaar om niets te weten over de wetten van de fysica?” Van Bendegem beschrijft hoe deze scheiding er een halve eeuw later uitziet. Volgens hem is er niet veel veranderd. “De relaties tussen de wetenschappers onderling, alfa, beta of gamma, het maakt niet uit, zijn nog steeds belabberd, maar ook de relatie met de zogenaamde ‘leek’ is helemaal vertroebeld en aan een grondige herziening toe.”
Absolute aanrader over de kloof!

Jean Paul Van Bendegem, Hamlet en Entropie. De twee culturen, een halve eeuw later. Een pamflettair essay. VUBpress, Brussel. 15 euro.
.
Morgen zal ik ingaan op gamma-ongeletterdheid. Van Bendegem figureerde eerder op deze webstek: zie hier. Een interview op de radio met Van Bendegem vindt u hier.

Bleeker en de strijd tegen de vaccins 2 (28/11)

“Er zijn maar weinig experts (artsen/specialisten) die hun nek durven uit te steken en uit het reguliere plaatje kunnen/willen stappen waarin ze al die jaren hebben vertoefd”, aldus Anneke Bleeker op haar site ‘Verontrustemoeders’.
Analyse. Bleeker combineert hier een directe en een indirecte persoonlijke aanval, waarmee ze deskundige voorstanders bij voorbaat diskwalificeert. De directe persoonlijke aanval bestaat erin dat deskundigen niet in staat zijn om buiten de hen vertrouwde kaders te denken. De indirecte persoonlijke aanval bestaat erin dat deskundigen hun nek niet durven uit te steken. Hun motief wordt dan verdacht gemaakt.

Rozendaal over mesjogge Bleeker (27/11)

“Mesjogge.” Zo (dis)kwalificeerde Simon Rozendaal redacteur van Elsevier onze nationale vaccinatiebestrijdster Anneke Bleeker. Kenmerkend voor alle Anneke Bleekers is dat zij deskundigen wantrouwen. “Deskundigen worden gewantrouwd” aldus Rozendaal (Elsevier). “Dat zie je ook bij Anneke Bleeker: ze zegt enerzijds dat alle deskundigen belangen hebben (bij de farmaceutische industrie natuurlijk) maar ook dat iedereen die zich een paar weken in de materie verdiept zelf eveneens deskundig kan zijn.”
Vervolgens blijkt dat samen te hangen met links. Rozendaal redeneerde er vrolijk op los: “Wijlen Joop Doorman (hoogleraar filosofie in Delft, ex- voorzitter van de VPRO en een paar weken geleden overleden) zei eens tegen mij dat de PvdA moeite had met twee disciplines die haaks stonden op het gelijkheidsdenken: kunst en wetenschap. Een schilder kan dingen maken die anderen niet kunnen maken en een geleerde kan dingen bedenken die anderen niet kunnen bedenken. Kortom, alle mensen zijn ongelijk. Sommige mensen hebben nu eenmaal meer kwaliteiten dan anderen.”
Dit legt Rozendaal uit als een argwaan tegen deskundigen. “Het lijkt wel of die eerst linkse argwaan zich nu over de hele onderkant van de samenleving heeft verspreid. Het gewone volk wantrouwt autoriteiten en deskundigen.”
Analyse. Bleeker wantrouwt deskundigen niet, maar ze beroept zich erop. Ze verwijst op haar site onder meer naar een documentaire van de ZDF, die ze omschrijft als een voorbeeld van objectieve onafhankelijke journalistiek. In die uitzending komen niet alleen sceptici als prof. Kochen en prof. Ludwig aan het woord, maar ook voorstanders als dr. Stöcker. Ook verwijst Bleeker op haar site naar dr. Holtorf, die zijn kinderen niet vaccineert. Rozendaals aantijging dat Bleeker deskundigen wantrouwt, is volstrekt onterecht.

Vervolgens citeert Rozendaal de Delftse filosoof Doorman. Deze onlangs overleden hoogleraar wees op het feit dat de PvdA moeite had met een discipline als wetenschap, die immers haaks staat op het gelijksheidsdenken. Rozendaal ‘verbastert’ dit tot een linkse argwaan tegen deskundigen, die zich nu lijkt te verspreiden over de hele onderkant van de samenleving. ‘Lijkt’? Dus niet echt? Of toch wel?
Maar los van dit vaag taalgebruik, koppelt Rozendaal twee zaken aan elkaar die in dit verband niets met elkaar van doen hebben. Doorman wijst op de gelijkheidsideologie en dat staat los van een of ander wantrouwen tegen deskundigen.
Kortom, in zijn analyse van de mesjogge Bleeker maakt Rozendaal zich schuldig aan onlogisch redeneren en schuift hij haar standpunten in de schoenen die ze niet verkondigt. Het verbaast me dan ook dat uitgerekend Rozendaal in de Volkskrant (23.11.09) wordt opgevoerd als 'deskundige' over Bleeker en haar strijd.

