Leon de Winter en zijn dissidenten (12.2.10)

“Wat ik na enkele maanden vaststel, is: er zijn zoveel dissidente wetenschappelijke stemmen dat het zinnig is daarnaar te luisteren,” aldus Leon de Winter (VK, 4.1.10).
Het aantal dissidenten is niet van belang voor de vraag of het zinnig is om er naar te luisteren. Het gaat om hun inhoudelijke bewering.
De zaak-Hill/Dicke laat zien dat consensus de wetenschappelijke gemeenschap niet per definitie een kwalitatieve waarborg is. Henry Hill was als fysicus aan de University of Arizona in Tuscon verbonden en verrichtte in 1975 enkele metingen, waaruit zou blijken dat er zoiets als zonnetrillingen zouden bestaan. Er ontspon zich een felle discussie. Drie jaar na Hills rapportage probeerde een aantal fysici deze trillingen met uiteenlopende technieken waar te nemen, maar ze vonden echter niets op de frequenties die Hill had gemeld. Hills onderzoeksmethode zou eenvoudigweg niet deugen. Frappant is echter het vervolg op deze discussie.
In 1976 beweerde de natuurkundige Robert Dicke dat uit zijn waarnemingen bleek dat de zon was afgeplat. Op basis hiervan ontwikkelde hij een theorie, die daarmee een grote bedreiging van Einsteins relativiteitstheorie werd. Zoals te verwachten was, ontstond er een heftige discussie onder natuurkundigen over Dickes verklaring. In de jaren zeventig verschenen er maar liefst achttien belangrijke theoretische artikelen die Dickes bewering bestreden. In één van die artikelen werd de bewering van Dicke niet theoretisch, maar door middel van een experiment weerlegd. Dit experiment, waaruit Dickes ongelijk bleek, was opgezet en uitgevoerd door Hill, die eerder beweerd had zonnetrillingen te hebben geobserveerd.
Dankzij het experiment van Hill kwam er een einde aan de discussie tussen Dicke en zijn critici. Voor de wetenschappelijke gemeenschap was het duidelijk dat Dicke ongelijk had en dat Einsteins theorie grotendeels correct was. Het merkwaardige aan deze gang van zaken is dat Hill vrijwel exact dezelfde techniek had gebruikt als in zijn onderzoek naar zonnetrillingen. Toen werd er zoveel kritiek geleverd op deze techniek, dat zijn meetresultaten uiteindelijk niet werden geaccepteerd. De betrokken fysici waren op de hoogte van deze zwakke plekken van Hills metingen, maar gingen er in de discussie tussen Dicke en Hill niet op in. Kennelijk was het belang om Einsteins gevestigde theorie te behouden groot genoeg om aan bevindingen die in een ander verband met scepsis begroet werden, een grote overtuigingskracht toe te kennen. De theorie van Dicke werd verworpen op basis van Hills metingen en dat is volgens sommigen een helder voorbeeld van de wijze waarop door het gebruik van retorische middelen binnen de wetenschappelijke gemeenschap consensus tot stand komt.

3 reacties:

jhaw zei

Strikt genomen is het aantal dissidente wetenschappelijke stemmen niet van belang voor het al dan niet zinnig zijn van die meningen, of een reden om wel of niet naar dergelijke stemmen te luisteren.

Een enkele dissidente mening is eigenlijk al voldoende reden om naar te luisteren, als die inhoudelijk de aandacht maar wel waard is.

Ik denk dat De Winter met de aangehaalde zin dan ook eigenlijk doelt op de in zijn stukje besproken onderzoeken. Die zijn volgens hem waardevol genoeg om naar te luisteren.

Door de zin zonder context aan te halen, lijkt het alsof De Winter denkt dat het puur om de aantallen van dissidente meningen gaat, terwijl het goed kan zijn dat hij deze onderzoeken ook inhoudelijk van belang vindt.

Ron zei

Het gaat inderdaad om de inhoud van de bewering.
Dat ik denk dat De winter dat aantal van doorslaggevende waarde acht. Zie hiervoor zijn http://www.elsevier.nl/web/Opinie/Leon-de-Winter/252848/Aan-de-hoofdredacteur-van-de-Volkskrant.htm
Daar vind je een eindeloze opsomming van wetenschappers uit de sceptische hoek. Maar dit soort argumentaties zegt inhoudelijk helemaal niets.

jhaw zei

Hoewel ik zou kunnen vermoeden (en dat misschien ook wel doe), dat De Winter het grote aantal wetenschappers dat sceptisch is ten opzichte van de meer gangbare bewering dat de mens hoofdschuldige is aan de opwarming van de Aarde van doorslaggevende waarde acht, kan ik dat zowel aan de hand van de zin over de dissidente wetenschappers, als aan de hand van de lange lijst sceptische wetenschappers die hij aanhaalt, niet hardmaken.

Het probleem voor De Winter, uzelf en ik, is dat wij geen van allen bevoegd zijn om te bepalen of klimaatwetenschappers, sceptisch of niet, iets zinnigs te melden hebben. Dat houdt natuurlijk niet in dat we drogredenen moeten gebruiken om ons gelijk te halen. Ten eerste uiteraard omdat zulke redenen niet steekhoudend zijn, maar ten tweede omdat we toch niet kunnen bepalen of ons ‘gelijk’ wel werkelijk waar is.

Wanneer een groot aantal mensen iets beweerd of iets mooi, goed of navolgenswaardig vindt, is dat nooit een garantie dat ze hierin gelijk hebben. Het nooit een bewijs, mogelijk echter wel een aanwijzing! Wanneer negenennegentig mensen zeggen dat iets geel is, en één zegt dat het rood is, dan kan die ene persoon het best bij het juiste eind hebben (of de grootste onzin uitkramen). Maar wanneer tachtig mensen zeggen dat iets geel is, en twintig zeggen dat het rood is, dan is het mischien wel zinnig dit te onderzoeken. In dat opzicht is het zinnig naar dissidente stemmen te luisteren, als het maar gebeurt door mensen die in staat zijn te beoordelen of die stemmen iets nuttigs te melden hebben. Gezien haar achtergrond zou minister Cramer daartoe in staat moeten zijn.