Bill O'Reilly over de 9/11-rechtzaak (26/11)

Scott Fenstermaker, één van de advocaten van Ali Abd al Aziz (een 9/11-terrorist), werd geïnterviewd door Bill O’Reilly (Fox, 24.11.09). De laatste is de licht ontvlambare interviewer van het Amerikaanse televisiekanaal Fox. (Zie hier het interview.)
O’Reilly stelde onder meer de vraag “Is there any justification on this earth to murder thousands of innocent people?” Fenstermaker antwoordde dat het aan de jury is om te bepalen of dat het geval is.
O’Reilly: “Are you sitting here as a human being telling me the people on 9/11 weren't murdered?”
Fenstermaker vond het zijn taak als advocaat om er voor te zorgen dat zijn cliënt een eerlijk proces krijgt. Fout antwoord dus...
O'Reilly: “Don't you think people watching you, and millions are right now, counselor, and I don't mean this with any disrespect, think that you're a weasel?”
Fenstermaker: “They might. That's fine.”
O'Reilly: “Cause I do. And you seem like a nice guy, but I'm saying this guy sitting in front of me doesn't think these people were murdered on 9/11 when we saw what happened; if he won't say they were murdered or not, he's a weasel.” Vervolgens voegde O'Reilly nog toe het het Amerikaanse publiek Fenstermaker haatte.
Het interview werd zo een bonte mix van suggestieve vragen, een persoonlijke aanval en een appel op emoties.

Bleeker en de strijd tegen vaccins 1 (25/11)

Anneke Bleeker, de grote virusbestrijdster, krijgt langzaamaan de status van bekende Nederlander. Eerst heeft ze eigenhandig de intentingscampagne voor jonge meisjes tegen baarmoederhalskanker om zeep geholpen en tegenwoordig heeft ze haar pijlen op het griepvaccin gericht.
In NOVA mocht ze tekst en uitleg geven, in de Volkskrant werd er onlangs driekwart pagina aan haar besteed en in Pauw & Witteman werd ze eerst uitgenodigd en vervolgens weer afgezegd, omdat Klink anders niet wilde komen. Ook heeft Bleeker een site: verontrustemoeders.nl. Publiciteit genoeg.
Op deze site vertelde een vrouw het volgende: “Volgens de arts die mijn moeder de gewone griepprik gaf krijgt de ene groep een placebo en de andere groep het Mexicaanse griepvaccin.” Luc Lansing mailde daarop Anneke Bleeker: “Volgens de arts die mijn moeder de gewone griepprik gaf krijgt juist de ene groep het Mexicaanse griepvaccin en de andere groep een placebo. Precies andersom dus.”
Binnen vijf minuten kreeg hij een reactie van Anneke: “Sorry, wil je dit toelichten? Als iets niet klopt halen wij het weg.” (NRC, 24.11.2009)
(wordt vervolgd)

Klimatologen & trucjes (24/11)

Het was smullen voor klimaatsceptici: een computerhacker kraakte de server van een gerenommeerde afdeling klimaatverandering (CRU) van de universiteit van East Anglia en zette een enorme hoeveelheid privé e-mails van wetenschappers op het internet (New York Times, 20.11.09). Zo blijkt dat sommige wetenschappers een 'trucje' te gebruiken om informatie over temperaturen te manipuleren om zo temperatuursdalingen 'te verbergen'.
Dat ‘trucje’ werd gebruikt door Jonas van de East Anglia. Zijn collega Mann, die als hoogleraar aan Pennsylvania State University is verbonden, vond de woordkeus van zijn collega ongelukkig, maar wees erop dat wetenschappers dat woord vaak gebruiken om te verwijzen naar een manier om een probleem op te lossen. Het is “not something secret.”
In de mails treft men flink wat ad-hominemargumenten aan. “Science doesn’t work because we’re all nice,” zegt Gavin A. Schmidt, een klimatoloog van NASA. Ook zijn e-mails zijn te lezen. Maar hij relativeert de commotie: “Newton may have been an ass, but the theory of gravity still works.”
Dr. Michaels, een sceptische klimatoloog en gebeten hond in de mails, zag in de mails in eerste instantie niet meer dan “just the way scientists talk.” Maar later kwam hij hier op terug: “This shows these are people willing to bend rules and go after other people’s reputations in very serious ways.”
Wordt vervolgd.

Kluveld, Traïdia (23/11)

Karim Traïdia, de Franse socioloog en regisseur van onder meer ‘de Poolse bruid’, reageerde in een radioprogramma op het besluit van de regisseur Emmerich om in de film 2012 niet de Ka’aba, de grote steen in Mekka, te laten instorten. De regisseur van 2012 was bang voor een religieus fatwa.

Traïdia*: “Kijk, als je doel is om iemand te beledigen, is het iets heel anders, maar als je op een artistieke, of op een narratieve manier iets wilt vertellen, vanuit jouw eigen visie, volgens mij mag dat wel.”
Interviewer: “Hoe bedoelt u dat, als je doel is mensen te beledigen en te kwetsen is het anders? Kunt u dat even uitleggen?”
T.: “Ja, ik bedoel, als je iets maakt om echt... met als doel mensen te kwetsen en te beledigen, ja, dan is het anders.”
I.: “Dan is een fatwa wel gerechtvaardigd?”
T.: “Ja, dan denk ik ‘eigen schuld, dikke bult’. Dat is wat je zocht. Dat heb je gekregen.”
I.: “Dus u zegt nu op de radio, als de intentie van een columnist, filmmaker, whatever, is om mensen te beledigen, misschien wel met een knipoog, dan is een religieuze fatwa, een doodvonnis gerechtvaardigd. ‘Eigen schuld dikke bult’.”
T.: “Ja, het is gerechtvaardigd, maar ik ben er niet mee eens. Maar ik denk dat als de mensen zien dat het doel is om echt alleen maar te beledigen, dus zonder onderbouwing, zonder niks, dan denk ik van ‘nou, dat zocht jij, dat heb je gekregen”. Ik ben er niet mee eens, maar als je dat zoekt, dan krijg je het.”
Volgens Kluveld vindt Traïdia een doodvonnis in dat geval wel degelijk gerechtvaardigd.

Analyse. Is de vooronderstelling van Kluveld – Traïdia vindt een doodvonnis gerechtvaardigd – correct? Dat lijkt me niet. Traïdia meent enerzijds dat zo’n fatwa wel gerechtvaardigd is, maar anderzijds is hij het er niet mee eens.
Traïdia maakt zich dan òf (a). schuldig aan een contradictie òf (b). hij bedoelt met ‘gerechtvaardigd’ iets anders dan het hebben van goede redenen. Dat laatste is het geval als hij vooronderstelt dat er in dit geval sprake is van de nodeloos kwetsende anterieure verwijtbaarheid. Vergelijk dit met de situatie waarin een persoon willens en wetens een café binnenloopt waar wordt gevochten en vervolgens een kaakslag krijgt. In ons recht kun je zo iemand een verwijt maken: hij wist wat er kon gebeuren, maar hij nam het risico op de koop toe. Dat noemen we ‘anterieure verwijtheid’. Maar daarmee is nog niet per gezegd dat het uitdelen van de kaakslag per definitie gerechtvaardigd is.

Rekenkundige drogredenen (22/11)

Wetenschapsjournalist Hans van Maanen laat in zijn boek ‘Goochelen met cijfers’ zien hoe er met cijfers wordt gerotzooid. Aan de hand van talloze, vaak hilarische voorbeelden, laat hij zien welke trucs er zoal worden toegepast. Een absolute aanrader!
In 2007 ontving Van Maanen de NWO Eurekaprijs voor ‘het beste oeuvre op het terrein van de wetenschapscommunicatie’


Hans van Maanen, Goochelen met getallen. Cijfers en statistiek in krant en wetenschap. Boom, Amsterdam. 2009.

Inbrekers: gericht schieten, tussen de ogen (21/11)

Wat moet een burger doen als hij een dief in zijn huis aantreft? “Schieten daar waar nodig, gericht, en tussen de ogen”, vindt Leeuwardense VVD-bestuurder Ferry Dijkstra Voerman (Elsevier). Zijn partij nam afstand van deze uitlating, want hij schoot wel wat erg ver door. Vond Dijkstra Voerman zelf overigens ook: “Dit kwam recht uit mijn hart. Maar het was geen goede reactie. Ik ben terecht door het bestuur op de vingers getikt.”
Vervolgens gaf Dijkstra Voerman wel een curieuze draai aan zijn misstap. Volgens hem komt het te vaak voor, dat burgers die zich verdedigen, voor de strafrechter verantwoording moeten afleggen, terwijl de politie de burgers niet beschermt. “Op elke hoek van de straat staat een agent met lasergun. De kerntaak van de politie is bescherming bieden aan burgers. Als de politie dat niet doet, wat moet je dan nog.”
Analyse. Dijkstra Voermans hanteert hier een argumentum ad misericordiam, een beroep op medelijden. De oppassende burger, die zijn huis en haven verdedigt, moet - omdat de politie nalatig is - voor de rechter verschijnen en criminelen wordt helemaal niets in de weg gelegd als deze er lustig op los stelen.

Wilders en extreem-rechts 5 (20/11)

Ook Wilders zelf liet zich uit over een rapport (over de PVV) dat nog niet verschenen is. “Als er iets is dat de democratie ondermijnt, dan is het wel deze linkse elite, onder wie dit soort nep-onderzoekers, en de islamisering”, aldus Wilders (Elsevier). “Ik ben echt ziedend. Ze zijn knettergek geworden. Wat een idiotie. Wij zijn democraten in hart en nieren. We zijn democratisch gekozen en gebruiken alleen democratische middelen.”
Het rapport zou volgens hem zijn bedoeld om de PVV de mond te snoeren.
Analyse. Een indirecte persoonlijke aanval: Wilders maakt het motief van (onder meer) de auteurs van het rapport verdacht.

Stellinga versus Kalma (19/11)

Een quotum van 30% voor vrouwen in topfuncties vindt Stellinga dus maar niets. “Het slaat ook als een tang op een varkens” (P&W, 2.10). Het quota-wetsvoorstel van Kamerlid Kalma deugt dan ook niet. “Het aantal vrouwen dat voltijd werkt is 25%. Maar Kalma wil meer vrouwen in de top dan het aantal vrouwen dat voltijd werkt.” Wie een topfunctie wilt, moet toch op z’n minst volledig werken, vindt Stellinga.
Analyse. Stellinga maakt zich schuldig aan een categoriefout. Zij stelt de categorie ‘het percentage vrouwen dat voltijd werkt’ en de categorie ‘het percentage vrouwen dat een topfunctie moet krijgen volgens het quota-wetsvoorstel’ op één lijn. Maar de eerste categorie bevat de populatie van werkende vrouwen en die categorie, met drie miljoen vrouwen, is veel en veel groter dan de categorie vrouwen die een topfunctie zou moeten krijgen. Zelfs al zou slechts 1 procent van die vrouwen een topfunctie willen vervullen, dan praten we altijd over 30.000 potentiële vrouwelijke werknemers. Dat is nog altijd ruim meer dan het aantal vacatures voor topfuncties.

Stellinga versus Etty (18/11)

Feministen hebben het beste voor met vrouwen; werkende moeders hebben het zwaarder dan werkende vaders; vrouwen verdienen ten onrechte minder dan mannen; vrouwen willen even graag carrière maken als mannen; en er bestaat een glazen plafond voor werkende vrouwen. Allemaal onzin, meent Marike Stellinga. “Laat me niet lachen.” In haar boek De mythe van het glazen plafond wil Stellinga "aantonen dat bovenstaande punten fabeltjes zijn, dat ze op slechte en valse argumenten zijn gebaseerd, en soms dat ze simpelweg leugens zijn."
Etty was niet erg gecharmeerd van de kritiek van Stellinga die ze spuwde in “een uitzending van Pauw en Witteman over het Quota-Manifest, waar zij de rol mocht spelen van gansje in een geënsceneerd kippenhok.”
Wat deugde er niet aan Stellinga’s betoog? Zowat alles, meende Etty (NRC). “Ze neemt het op voor de mannen die hun plekjes aan de top willen behouden én voor hun tevreden huisvrouwtjes. Haar redenering luidt dat Nederlandse vrouwen in vrijheid kiezen voor een plaats aan de onderkant en daar ‘domweg gelukkig’ zijn. Ik ben voor het recht op luiheid, maar de verwezenlijking van dat recht voor iedereen lijkt me een utopie. En het argument dat vrouwen geen carrière willen, doet me sterk denken aan de bewering van blanke werkgevers in Zuid-Afrika die ooit vertelden hoe blij en tevree hun domme zwartjes waren.”
Quota kunnen een effectief hulpmiddel zijn om een gewenste ontwikkeling te forceren en een einde te maken aan apartheid, aldus hoogleraar en NRC-columniste Etty.
Analyse. Etty zet Stellinga weg als ‘gansje’, maar gaat inhoudelijk niet in op het betoog van Stellinga. De laatste komt in haar boek met een aantal overwegingen waar uit zou blijken dat vrouwen niet ambitieus genoeg zijn en waarom een wettelijke quotum-regeling niet wenselijk is, maar daar gaat Etty niet op in. Etty linkt Stellinga’s betoog enkel aan bewering van een blanke werkgever uit Zuid-Afrika over ‘domme zwartjes’. En daarnaast poneert Etty dat quota wel effectief zijn. Daarmee is het argumentatief arsenaal tegen Stellinga uitgeput.
(Morgen meer over de argumentatiefout van Stellinga.)

Holman voor Wilders en tegen Spong (17/11)

“Wilders ondemocratisch? Echt onzin”, brieste Holman tegen Spong (in P&W, 2.11.09). “Wilders heeft het niet over de islamieten, maar hij heeft het over de godsdienst.” Wilders’ kritiek is religiekritiek. “Dat heeft met die waanzin die u hier te berde brengt, niets te maken.”
Zware woorden van Holman, maar zijn bewering, dat Wilders uitsluitend kritiek heeft op de de Islam, is volstrekt onjuist. Dat Wilders het wel degelijk (ook) heeft over (alle) islamieten, blijkt onder meer uit een interview in de Volkskrant (18.11.06). Hij kreeg de volgende vraag voorgelegd: “Wat is het eerste dat u verandert als u het morgen voor het zeggen krijgt in Nederland?” Het antwoord luidde als volgt: “De grenzen gaan nog diezelfde dag dicht voor alle niet-westerse allochtonen. De demografische samenstelling van de bevolking is het grootste probleem van Nederland. Ik heb het over wat er naar Nederland komt en wat zich hier voortplant. Als je naar de cijfers kijkt en de ontwikkeling daarin? Moslims zullen van de grote steden naar het platteland trekken. We moeten de tsunami van de islamisering stoppen. Die raakt ons in ons hart, in onze identiteit, in onze cultuur.”

Wilders en extreem-rechts 4 (16/11)

“Wetenschappers van de lariekoek”, zo kwalificeerde Theodor Holman de wetenschappers die Wilders als extreem-rechts hadden betiteld (Pauw & Witteman, 2.11.09). Hij voegde er meteen aan toe dat hij het rapport nog niet had gelezen. (Kan aardig kloppen, want het rapport is nog niet verschenen).
Analyse. Het rapport, dat Holman nog niet gelezen, schrijft hij toe aan wetenschappers van de lariekoek. Ook Holman vindt het niet nodig om eerst een rapport te lezen en dan pas commentaar te geven.
Tja…

Wilders en extreem-rechts 3 (15/11)

”Het meest verontrustend is de formulering van de onderzoekers”, weet journalist Carel Brendel over een rapport van onderzoekers over rechtsextremisme te melden (Volkskrant). “Ze bombarderen een democratische oppositiepartij tot een gevaar voor de staatsveiligheid. Ze doen dit op verzoek van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dit zijn de methoden waarmee autoritaire regimes de oppositie monddood maken. Legitiem verzet tegen overheidsbeleid wordt vertaald in systeemhaat tegen de overheid. Wie zich verzet tegen de regering, ondermijnt de democratie. Of verstoort de sociale cohesie, die overigens al jaren grondig is verstoord door het multiculturalisme.”
Analyse. Er doet zich één probleempje voor. Het rapport waarover Brendel zo uitvoerig schrijft, is nog niet verschenen. Brendel gaat af op een geruchtje in de Volkskrant. Eén van de drie opstellers van het rapport ontkent overigens die conclusie. Dat maakt ook voor Brendel kennelijk niet uit.
Een kwestie van het verzinnen van een standpunt.

Kluun wordt verdedigd! (14/11)

ThijsF verwees in een reactie op een column van Max Pam naar mijn stukje over Kluun. Dat viel bij een andere reageerder niet in goede aarde. “@Thijs F. Ik ben bang dat noch u, noch de door u geciteerde Ron Ritzen, Kluun echt hebt begrepen. Kluun loopt n.l. helemaal niet achter de ideeën van Pim van Lommel aan! Hij loopt achter niemands ideeën aan, maar komt met eigen suggesties. Daar moet je tegen kunnen, anders kun je hem beter niet lezen, en zeker niet citeren!”
Noch ThijsF., noch ik beweren dat Kluun achter de ideeën van Van Lommel aanloopt. Wat ik wel schreef, is dat Kluun niet begrijpt wat wetenschap is en dat blijkt onder meer uit het feit dat hij aan de ideeën van Van Lommel het predicaat ‘wetenschappelijk’ verbindt.
De reageerder koppelt er meteen een klassieke drogreden aan vast: Kluun komt met eigen suggesties en daar moet je tegen kunnen, anders kun je hem beter niet lezen. Deze strategie kunnen we met even veel (of weinig) recht loslaten op de reactie van de reageerder zelf: je moet helder kunnen argumenteren en daar moet je tegen kunnen, anders kun je maar beter niets over logica lezen.

Wilders en extreem-rechts 2 (13/11)

“Wilders werd in een gecoördineerde actie van wetenschappers van de ministers Guusje ter Horst en Eberhard van der Laan als gevaar voor het voortbestaan van het Nederlandse volk gepresenteerd. (…) De wetenschappers van Ter Horst zien Wilders als staatsgevaarlijke man”, aldus Ellian in Elsevier.
Het rapport waar dit allemaal uit zou blijken, is nog niet verschenen en één van de drie opstellers van het rapport ontkende die conclusie. Dat maakt ook voor Ellian kennelijk niet uit.
Een kwestie van het verzinnen van een standpunt.

Rozendaal en inconsistent argumenteren (12/11)

Vlak na de val van de Muur leek de hele wereld (inclusief Sarkozy) ergens in Berlijn rond te hangen, merkt Rozendaal op (Elsevier). Hijzelf zat voor de tv en zag een groep vluchtelingen uit Oost Europa voor een Limburgse slagerij. Ze zagen rauwe ham, gekookte ham, berliner, gebraden gehakt, corned beef, enzovoorts, en dat in zes varianten per vleessoort. Ze werden gek.
In de Scientific American van een tijdje geleden, zo meldt Rozendaal, stond een artikel over de ingewikkeldheid van keuzes. “Wij mensen vinden het naar om uit één artikel te kiezen en we vinden het ongeveer even naar om uit twintig artikelen te kiezen. Een stuk of drie is ideaal. Dat maakt de verbijstering van de ex-communisten in de Limburgse slagerij een stuk begrijpelijker. L’embarras du choix heet dat geloof ik. Wij kunnen kiezen en doen dat ook. We kiezen in de supermarkt tussen twintig versies van hetzelfde product en doen dat op basis van criteria die we nauwelijks kennen. Het product ziet er zo leuk Amerikaans uit, of zo leuk Frans, of we houden een beetje meer van rood dan van groen, of we vonden die reclame eergisteren zo leuk, hoe dan ook, we zijn gewend aan kiezen. Dat kon je niet onder het communisme.” Verder koppelt Rozendaal dit verval ook nog aan de piramide van Maslov, maar dat doet nu niet terzake.
Een dikke week eerder liet Rozendaal zijn licht schijnen over de sociale wetenschappen naar aanleiding van de kwalificatie ‘extreem-rechts’ van Wilders door een drietal wetenschappers. “In Nederland gebruiken wij het woord wetenschap voor zowel alfa, bèta als gamma. In de Angelsaksische landen is dat anders: daar heet science alleen maar natuurwetenschap. De humaniora – de geesteswetenschappen, recht, taalkunde enzovoorts – doen daar hun best om zo wetenschappelijk mogelijk te werk te gaan, maar het zijn geen echte wetenschappen.” Het gaat slechts om meningen. “Voor hun mening een andere.”
Hoe probeerde Rozendaal zich hier nu, een week later dus, uit te redden? Zo dus: “Ik ben zoals u wellicht weet een chemicus, een natuurwetenschapper dus. Maar ik heb tijdens mijn studie in het kader van wat toen Studium Generale heette een inleidend college sociologie gevolgd. Dat vond ik tachtig procent onzin. Er zat één stukje kennis bij, dat me raakte en me sindsdien is bijgebleven.” Wat een week eerder ‘mening’ heet, blijkt nu ineens toch ‘kennis’ te zijn.
Voor dit soort redeneringen hebben we – naar mijn mening - een etiketje: inconsistent redeneren.

Wilders & extreem-rechts 1 (11/11)

Het is wetenschappelijk bewezen dat Wilders extreem-rechts is, aldus Matthijs van Nieuwkerk in een vraaggesprek met Bram Moszkowicz (DWDD, 10.11.2009).
Het rapport waar dat uit zou blijken, is nog niet verschenen en één van de drie opstellers van het rapport ontkende die conclusie. Dat maakte voor Van Nieuwkerk kennelijk niet uit.
Een kwestie van het verzinnen van een standpunt.

Jan Jaap van der Wal denkt niet (na), maar bestaat wel (10/11)

“Het heeft me altijd gefascineerd. De Tooske-achtige jongens en meisjes, die dan wel zes jaar lang gymnasium of toch op z'n minst vwo hebben gedaan en dan gaan ze op TMF clipjes aan elkaar praten of onwijs gave reportages maken in boerendisco's. Stoppen met denken, zullen we maar zeggen.”
Het citaat is afkomstig van Jan Jaap van der Wal: gymnasiast en cabaretier en sinds kort presentator van een heuse ‘populair-wetenschappelijke talkshow’: De Bovenkamer.
Na 6 seconden presenteren ging Van der Wal al de (logische) fout in: 'Ik denk, dus ik besta. Dus andersom is het ook zo: als ik niet nadenk, besta ik niet meer', zei JJ.
Zijn eerste gast was de filosoof Bas Haring en die beheerste zijn logica wel. “Dat is een denkfout”, merkte hij op. “Maar het is mijn gedachte”, probeerde Van der Wal. So what? Is er dan geen sprake van een denkfout?
Haring mocht de denkfout niet toelichten. Daarom doe ik het. Van der Wals redenering is als volgt:

1. Ik denk dus ik besta (verg.: het regent, dus de straten zijn nat)
2. Ik denk niet na. (verg.: het regent niet)
3. Ik besta dus niet (verg.: de straten zijn niet nat).

En dat laatste is géén logische conclusie (logisch in de zin dat de conclusie onder elke denkbare omstandigheid klopt). Met de analoge redenering, die dezelfde logische structuur heeft, is dat makkelijk te zien: de straten kunnen nat zijn, omdat ze net zijn natgespoten door een reinigingsauto.

Heeft Van der Wal misschien in het verleden TMF-clipjes aan elkaar gepraat?

Recensie: Kluun - God is Gek (2/11)

Kluun, God is gek. De dictatuur van het atheïsme. Uitgeverij Ten Have 2009. 2,50 euro.

“Waar komt de zendingsdrang van hedendaagse atheïsten toch vandaan”, wilt de schrijver Kluun weten. In het kader van de Maand van de spiritualiteit mocht hij daarover een boekje schrijven. In een notendop: God blijkt toch niet zo gek te zijn en het atheïsme heeft dictatoriale trekjes.

De schrijver, Kluun, debuteerde in 2003 met de uitstekend verkopende roman ‘Komt een vrouw bij de dokter’ en hij schreef daarna nog twee romans. Met name het verlies van zijn vrouw, die in 2001 aan kanker overleed, gaf de toenmalige marketeer een andere wending aan zijn leven. In de laatste dagen die hij met zijn vrouw doorbracht, de wittedoodsweken, blijkt dat zowel hij als zijn vrouw de religieuze ervaring ontdekten.
Terug naar de atheïsten. Ze hebben niet alleen een zendingsdrang, maar ook “een behoefte om van christenen een eendimensionaal en karikaturaal beeld te schetsen” en om creationisten af te schilderen als dogmatici die Darwin niet hebben begrepen (p. 47). Ook hebben ze “een dwangmatige behoefte tot beredeneren en bewijzen” waar het de spiritualiteit betreft. Een kwestie van oogkleppen, want die neiging ontbreekt als het gaat om zaken als aantrekkingskracht, schoonheid en liefde.
“Er zit iets ongeloofwaardigs in de overtuiging waarmee sommige atheïsten alles wat niet wetenschappelijk bewezen is, wegwuiven als prietpraat”, aldus Kluun. Het is nog erger: “met de stelligheid beweren dat er echt niets tussen hemel en aarde is, getuigt intellectueel gezien van (…) domheid”. Maar intellectuelen zijn niet dom, weet Kluun en hij ontmaskert ze genadeloos. Hij kan namelijk “niet geloven dat intellectuele atheïsten diep van binnen niet een deurtje open houden voor de mogelijkheid dat er wel degelijk meer is dan ze kunnen bedenken”. Een “zelfverklaard atheïstisch opiniemaker” zou voor de camera of in een column nooit durven te verklaren dat hij iets had meegemaakt dat zo vreemd en onverklaarbaar was. Dat zou haaks op zijn imago staan (p. 51). Kluun weet wel beter. De gemiddelde Nederlander ook: “63% van de Nederlanders bidt wel eens”.
Deze verwijten aan het adres van de atheïsten gelden uiteraard niet voor de schrijver van dit pamflet. Op een schaal van geloof-ongeloof van 1 (ik geloof niet, ik weet) tot 7 (de gedecideerde atheïst) zit Kluun naar eigen zeggen ongeveer in het midden (ik weet het niet zeker, maar ik ben geneigd om in een transcendente macht te geloven) (p. 52). Vlak na de dood van zijn vrouw, zat hij op 1, maar nu staat hij zichzelf een bescheiden twijfel toe.
Zijn argumenten hierover zijn helder. Hij “vindt het te toevallig dat de belangrijkste boodschappen in de heilige geschriften, of ze nu uit China, India of het Midden-Oosten komen, meer overeenkomsten dan verschillen vertonen” (p. 52). Ook kan hij zich “niet voorstellen dat tientallen eeuwen oude spirituele wijsheden (…) uit de lucht gegrepen zijn.” Hij is “ervan overtuigd dat er een kern zit in de filosofie” van denkers die stellen dat het ego een illusie is.
Het is voor Kluun een raadsel waarom Nederlandse intellectuelen in de bioloog Dawkins, de auteur van 'God als misvatting', “de definitieve bevestiging lijken te zien dat het atheïsme het ware geloof is” (p. 27).
Toch wijst hij wetenschap niet van de hand. “Misschien dat de zielen een tijdje na de dood vastzitten aan de overledenen, en dan opgaan in een geheel dat de energie in het universum vormt” (p. 53). De wetenschap lijkt het gelijk van Kluun te bevestigen: “NASA heeft bepaald dat het heelal bestaat uit 5% bekende materie, 25% onbekende materie en 70% nog onbekende, zogenaamde donkere energie…” Glad ijs, voegt Kluun eraan toe. En er is zelf een wetenschappelijke visie op bijna-dood-ervaringen, namelijk die van cardioloog Van Lommel (p. 42). Ook vroeg hij wetenschappers en filosofen naar hun opvatting over God. Bij geen van hen vond hij stellige uitspraken over het niet bestaan van God.
En, zo bezweert Kluun, er zijn verschijnselen die zo onverklaarbaar zijn, dat men er tot op de dag van vandaag geen rationele, psychologische of natuurkundige verklaring voor gevonden heeft (p. 49). Zoals gezegd, de atheïsten onder de opiniemakers weten dat ook wel, maar houden angstvallig hun mond.

Wat te denken van dit geschrift? Ik vrees dat Kluun echt op alle denkbare fronten tekortschiet. Zijn kritiek is (1) niet origineel; (2) zijn argumentatie is doorspekt met talloze drogredenen; (3) zijn opvatting over wat wetenschap inhoudt, is onjuist en (4) zijn retoriek is wel heel erg doorzichtig.

Laat ik met het eerste punt beginnen: zijn kritiek is niet origineel. Naar aanleiding van het streven om een atheïstische boodschap op bussen te krijgen, schreef Ger Groot, hoogleraar filosofie & literatuur én overtuigd ongelovige, dat het atheïsme een ware missioneringscampagne op de rails probeert te krijgen. “Zelfs het Humanistisch Verbond begint zijn radioboodschappen inmiddels met klokkengebeier, gevolgd door een boodschap die zijn weerga niet kent in mystieke zweverigheid: ‘Humanisten geloven in de kracht van mensen’. De overtuigde ongelovige in mij zou van minder het schaamrood op de kaken krijgen.” Hij verfoeit het streven van atheïsten, die zich geroepen voelen tot zo’n pinksterachtige getuigenispolitiek. (NRC, 9 februari 2009).

Veel storender is Kluuns gebrekkige argumentatie (mijn tweede kritiekpunt). Hij hanteert de persoonlijke aanval: diep in hun hart weten atheïsten volgens Kluun natuurlijk ook wel dat er meer is tussen hemel en aarde, maar ze kunnen dat niet toegeven vanwege hun imago. En wie echt beweert dat er niets tussen hemel en aarde bestaat, is gewoon dom. Naast hun gebrek aan integriteit en domheid is nog meer aan te merken op de atheïsten, namelijk hun dwangmatige behoefte om te bewijzen en beredeneren als het om spiritualiteit gaat.
Die opmerking is vreemd, want ook Kluun schermt met bewijzen en argumenten. Het zijn alleen uiterst gebrekkige argumenten. Zo ontduikt hij voortdurend de bewijslast met ‘ik ben ervan overtuigd dat….’, ‘ik kan me niet voorstellen dat …’ en ‘ik kan niet geloven dat…’. Met evenveel gemak kan een atheïst stellen dat hij ervan overtuigd is…. en dat zich niet kan voorstellen dat… (maar dat getuigt in zijn ogen van domheid). Het is volgens Kluun te toevallig dat religieuze boodschappen van verschillende ‘bloedgroepen’ op elkaar lijken, maar dat is geen valide argument om te concluderen dat er dus ‘een kern van waarheid’ inzit.
Ook op zijn keuze van experts is een en ander af te dingen. Kluun haalt een willekeurig aantal filosofen aan en concludeert dan dat geen van de grote filosofen stellige uitspraken doet over het niet bestaan van God. Maar filosofen als Russell en Schopenhauer - enkele doorgewinterde atheïsten én grote filosofen - ontbreken in zijn lijstje. Had hij deze bevraagd, dan had zijn boekje er toch echt anders uit moeten zien.
Ook het tritsje hedendaagse wetenschappers, dat Kluun opvoert, oogt merkwaardig. Een natuurkundige, een plasmafysicus en een biofysicus blijken ineens vanwege hun natuurwetenschappelijke scholing expert te zijn op het gebied van het wel of niet bestaan van God. Voor de buitenlandse wetenschappers, die Kluun aanhaalt, geldt hetzelfde: drie vooraanstaande beta’s en een historicus, die zijn pijl alleen op Dawkins richt, hebben niet per definitie een expertise op vraagstukken als ‘is er leven na de dood?’.
Kortom, Kluun maakt zich schuldig aan een autoriteitsdrogreden.
Paul Cliteur en Herman Philipse, twee hedendaagse Nederlandse filosofen, zijn de grote afwezigen in dit boek. Beide filosofen hebben uitgesproken opvattingen over het bestaan van God en hebben daarover ook een aantal buitengewoon interessante artikelen en/of boeken geschreven, nog los van de vraag of je het met hun opvattingen eens bent. Ze zouden gezien hun expertise uitstekend passen in de opzet van het boekje. In elk geval veel beter dan de willekeurig aangehaalde wetenschappers. Die wetenschappers en de aangehaalde filosofen passen toevallig allemaal prima in het betoogje van Kluun, maar met een evenwichtige argumentatie heeft dit alles niets te maken.
Dat 63% van de Nederlandse bevolking af en toe wel eens bidt, is weliswaar een aardig weetje, maar ook niet meer dan dat. Ik weet niet welke consequenties Kluun hieraan verbindt, maar al bidt 99,99% van alle Nederlanders af en toe, dan nog zegt dit niets over het hiernamaals of het bestaan van God. Het is in dit geval niet meer dan een populariteitsdrogreden: als 63% bidt….
Dat er verschijnselen zijn die zo onverklaarbaar zijn, dat men er tot op de dag van vandaag geen rationele, psychologische of natuurkundige verklaring voor gevonden heeft, levert strikt argumentatief gezien evenmin iets op. De constatering dat op dit moment iets niet kan worden verklaard, impliceert namelijk niet dat het nooit en te nimmer kan worden verklaard en dus per definitie onverklaarbaar is.
Kluun dekt zich bovendien behoorlijk in tegen kritiek door zich te bedienen van vaag taalgebruik als ‘sommige atheïsten vinden... ’, ‘misschien is het zo dat…’. Maar wie heeft Kluun nu precies op het oog? In zijn bescheiden literatuurlijstje wordt slechts één heuse atheïst opgevoerd: Dawkins.
En ook met dat ‘misschien’ kun je uiteindelijk alle kanten op.

Ik vrees, en dat is mijn derde kritiekpunt, dat Kluun niet begrijpt wat wetenschap is. In moderne wetenschappen onderzoekt men de waarschijnlijkheid van verklaringen. Als een wetenschapper geen principiële uitspraak wil doen, dan heeft dat (ook) te maken met het feit dat alle empirische kennis in principe voorlopig is. Ongeacht welk onderwerp zal een wetenschapper dus nooit een stellige uitspraak doen.
De vraag naar het bestaan van God is niet (louter) een kwestie van wetenschap, maar waarom bevraagt Kluun dan wetenschappers over deze kwestie.
Kluun schermt bovendien wel erg makkelijk met het predikaat ‘wetenschappelijk’, bijvoorbeeld ten aanzien van Van Lommels artikel over de bijna-dood-ervaringen. Herman de Regt en Hans Doorenmalen, twee filosofen die aan de Universiteit van Tilburg zijn verbonden, fileerden onlangs de wetenschappelijke pretenties van het onderzoek van Van Lommel en lieten er weinig van heel. Pseudowetenschappelijk was hun harde, maar terechte oordeel. Maar Kluun kent op dit terrein kennelijk geen enkele reserve.
De dogmatici hebben dus “een dwangmatige behoefte tot beredeneren en bewijzen” waar het de spiritualiteit betreft. “Een kwestie van oogkleppen, want die neiging ontbreekt als het gaat om zaken als aantrekkingskracht, schoonheid en liefde”, meent Kluun. Weer onjuist. Er is wel degelijk sociaalwetenschappelijk, biologisch en historisch onderzoek gedaan naar aantrekkingskracht van uiterlijk. Voor schoonheid geldt overigens hetzelfde verhaal.
De bioloog Richard Dawkins wordt door atheïsten onthaald als de grote held (Kluun: communeleider) van het atheïsme. Klopt dat beeld? Ondanks de indrukwekkende verkoopcijfers, was een aantal recensies zeer kritisch. Zo had én heeft Herman Philipse, een overtuigd atheïst, veel kritiek op het betoog van (de atheïst) Dawkins. Die laatste maakt in de ogen van Philipse voortdurend argumentatiefouten. Overigens weet hij te melden dat er sowieso veel kritiek op Dawkins is.
Interessant is dat juist Philipse zijn bewondering voor de gelovige filosoof Richard Swinburne niet onder stoelen of banken steekt, ook al is hij het niet eens met diens analyse.

Rest me nog het vierde kritiekpunt: Kluuns doorzichtige retoriek. Hij plaatst zichzelf op de schaal van ‘geloof-ongeloof’ ergens op het midden met een lichte voorkeur voor het sprituele. Zo’n middenpositie verleent de auteur of de spreker een aura van redelijkheid. Enerzijds wijst hij op fanatieke atheïsten die maar niet los kunnen komen van hun dogmatische opvattingen; anderzijds wijst hij op de vage en zweverige spiritualisten, die zelfs bij hem onpasselijkheid oproepen (p. 45). Kluun zelf zit dan als een wijze sis comfortabel in het midden. Nog voor hij ook maar één argument heeft gegeven, heeft hij zo - schijnbaar - het pleit al gewonnen. Maar wel erg doorzichtig.
Bij het NASA-verhaal hanteert Kluun een andere retorische truc. Eerst geeft hij het NASA-onderzoek weer en vervolgens geeft hij daar een eigen draai aan. Daarna voegt hij er meteen aan toe dat hij zich op glad ijs bevindt (hoewel hij er volgens mij dan al lang is doorgezakt). Ondertussen is het punt wel snel gemaakt zonder dat men hem daar op vast kan pinnen. Het was immers glad ijs, zo heeft Kluun op voorhand al ruimhartig toegegeven.
Ook komt de Linkse Kerk voorbij. Kluun praat wel graag over de media, maar hij interviewde slechts ‘Pauw & Witteman’, Pam, Holman en Van Nieuwkerk. Met deze personen denkt Kluun kennelijk de linkse media in voldoende mate te hebben beschreven. Toegegeven, het bekt lekker, maar het verband links-atheïsme ontgaat me.

Kortom, dit boekje is geen gelukkige keuze.